Skip to main content

Full text of "De bandjermasinsche krijg van 1859-1863"

See other formats


This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 



'^ : J -1 



Digitized byCjfcOQlC 



* ' Digitize^ by V^OOQ IC 



' 1 



Digitized by VjOOQIC 



DE BAJSTOJEElASnSGHE OJJ&, 



'A 



Digitized by VjOÓQIC 



Digitized by VjOOQiC 



rr^ w 



Digitized by VjOOQiC 



Digitized by VjOOQIC 



DE BAITOJERMASnSCHE OJJ&, 



■i ' ... ' 

Digitizedb^jOOiagie 



Digitized by VjOOQiC 



, i'^i ifÜW YORC I 

küBUCUBRARTi 



Tni^oj-:^ 




^^TOn, LRNOX 



. Digitized by VjOOQ iC 







Digitized by VjOOQiC 



jioi 



Cll 



DE BANDJERMASmSCHE KRÜG 



VAH 



1859 — 1863. 



-«~-*^^>-»- 



MET PORTRETTEN, PLATEN EN EEN TERKÉ^iïÉlAïjT:" 



TV". ^. VA.ISr IIEES, 



Kommandeur , officier en ridder van verschillende orders , gepensioiiiieerd 
majoor tit. vati het Nederlandsch Indisch leger. 



EERSTE DEEL. 







ARNHEM, 

D. A. THIEME. 

1865. 







THE NEW V'>RK 

PUBLIC LIBRAPV 

.t09790A 

APTOR. LENOX A>'D 
i L D E N fO 'J N D A : ; 'j N 



•- ./ 



Digitized by VjOOQIC 



AliS EEN BLIJE MIJNER INNIGE GEHECHTHEID AAN U , NAAST 
■WIE IK VROEGBB IN DE GELEDEREN STOND ; ALS BEN HERNIEUWD 
BLIJK MIJNER SYMPATHIE VOOR DE ONBAATZUCHTIGHEID EN DE 
ZELFVERLOOCHENING DIE UW KARAKTER KENSCHETST, 



AAN U, 



OFFICIEREN VAN HET NEDERLANDSCH INDISCH LEGER , 



(PeW^ 



, Digitized^yGQOgrJe ^ 



WORDT DIT WERK 



MET BETUIÖINö VAN HOOöACHTINa 



4^;Ig?)[raglElt innt itn 



SCBRIJVER, 



Digitized by VjOOQiC 



Zoekt men in onze vroegere betrekkingen met Borneo 
Ie vergeefs naar de vermelding van gebeurtenissen die den 
roem der Nederlanders verhoogen, naar feiten die het ka- 
rakter onzer natie eer aandoen, — de oorlog onlangs ge- 
voerd om het Bandjermasinsche rijk tot onderwerping en 
onder ons regtstreeksch bestuur te brengen , wijst ons daaren- 
tegen op een menigte feiten die der Nederlandsche natie tot 
eere strekken, een waardige plaats innemen in de geschiede- 
nis van Neerlandsch Indië, en den roem van het Nederlandsch 
Indisch leger handhaven. 

Ik heb mij tot taak gesteld een hoogstnaauwkeurige be- 
schrijving van den Bandjerschen krijg te geven; ik heb ge- 
tracht de grootste onpartijdigheid in acht te nemen, 't Was 
mij slechts te doen om waarheid — naar mijn bescheiden 
oordeel het eenige juiste standpunt voor den geschied- 
schrijver. Dat streven naar waarheid en naauwkeurigheid 
heeft mij dikwijls genoodzaakt de sierlijkheid van den 
vorm op te offeren bij het boekstaven der verrigtingen op 
het oorlogsveld van het Nederlandsch Indisch leger, van dat 
leger dat onverdroten voortgaat op den weg , die Neerlandsch 
volk in roem , in grootheid en in welvaren doet toenemen. 



Digitized by VjOOQIC 



Was het schrijven eener krijgsgeschiedenis het hoofddoel 
van mijn arbeid , de politieke gebeurtenissen die tot den 
krijg aanleiding gaven, mogt ik niet geheel onaangeroerd 
laten. Meer dan elders toch , is in Indië de politiek onaf- 
scheidelijk van het krijgswezen. Het Hoofd eener militaire 
expeditie, dat gewoonlijk ook met de leiding der politieke 
handelingen wordt belast, houdt daar in de ééne hand het 
zwaard, in de andere den vredepalm. 

Door mede te deelen dat de Minister van Koloniën met veel 
bereidwilligheid mij den weg opende tot het raadplegen der 
officiële bescheiden , kwijt ik mij van een aangenomen pligt. 
Die officiële bescheiden liepen tot het jaarl8ö3, en be- 
treffen dus niet het ontslag van den Luitenant-Kolonel Yerspljck. 

Door de evenzeer gewaardeerde medewerking van den 
chef van het topografisch bureau te Batavia, den majoor der 
Genie W. F. Versteeg , heb ik bij het werk een kaart kun- 
nen voegen die den lezer in staat stelt de voornaamste be- 
wegingen der troepen te volgen. 



Gij, hooggeachte officieren van het Nederlandsch Indisch 
leger, die de onvolledigheid van mijn arbeid het best kunt 
beoordeelen, zult de zwarigheden daaraan verbonden ook 
het eerst erkennen en de gebreken met ridderlijke toege- 
vendheid over het hoofd willen zien. Gij zult overtuigd 
zijn , dat ik gelukkig was , U stap voor stap op het oorlogs- 
veld te volgen; gelukkig, mijnen landgenooten andermaal een 
Indische krijgsgeschiedenis te kunnen aanbieden, waardoor 
de verheven bestemming van het Nederlandsch Indisch leger , 
het schoone en edele der loopbaan van den Nederlandsch- 
Indischen krijgsman op nieuw in 't helderste licht treedt. 



Digitized by VjOOQIC 



INHOUD VAN HET EERSTE DEEL. 



BladK. 
HOOFDSTUK I. 

Overzigt der geschiedenis van het Bandjersche rgk tot aan de 
troonsbestgging van sulthan Tamdjid Illah 1. 

HOOFDSTUK II. 
Algemeene beschrgving van de residentie zuider- en ooster-af- 
deeling van Bomeo. — Wgze van bestuur 18. 

HOOFDSTUK in. 
Onlusten in Benoea Lima. — Djalil , Danoe B«djo. — Geruchten 
van het uitbreken eens opstands. — Antassari. — Aling, sulthan 
Koening 33. 

HOOFDSTUK IV. 

Maatregelen van het bestuur tot voorkoming van den opstand. 
— Zending van pangerang Amin Oei ah. — Aanvraag om mili- 
taire magt van Java. — April 1859 51. 

HOOFDSTUK V. 
Uitbarsting van den opstand. — Moordtooneelen te Kalangan, 
Goenong Djabok, aan de Kapoeas en Eahayan. — Verdediging 
van Pengaron door Beeckman 63. 

HOOFDSTUK VI. 
Kolonel Andresen. — Opmarsch naar Martapoera. — Hidayat^s 



Digitized by VjOOQiC 



X INHOUD. 

Bladz. 
vlugt. — Pengaron ontzet. — Gevechten nabij en te Poeloe Petak. 

— Luitenant Bichon 74. 

HOOFDSTUK VII. 

Gevecht van Tjampakka. — Aanval op den kraton te Marta- 
poera. — Vermeestering van Tabanio 87. 

HOOFDSTUK VIII. 

Mislukte aanval op schans van Thuyl en Bandjer door kiaj 
Mangon Karsa. — Bestorming van Goenong Lawak door Schiff. 

— Van Oyen te Tjinta Poerie. — Vervanging van Andresendoor 
Nieuwenhuizen en Verspijck 95. 

HOOFDSTUK IX. 

Inzigten van het nieuwe bestuur. — Eerste beschikkingen van 
Verspgck. — Togt van Benschop naar Moening. — De Onrust te 
S. Besaran; Soelil's dood. — Tweede togt naar Moening. — Be- 
zoek van de Teweh door de Onrust 104. 

HOOFDSTUK X. 

Tekissong. — Togten van Verspgck naar Pleiharie enMoengoe 
Thayor. — Onze vestiging aldaar 116. 

HOOFDSTUK XI. 

Tegenspoed op de Barito. — Z. M. stoomschip Onrust te Lon- 
tontoeor afgeloopen. — Togt van Z. M. stoomschip Montrado. — 
Verkenningstogt naar Gadoeng 129. 

HOOFDSTUK XII. 

Togt naar Sawarangan. — Expeditie naar de Boven-Barito tegen 
Soerapati. — Vermeestering van Lahey 139. 

HOOFDSTUK XIII. 

Togt naar Amoenthay. — Verovering van DjaliVs versterkin- 
gen. — Oprigting van een militairen post te A moenthay. — Vlugt 
van sulthan Koening; gevecht te Tjambooy. — Ontmoeting met 
den v^and naby Taal 153. 

HOOFDSTUK XIV. 

Aanval op Marabahan. — Beschouwing van den algemeenen 
toestand. — Plannen van den chef der expeditie. — Togt van 



Digitized by VjOOQIC 



INHOUD. XI 

BUdz. 

Graas naar Baleh. — Gecombineerde marscli naar Amawang. — 
Bezetting dier plaats door de Bavallet. — Schiff te Moengoe Menaris . 166. 

HOOFDSTUK XV. 
Krggsverrigtingen in Tanah Laut. — De Bali op de Kapoeas. 
— Verovering van Poeloe Kanamit. — Maart 1860 189. 

HOOFDSTUK XVI. 

Aanval op Amawang. — Gevecht van Tabehie. — Togt naar 
Allei en onze vestiging te Barabei-ie. — April 1860 197. 

HOOFDSTUK XVII. 
Sergeant Kamidin. — Marsch naar Lampehon. — Togt naar 
Tabalong. — Oprigting van een post te Baleh. — Marschen en 
gevechten in Tanah Laut. — Tommonggong Toendan. — Oprig- 
ting van een post aan de Eahayan 213. 

HOOFDSTUK XVIII. 

Krggsverrigtingen in Amandit. — Proclamatie van den Kom- 
missaris Nieuwenhuizen. — Verdeeling der residentie in afdeelin- 
gen en distrikten. — Togt van Benschop en Cavaljé in Riam 
Kiwa. — Oprigting van een post te Batoe Tongko. — Jung 1860 . 230. 

HOOFDSTUK XIX. 
Bhode te Batoe Mandie. — Bezetting van Moeara Tabalong 
door van Ogen. — Mislukte poging tot opligting van Djemana. 

— Togt naar Mengappan. — Verkenningen van Boudier. — An- 
tassari's plannen. — Juig 1860 247. 

HOOFDSTUK XX. 

Expeditie naar B[arrouw« — Lampehon en Tameang Layang be- 
zet. — Vermeestering van Batoe Mandie. — Aanval op Kaloewa. 

— Insluiting en ontzet van Tabalong. — Nieuwe opstand te Mar- 
tapoera. — Korporaal Bono op patrouille. — Augustus 1860 . . 262. 

HOOFDSTUK XXI. 

Grootere krachtsontwikkeling van den vjand. — Reuter bg 
Tambarangan. — KrggsverrigÜngen in Biam Kiwa en Kanan. — 
Hadji Boeyasin in Tanah Laut. — Herhaalde aanvallen op Boe- 
kit Madang. — Arrestatie van AbdoeUah. — September 1860 . 276. 



V 

Digitized by VjOOQiC 



XII INHOUD. 

madi. 
HOOFDSTUK XXII. 
Kaloewa. -— Togt langs de soengej Balangan. ^ Batoe Mandie. 

— DjattL — De radja van Pagattan in Tanah Laut. -— Togt 
van Benschop naar E^arangan Ambawang, — De Eingsbergen te 
Lontontoeor. — October 1860 302. 

HOOFDSTUK XXIII. 

Operatiên gedurende November en December 1860. — Verster- 
king bg Kloempang. — Verplaatsing der versterking van Ama- 
wang. — Verrigtingen der troepen aan de Eahayan en Kapoeas. 
De sulthan van Koetei. •— Oprigting van een post te Mengkatip. 

— Algemeene toestand 329. 



i 



\ 



\ 



Digitized by VjOOQ iC ' 



HOOFDSTUK 1. 



OVERZIGT DER GESCHIEDENIS VAN HET BANDJERSCHB RIJK TOT 
AAN DE TROONSBESTIJGING VAN SüLTHAN TAMDJID ILLAH. 

Volgens den inhoud van een Maleisch handschrift, zamen- 
gesleld uit een aantal mythen en legenden die waarschijnlijk 
met elk nieuw geslacht een meer wonderdadige tint verkregen, 
leefden de vorsten van Borneo in vroeger tijd in gemeen- 
schap met de hemellingen, beschikten over bovennatuurlijke 
krachten en bezaten pakhuizen vol goud, zilver, diamanten 
en andere edelgesteenten. Monsters, draken en reuzen speel- 
den een hoofdrol bij elke belangrijke gebeurtenis ; uit zacht 
ruischende zephirs spraken onzigtbare wezens den sterve- 
lingen toe, dooden stonden op uit het graf, levenden voeren 
ten hemel, en niets geschiedde bijna op een natuurlijke wijze. 

Niettegenstaande dat legendarisch element in gemeld hand- 
schrift, vindt men er bijna op iedere bladzijde bijzonderhe- 
den in medegedeeld, die nog heden ten dage het elgendoni- 
melijk karakter der oosterlingen kenmerken , en die ons als 
het ware inlijven in den gedachtenkring van den Bandjerees. 

De hoofdpersoon waarnaar het geschiedboek genoemd is, 
zekere Lambong Mangkorrat , was vorst van Tjandie en Koe- 
ripan en stamde af van een Hindoesch vorst , die vermoede- 
lijk in het laatst der 'l^**^ eeuw op Borneo's Zuidkust een 

i 



Digitized by VjOOQiC 



2. 

volkplanting stichtte. Tijdens de regering van dien Larabong 
Mangkorrat werden de eerste betrekkingen met de vorsten 
van het Javaansche rijk Modjo-Paït aangeknoopt. Lambong 
Mangkorrat namelijk — zoo luidt de overlevering — zou zich 
aan betapa (bidden in afzondering) gewijd, en daardoor een 
verrukkelijk schoone prinses uit het schuim der zee te voor- 
schijn geroepen hebben. Deze liet zich Poetri Djoendjoeng 
Boeïh noemen en wilde met niemand anders' huwen dan met 
een even wonderdadig geschapen Javaanschen prins , Radin 
Soeria Tjiepta genaamd. Welligt is Radin Soeria Tjiepta 
dezelfde persoon, die volgens Raffles in de 15^^ eeuw, op 
verzoek van een Bandjersch gezantschap , met een groote 
vloot naar Borneo toog. 

Onder de afstammelingen van dit verheven vorstenpaar 
genoot het land langdurigen vrede en voorspoed ; doch in het 
laatst der 46**^ eeuw , toen de vorst Sakar Soenggang , met 
voorbijgang zijner kinderen, een kleinzoon tot troonsopvolger 
bestemde , ontstond er een hevige burgeroorlog. De bevoor- 
regte pangerang of radin Samoedra riep de hiilp in van 
den sulthan van Damak , en verkreeg die onder voorwaarde , 
dat hij en zijn volk het Móhamedaansch geloof aannemen en 
bovendien een jaarlijksche schatting betalen zouden. Onder- 
steund door Javaansche strijdbenden , onderwierp Samoedra 
al zijne tegenstanders en beklom den troon onder den titel 
van sulthan Soerian Sjach, volgens anderen sulthan Soeria 
Angsa. 

Het nieuwe rijk , uit verschillende landen zamengesteld , 
verkreeg den naam van Bandjermasin, bij verkorting Bandjer, 
en de geschiedenis van het land trad een nieuw tijdperk in. 

Over den oorsprong van den naam »Bandjermasin'' ver- 
schillen de gevoelens. Volgens sommigen is hij ontleend van 
het zee- of zout water (banjoe assin) dat in den droogen 
moesson in de mondingen der rivieren stroomt tot op een 
dagreis van de kust. Anderen beweren dat de naam afkom- 



Digitized by VjOOQiC 



stig is van Bandar-masli , naar zeker hoofd Patih-masli , dat 
in het laatst der 16^ eeuw op de voornaamste handelsplaats 
aan de Kween (Tjeroetjoek) was gevestigd. 

Sulthan Soerian Sjach vergat spoedig zijn weldoener en 
hield op hem' de verpligte schatting te betalen; doch toen 
deze hem met zijn toorn bedreigde , vond hij het raadzaam 
toe te •geven. Naarmate de magt der Javaansche vorsten 
evenwel afnam en die der Bandjersche sulthans grooter werd, 
verminderde ook de afhankelijkheid der Bandjerezen. AUengs- 
kens verloor de Javaansche opperheerschappij haar prestige 
en eindelijk hield de Bandjersche ondergeschiktheid geheel 
op. In het jaar 1642 ging het laatste Bandjersche gezant- 
schap hulde brengen aan den sulthan Agoeng van Mataram. 

Bij voortduring nam het rijk van Bandjermasin in grootheid 
en aanzien toe. Van alle landen kwamen handelschepen en 
praauwen de riviermondingen binnen om lijnwaden, zout, 
rijst en spaansche realen tegen de rijke voortbrengselen van 
het land : peper , was , rottan , stofgoud , diamanten enz. te 
verruilen. Javanen , Chinezen , Maleijers , Boeginezen, Ara- 
bieren, ja zelfs Europeanen vestigden zich op de kusten; 
en onder sulthan Rachmat-IUah , zoon vaji Soerian Sjach 
steeg de bloei van het rijk ten top. 

Onder den derden sulthan, Hidayat-Illah , openbaarden 
zich evenwel in het vorstelijk gezin, dat zich door schraap- 
zucht en gewelddadigheid kenmerkte, de eerste kiemen van 
tweedragt. Eenige cijnsbare staten onttrokken zich toen reeds 
aan des sulthans oppergezag , en tegen het einde der il^'^ eeuw 
heerschte er in de regering openbare oneenigheid en ver- 
warring. Schepen van Siam en Goromandel werden afge- 
loopen ; de Portugezen verdreven , nadat zij te vergeefs be- 
proefd hadden zich te Bandjer te vestigen ; een Engelsche 
factory, in 1698 opgerigt, werd verwoest en de bezetting 
afgemaakt. 

Ook de 0. I. compagnie had meermalen in den loop der 



Digitized by VjOOQIC 



17**« eeuw handelskantoren Ie Bandjer opgerigt, doch die 
telkens weder moeten opheffen. 

Reeds in den aanvang harer betrekkingen met Bandjer- 
masin werd een gezagvoerder van een jonk (den 14^" Febr. 
1606) door den sulthan aan land gelokt en vermoord. 

In '1612 was men van oordeel dat de gruwelen bij her- 
haling gepleegd wraak eischten, en werd Bandjer dyor een 
expeditie van eenige schepen verrast, verbrand en geheel 
verwoest. Gedurende verscheidene jaren hielden alle betrek- 
kingen op, en toen in 1623 de zuidkust wederom door een 
handelsvaartuig werd bezocht, had de sulthan zijn zetel naar 
Martapoera of Kajoe Tangi verplaatst. 

In 1631 zond de sulthan twee rijksgrooten naar Batavia, 
om den gouverneur-generaal te verzoeken, tot betere onder- 
houding van vriendschap, jaarlijks eenige schepen naarBor- 
neo's zuidkust te zenden. Sedert dien tijd had de kompagnie 
een overviregenden invloed, totdat in 1638 alle Nederlanders, 
die te Martapoera aanwezig waren, verraderlijk werden ver- 
moord. 

Nadat namelijk de assistent van Banjer-anjer, van der 
Gammen, op het onverwachts met vergiftigde pijlen door- 
schoten was , eischte het opperhoofd Gramer een schitterende 
voldoening. De sulthan hield zich hevig bewogen, beloofde 
de moordenaars te zullen straffen, doch liet daarop Gramer 
en zijne medgezellen overvallen en afmaken. Terzelfder tijd 
was te Martapoera een ander Europeaan om 't leven gebragt. 
Op de aanklagt van den assistent liet de pangerang kiay Adi- 
patti Marta Saharie den schuldigen Bandjerees gevangen ne- 
men en de Nederlanders uitnoodigen op de strafplaats te 
verschijnen om de strafoefening bij te wonen. Eenigen lieten 
zich daartoe overhalen; eensklaps bevrijdde men den gevan- 
gene van zijne boeijen en werden de aanwezige Hollanders 
van alle zijden aangevallen en aan stukken gehouwen. 

In de loge bevonden zich nog slechts de assistent met zes 



Digitized by VjOOQIC 



nederlandsche bedienden. Deze stelden zich in slaat van 
verdediging en verklaarden zich liever in de lucht te laten 
springen, dan zich te willen overgeven. 

Nadat de pangerang hen eenige dagen ongemoeid had ge- 
laten, schonk hij hun het leven , onder voorwaarde dat zij het 
Islamisme zouden omhelzen. Toen zij echter weigerden de 
besnijdenis te ondergaan , werd de assistent afgemaakt , 
waarna de overigen zich aan den wil van den vorst onder- 
wierpen. De loge werd daarop geplunderd en omvergehaald. 

Vierenzestig Nederlanders kwamen bij die gelegenheid ohl. 

Daags nadat het noodlottig berigt van den moord tot Batavia 
was doorgedrongen, werd het schip Delft naar Kottawaringin 
gezonden om den opperkoopman aldaar te waarschuwen en 
te gelasten, om alle Martapoerezen die hij mogt ontmoeten, 
op te vangen, hen vooral niet om te brengen, maar aan man- 
nen, vrouwen en kinderen, zonder onderscheid, neus en 
ooren, regterhand en linkervoet af te hakken, het regter- 
oog uit te steken, een gedeelte der tong af te snijden, 
eenigen te doen ontmannen en ze dan, van alle goederen 
beroofd, met ledige praauwen naar hun land terug te zen- 
den, T>ien einde voor de geheele wereld de moord bekend 
werd, en het blijken zou hoe wij onze revengie zouden 
nemen tegen deze vervloekte natie." 

:&Zonderlinge dienst, zoo luidde de instructie voor den 
gezagvoerder van het schip Delft, zal UEd. aan de compag- 
nie bewijzen en voor uw particulier groote eer en belooning 
bekomen , indien UEd. in dezer voege eenig vaartuig en een 
groot getal zielen, onbekwaam om hun onderhoud te zoeken, 
naar dit ongelukkig land toezenden kunt. Spaar daartoe geen 
menschelijk vernuft, neem uwe vleugels van de masten , laat 
geen vlag als een chinesche waaljen , prepareer alles vol- 
gens 't gebruik der Chinezen, om ze te bedriegen, en de- 
guiseer 't volk met Chinesche rokken." 

Aan het slot der instructie werd nogmaals de opzending 



Digitized by VjOOQIC 



van misvormden naar Martapoera aanbevolen, opdat »de ge- 
dachtenis van zulk een snood verraad, door het aanschou- 
wen van zoo monstereuse menschen, onder het vulgair van 
tijd tot tijd levendig en in versche memorie blijve." 

De Serpent, met gelijke instructie naar Bandjer gezonden, 
liet 27 Martapoerezen onbarmhartig verminken en in dien 
toestand naar de hoofdplaats zenden. De Delft kwam te 
laat te Kottawaringin. Eenige dagen vroeger was de op- 
perkoopman met 40 man op een gastmaal verraderlijk ver- 
moord. 

De toorn der Hooge Indische regering klom daardoor nog 
hooger. Bij een krachtige diplomatieke nota gaf zij aan alle 
Indische mogendheden kennis van het schandelijk bedrog 
van den koning van Martapoera. 

Eenige schepen blokkeerden de kust en moesten ))hetzij in 
de furie of met koelen bloede'' alle Martapoerezen en Kotta- 
waringiners dooden. De expeditie zelve bleef achterwege daar 
de strijdkrachten in andere oorden van den archipel wer- 
den vereischt. Door den tijd veranderde de zienswijze der 
regering. Slechts door verregaande baatzucht gedi'even, 
werd in 1650 niet meer aan bestraffing gedacht, maar be- 
schouwde men het op nieuw toelaten van Nederlanders in 
Bandjermasin reeds als een gunsteen trachtte men de vriend- 
schap met Martapoera te bevorderen en te onderhouden. 
Het gevolg hiervan was, dat in 1660 op verzoek der com- 
pagnie, een overeenkomst tot stand kwam, die onze natie 
weinig eer aandeed. 

In het jaar ITH zond de compagnie andermaal een ge- 
zant, om nieuwe handelsbetrekkingen aan te knoopen. 
Wederom door verraad verstoord, gaven zij echter achter- 
eenvolgens in 1733, 1746 en 1756 aanleiding tot het sluiten 
van traktaten. 

De trouweloosheid , de baatzucht en het zedebederf der 
Bandjerezen, het winstbejag en de inhaligheid der Hollanders 



Digitized by VjOOQIC 



maakten iedere duurzame nederzetting onmogelijk. De po- 
gingen der Engelschen in 1769 en 1774 om voet aan wal te 
krijgen , losten zich op in vreesselijke bloedbaden , en kort 
daarna werd ook de equipage van een HoUandsch schip op 
een verraderlijke wijze tot den laatsten man afgemaakt. 

In 1785 overleed de regerende sulthan Tahhmid lUah I, 
nalatende twee zonen, de oudste sulthan Ilhamid Illah of 
Sulthan Koening, de jongste sulthan Tamdjid Illah I ook 
sulthan Sepoh genaamd. Sulthan Koening stierf niet lang na 
zijne troonsbeklimming, en daar zijn zoon sulthan Mohamad 
Amin Oelah nog minderjarig was , werd Tamdjid Illah I tot 
waarnemend sulthan benoemd. 

Den mannelijken leeftijd bereikt hebbende , nam Amin 
Oelah zelf de teugels van het bewind in handen en stierf 
na een regering van zeven jaren , nalatende drie onmondige 
zonen, de pangerangs Rahhmat, Abdoellah en Amir. Tamdjid 
Illah I trad nu andermaal als waarnemend sulthan op, ver- 
hief zich kort daarop wederrégtelijk tot werkelijk sulthan en 
w^rd bij zijn overlijden opgevolgd door zijn zoon sulthan 
Tahhmid Illah II, ook bekend onder den naam van pan- 
gerang Natta en Panembahan Batoe (van batoeah, de ge- 
lukkige). Deze liet de twee oudste zonen van Amin Oelah 
van kant maken en vergunde den derden, pangerang Amir, 
die hetzelfde lot duchtte, een bedevaart naar Mekka te 
doen. Amir, eenmaal uit de magt van zijn oom, ging niet 
naar Mekka, maar zocht hulp tegen den overweldiger bij 
den toenmaUgen vorst van Pagattan, Aroeng Trawee. Deze 
stelde een leger van 3000 Boeginezen tot zijne beschikking, 
waarmede Amir over land naar Martapoera trok. 

Toen pangerang Natta hiervan berigt ontving en begreep 
dat hij die strijdmagt geen weerstand kon bieden, poogde 
hij het gevaar af te wenden door de hulp der compagnie in 
Ie roepen. In hare wijze staatkunde meende deze het verzoek 
van den overweldiger te moeten inwilligen, en zond den 



Digitized by VjOOQIC 



kapitein GhristofTel Hofman aan het hoofd van 80 Gipayers 
naar Bandjermasin , met last pangerang Natta bij te staan. 

Inmiddels rukte pangerang Amir het land in, en bij elke 
schrede die hij Martapoera naderde, ontzonk pangerang Natta , 
zwak door gewetensangst , meer en meer den mo^d. In een 
wanhopig oogenblik den ondergang van het rijk vooruit ziende , 
wilde hij het liever aan de compagnie afstaan , dan het in de 
handen van zijn tegenstander te zien vallen. GhristofFel Hof- 
man nam het aanbod aan, trok Amir te gemoet en versloeg 
hem. Terwijl de ongelukkige Amir in Doesoen nagejaagd, 
gevangen genomen en naar Geylon verbannen werd, behield 
de compagnie de hoofdplaats Bandjermasin met eenige distrikten 
voor zich, en schonk (1787) het Rijk in leen aan pangerang 
Natta, die onder den naam van Tahhmid Illah II , doch meer 
bekend onder dien van Panembahan Ratoe , den troon besteeg. 

Op deze wijze geraakte de compagnie in het bezit van 
een gedeelte van het Bandjermasinsche rijk ! 

Op den zoo gemakkelijk verworven buit rustte echter geen 
zegen. De compagnie zelve geraakte in verval en was bui- 
ten magte van hare nieuwe bezitting partij te trekken. 
Slechts Panembahan Ratoe plukte de vruchten zijner euvel- 
daden. Hij genoot het zoete der aarde, voerde de hoofd- 
gelden in (één gulden per mannelijk hoofd), vierde naar 
hartelust bot aan zijne driften en stierf in 1808. De teu- 
gels van het bewind werden opgenomen door zijn zoon 
sulthan Soleiman, gewoonlijk Sleman genaamd. 

Sulthan Soleiman was een waardig zoon zijns vaders, en 
overtrof hem nog in wreedheid. Zijn eigen broeder, de 
Rijksbestierder Ratoe Ismaël, en twee tommonggongs die 
zijn argwaan opwekten, liet hij den wurgdoód ondergaan. 
Zijn zoon, pangerang Mangkoe Boemi Natta, die Ratoe Is- 
maël als Rijksbestierder was opgevolgd, ontging met moeite 
hetzelfde lot. Soleiman verhoogde de hoofdgelden tot ƒ 2.60 
voor gehuwden en ƒ 1.30 voor ongehuwden, en voerde bo- 



Digitized by VjOOQIC 



vendien een belasting in op handelspraauwen. Gedurende zijn 
bewind werden de Nederlanders te Bandjer door de Engeischen 
vervangen (1811), en toen de kolonie weder op de eerst- 
genoemden overging (1816), vernieuwde Soleiman de oude con- 
tracten op denzelfden voet (Kommissaris J. van Boekholtz). 

Toen sulthan Soleiman na zeventienjarige regering over- 
leed (1825), trachtte het Nederlandsch gouvernement met 
zijn zoon en opvolger , sulthan Adam Alwas Sikh Billah , 
eeti nieuwe overeenkomst aan te gaan waarbij de vroegere 
verbindtenissen bevestigd, de staatkundige verhouding ver- 
duidelijkt, de wederzijdsche regten naauwkeuriger bepaald, 
en de belangen verzekerd zouden worden. Door M. H. Ha- 
lewijn kwam dientengevolge een contract tot stand, dat 
hoofdzakelijk het volgende inhield : 

»In vollen eigendom zijn aan Nederland afgestaan : het 
riviereiland Tatas; Tandjong Boerong en het land bezuiden 
de Soengei Messa; Tanah Laut; Tanah Boemboe, bestaande 
uit Sembamban, Koesan met Poeloe Laut en Batoe Litjiui 
Tjantong, Bangkalaan met Tjingal en Menoengoel, Sampana- 
han en Boentar Laut; Pagattan; Passir; Koetei; Sambalioeng; 
Boelongan; het eiland Bekompay; het stroomgebied der Ba- 
rito of Doesoen , met uitzondering van den oostelijken oever, 
de grens van het sulthansgebied van af Kween of Tjeroet- 
joek tot aan Mengkatip; de zuidkust van de Barito tot aan 
Pontianak , bevattende het stroomgebied der Groote en Kleine 
Dayak en der Kapoeas; Kottawaringin ; Mandawé, Sampit; 
Pemboeng; Semboeloe en Katingan; 

>De sulthan verbindt zich : van de landen die hij zelf be- 
stuurt, niets af te staan, zonder goedkeuring van het Ned. 
gouvernement; — geen brieven of zendelingen van vreemde 
mogendheden aan te nemen, zonder voorafgaande kennisgeving 
aan den resident: — de keus van den troonsopvolger, pan- 
gerang Ratoe of sulthan Moeda van 's gouvernements goed- 
keuring afhankelijk te maken; — het rijk onder zijne bevelen 



Digitized by VjOOQiC 



10 

te doen besturen door een rijksbestierder, Mangkoe Boemi, 
wiens aanstelling mede van 's gouvernements goedkeuring af- 
hankelijk is; — alle bewoners van het rijk, die geen gebo- 
ren Bandjerezen zijn, onder het gezag van den resident te 
doen staan; — den rijksbestierder en de Bandjerezen ter 
hoofdplaats of waar ook gevestigd, die. zich aan eenig mis- 
drijf jegens het gouvernement of zijne onderdanen hebben 
schuldig gemaakt, teregt te doen staan voor een regtbank 
door den sulthan en den resident zamen te stellen; — Ban- 
djerezen op 's vorsten gebied, niet in de beide aangegeven 
cathegoriën vallende , overeenkomstig de lands-instellingen 
teregt te stellen, doch de straf van handen en voeten af- 
kappen voor altijd af te schaffen; — aan het gouvernement 
toe te staan den vrijen aankap van hout in sulthans landen ; 

— het jaarlijks voor een waarde van 12 thails aan diaman- 
ten op te brengen; — aan ieder toe te staan ongehinderd 
handel te drijven, behoudens sulthans bevoegdheid om billijke 
tollen en belastingen te heffen ; — de kofïij- en pepertuinen 
in het rijk onder het beheer te stellen van het Ned. bestuur; 

»het Nederlandsch gouvernement verbindt zich van zijne 
zijde : den vorst tegen binnen- en buitenlandsche vijanden 
te beschermen; — jaarlijks te leveren uit Doesoen 2 pikols 
was, iOO tjerands (houten borden) en iOOpagajongs(schep- 
riemen) ; — f 600 per jaar te betalen als schadeloosstelling 
voor de in- en uitgaande regten van 's vorsten handelsvaar- 
tuigen; — / 400 per jaar te betalen aan den troonsopvolger , 
en ƒ100 aan den rijksbestierder voor schadeloosstelling uit 
gelijke oorzaak; — jaarlijks één Chinesche wankong vrij van 
regten of lasten toe te laten; — eenige' landen in Tanah 
Laut aan te wijzen voor de privatieve jagt van den sulthan; 

— den toenmaligen rijksbestierder, pangerang Mangkoe Boe- 
mi Natta, en aan diens opvolgers ƒ12 000 's jaars toe te 
kennen tot vergoeding van het gemis der inkomsten uit Doe- 
soen en Bekompay." 



Digitized by VjOOQiC 



11 

In hoeverre dit contract de belangen van beide partijen 
waarborgde, in hoeverre die partijen van plan en in staat wa- 
ren om de bepalingen te handhaven, zou de toekomst leeren. 

Sulthan Adam was iemand van een goedaardig maar uiter- 
mate zwak karakter , en liep geheel aan den leiband van zijne 
vrouw njahi Ratoe Kamala Sarie, een gewezen bijzit zijns 
vaders. Even onbekwaam om zijn rijk te besturen, als om 
het gezag over zijn talrijk gezin te bewaren, hield hij zich 
uitsluitend met de jagt bezig en liet zijne gemalin naar wil- 
lekeur over het rijkszegel beschikken. De heerschzucht en 
gouddorst dezer vrouw kende schier geen palen. Zij verdub- 
belde de hoofdgelden , gaf een groote uitbreiding aan het tol- 
stelseï en voerde verschillende belastingen in. — Onder Adam's 
regering kwamen de steenkolen-ontginningen ie Pengaron 
(gouvernement) en Kalangan (partikulier) tot stand. Beide 
plaatsen lagen in de volkrijkste streken van het sulthansge- 
bied. Door die ondernemingen ontstond de regtstreeksche 
aanraking van Nederlandsche ambtenaren en particulieren 
met de bevolking. 

Uit sulthan Adam's huwelijk met njahi Ratoe Kamala ont- 
sproten vier zonen en drie dochters : de sulthan Moeda 
Abdoel Rachman, die kort na de verheffing zijns vaders, 
als troonsopvolger werd erkend; pangerang Ismaël; pange- 
rang Noch; pangerang Praboe Anom; Ratoe Aminah, gehuwd 
met pangerang Sjarief Hoessin, Ratoe Kramat, en Ratoe Sja- 
rief Kasoema Negara. Bij andere vrouwen verwekte Adam 
nog pangerang Soeria Mataram, Ratoe Djantra Kasoema en 
goesti Nadaroedin. Twist , tweedragt, afgunst en nijd heersch- 
ten bij voortduring onder de leden van het vorstelijk ge- 
slacht; het kwaad plantte zich op de bevolking over, onder- 
mijnde de inwendige krachten van het rijk en voerde het 
weldra ten verderve. In 1833 stierf pangerang Ismaël; men 
schreef zijn onnatuurlijken dood toe aan zijn jongeren broe- 
der Noch , die nu voor de betrekking van rijksbestierder in 



Digitized by VjOOQiC 



12 

aanmerking kwam , en ook werkelijk bij het overlijden 
(1842) van pangerang Mangkoe Boemi Natla, onder den titel 
van Ratoe Anom Mangkoe Boemi Kentjana, als rijksbestier- 
der optrad. Algemeen hield men hem voor den persoon, 
die in 1841 een aanslag op het leven van den troonsopvol- 
ger — zijn oudsten broeder — smeedde , waarvoor een vier- 
tal Bandjerezen w erden opgeofferd. Praboe Anom kenmerkte 
zich door groote aanmatiging, belagchelijken trots en verfoei- 
jelilke wreedheid. Trachtte hij al een grooten dunk van 
zich te geven door steeds in een geborduurden lakkeirok 
met kolonelsepauletten in het publiek te verschijnen, de 
gruwelijke moord dien hij op een zijner bijzitten pleegde, 
brandmerkte hem in de oogen van groot en klein. Geen 
wonder dus, dat men zwarigheden maakte om het verzoek 
van den sulthan toe te staan, toen deze, na het overlijden 
van den rijksbestierder, Praboe Anom tot diens opvolger 
voorstelde. 

In 1852 stierf de troonsopvolger sulthan Moeda Abdoel 
Rachman. Zware vermoedens van vergiftiging rustten op 
njahi Ratoe Kamala en haar lieveling pangerang Praboe. 

Uit Abdoel Rachman's echt met goesti Siti, de dochter 
van sulthan Adam's broeder pangerang Mangkoe Boemi Natta, 
waren ontsproten: pangerang Hidayat Oellah, Ratoe Sjerief 
Oemar en Ratoe Djaja Kasoema. Bij een bijzit, Njahi Ami- 
nah , dochter van een Chinees , had Abdoel Rachman — be- 
halve pangerang Tamdjid lUah — nog verscheidene telgen 
verwekt, die evenmin een rol in de geschiedenis hebben 
gespeeld als de bastaarden bij andere bijw^ijven overgewonnen. 

Volgens de adat, d. i. de aloude wettelijke instellingen, 
had de troonsopvolging in regte lijn plaats; niemand dan 
Hidayat kon dus lot troonsopvolger in aanmerking komen. 
Tamdjid Illah hoewel vóór Hidayat geboren , was'een bastaard 
die nooit de sulthanwaardigheid kon bekleeden, zoolang er 
wettige afstammelingen waren. 



Digitized by VjOOQIC 



13 

Behalve het onschendbare geboorleregt , scheen Hidayat 
door zijne naluurlijke hoedanigheden lot het bekleeden der 
hoogste waardigheid geroepen. Aan een getrouwe naleving 
zijner godsdienstpligten, paarde hij een warme vaderlands- 
liefde, groote hulpvaardigheid en mildheid, waardoor hij zich 
ieders achting en liefde verwierf, ook die van sulthan Adam. 
Van zijne prilste jeugd door genoemden sulthan voor den 
troon bestemd, oefende hij een grooten invloed uit en 
wendde dien steeds aan, om de goede verstandhouding met 
het Nederlandsch gouvernement te bevorderen. 

Tamdjid Illah Vniste niet alleen al die goede eigenschap- 
pen, maar onderscheidde zich nog door groote zwakheid, 
inhaligheid en onbeduidendheid. Bij zijne landslieden niet 
gezien, zocht hij omgang met Europeanen en gaf zich over 
aan het gebruik van amfioen en sterken drank. Toch wist 
hij zich dermate de gunst van den toenmaUgen resident 
te verwerven, dat in 4852, naar aanleiding van de uitge- 
bragte rapporten, niet Hidayat, maar Tamdjid door de In- 
dische regering tot pangerang Moeda, d. i. troonsopvolger, 
en tevens tot Mangkoe Boemi, d. i. rijksbestierder, werd 
verheven. Zijne ongeschiktheid tot regeren viel spoedig in 
het oog en kwam geheel in het licht, toen de resident die 
zijne benoeming had bewerkt, hem ontviel. 

Tamdjid's handelingen kenmerkten zich door vrees, zwak- 
heid en gebrek aan zelfvertrouwen. Hij droeg de overtui- 
ging bij zich, dat het volk hem achtte noch liefhad; dat 
de grooten des rijks op een gelegenheid loerden om hem 
van het voetstuk te rukken, waarop hij niet behoorde en zich 
nooit staande zou kunnen houden. Hij duchtte den regt- 
matigen toorn van Hidayat, de scherpe kris en het immer 
doodend gift van Praboe Anom; hij waagde 't niet meer aan 
het hof te verschijnen en trok zich terug uit de vorstelijke 
stad , om onder bescherming der Nederlanders die hem zoo 
krachtig hadden voortgeholpen , vrijer adem te halen. 



Digitized by VjOOQIC 



14 



Ware zijne onbeduidendheid niet te groot geweest , bij dien 
steun zoude het hem gemakkelijk zijn gevallen om de gene- 
genheid te winnen van een volk, dat gewoon is de hoogste 
magt te eerbiedigen. De zwakte des sulthans werd dus ge- 
evenaard door die zijns eersten ministers, en een schrome- 
lijke verwarring in de regeringszaken was er het natuurlijk 
gevolg van. Eenige prinsen maakten van dien toestand ge- 
bruik om geheel eigendunkelijk te handelen en zich ten koste 
van het volk te verrijken; anderen vermeden de hofstad, 
waar de omgeving van den sulthan hun het leven ondrage- 
lijk maakte. 

Zoozeer deed zich de behoefte aan orde gevoelen, dat in 
April 1853 door den sulthan zelf en de meeste rijksgrooten 
een gezantschap naar Batavia werd afgevaardigd om de re- 
gering te smeeken de schreeuwende onregtvaardigheid te 
willen herstellen en Hidayat weder tot troonsopvolger te 
benoemen. Het gouvernement meende echter zich gelijk 
te moeten blijven , en weigerde zoowel Hidayat tot 
troonsopvolger als Praboe Anom tot rijksbestierder aan te 
stellen. 

Njahi Ratoe Kamala ging inmiddels voort met op hare 
wijze het land te besturen, namelijk de bevolking uit te 
zuigen door middel van zendelingen die, van een gewapend 
geleide en een tjap (lastbrief) voorzien, het land doorkruis- 
ten, belastingen hieven, boeten oplegden en zich allerlei af- 
persingen veroorloofden. Een dezer zendelingen, een Chi- 
nees die tot het Mohamedaansche geloof was overgegaan, 
liet bij de inning dier bloedgelden een z waren ijzeren ketting 
door de kampongs slepen, om de onnoozele bevolking vrees 
aan te jagen. De treurige toestand van het land in dien 
tijd (1855) kan afgemeten worden naar dien van de vorste- 
lijke residentie Martapoera, welken wij met een enkel woord 
willen schetsen. 

De kraton bestond uit een zestal zeer vervallen woningen, 



Digitized by VjOOQIC 



15 

gedeeltelijk door een hoogen aarden wal, gedeeltelijk door 
een halfvergane ijzerhouten pagger omgeven. Op het plein, 
lusschen het weelderig opgeschoten gras, lag een dertig- 
tal onbruikbare kanonnen. Het voornaamste gebouw was de 
troonzaal, in 1786 door Panembahan Ratoe gebouwd, 120 
voet lang, 50 breed en 25 hoog, met kunstig snijwerk ver- 
sierd, doch zoodanig in verval, dat men er niet zonder 
gevaar kon binnentreden. Daar vond men een ouden gam- 
raelang en eenige geheel onbruikbare wagens. Ook de woning 
des sulthans droeg de sporen van verregaande verwaarloozing 
en diep verval. Met uitzondering van de ontvangstzaal, was 
het huis opgepropt met kisten, kasten en manden; het ge- 
leek een waar rooversmagazijn, was slecht verlicht en arm- 
zaliger ingerigt dan de woning van menig welgesteld inlan- 
der. De huizen der pangerangs Praboe Anom en Mohamed 
Amin Oellah waren niet beter. En toch waren in die scha- 
mele woningen groote rijkdommen opgestapeld; toch lag 
onder al dat vuil een schat van diamanten en stofgoud ver- 
borgen. Ratoe Kamala alleen bezat een diamant van 103, 
een ander van 83, en een menigte anderen van 30 a 40 
karaat. Slechts bij plegtige gelegenheden, op groote feest- 
dagen wanneer er optogten werden gehouden, werd die 
rijkdom ten toon gespreid. 

Pangerang Praboe, steeds meer gehaat en gevreesd naar- 
mate hij gruwelen op gruwelen stapelde, bleef evenwel de 
lieveling zijner ouders; en sterk door de heerschende wan- 
orde, meende hij de kans schoon te zien om zich tot sulthan 
Moeda te verheffen. Immers Tamdjid was het slechts in 
naam, en Hidayat, ondanks zijn grooten aanhang, door het 
gouvernement verstooten en onschadelijk geworden. Hij nam 
daarom den titel van troonsopvolger aan, dwong de menigte 
hem te erkennen en eer te bewijzen, en pleegde allerlei 
knevelarijen. De zwakke sulthan liet Praboe's ongeoorloofde 
handelingen oogluikend toe; tot dank beproefde deze een 



Digitized by VjOOQIC 



16 

aanslag op het leven zijns vaders, nadat hij te vergeefs had 
getracht zich door hem tot troonsopvolger te doen erken- 
nen. Hidayat verdroeg Praboe's aanmatigingen niet ; de be- 
volking wist niet meer wien te gehoorzamen; roof en moord 
waren aan de orde van den dag. De toestand van het 
rijk werd zóó beklagenswaardig, dat de regering, die hoopte 
met de zekerheid omtrent de troonsopvolging een einde te 
maken aan de inwendige verdeeldheid, in 1856 een acte van 
benoeming tot sulthan Moeda aan pangerang Tamdjid uit- 
reikte, en Hidayat Oellah, den man dien zij niet waardig 
achtte den troon te bestijgen, aanstelde tot Mangkoe Boemi , 
d. i. tot bestierder van het rijk ! Het gelukte haar verder, Praboe 
Anom over te halen zich onder het toezigl van den resident 
te Bandjermasin te vestigen; en zóó groot was Praboe's invloed 
op den sulthan, dat deze, onder den schijn van den weer- 
spannigen zoon te leeren zich aan 's gouvernements bevelen 
te onderwerpen, hem naar de hoofdplaats volgde. 

Sulthan Adam werd eindelijk ziek en naar Martapoera ver- 
voerd, waar hij den i*^" November 4857 overleed. Twee 
dagen later had de installatie plaats van zijn opvolger Tam- 
djid Illah. Door het gedrag van Praboe Anom , die met zijne 
moeder Bandjer verlaten had en weigerde terug te komen, 
ontstonden er aanstonds moeijelijkheden. 

Daar pangerang Praboe zich vroeger had uitgelaten, des 
noods met geweld den troon te zullen veroveren, nam de 
resident een detachement van een officier en dertig bajonet- 
ten met zich naar de hofstad, omsingelde daarmede in den 
nacht van 3 op 4 November Praboe's woning, liet op de 
deuren en vensters vuren, doch werd Praboe niet meester. 
Met zijn militair geleide te Bandjer teruggekeerd, vernam 
hij dat Praboe zich bij den rijksbestierder Hidayat ophield, 
en zond toen drie pangerangs in commissie van Martapoera 
om Praboe naar Bandjer over te brengen en Hidayat aan te 
zeggen dat hij zich over zijn gedrag zou moeten verant- 



JDigitized by VjOOQIC 



17 

woorden. De commissie werd natuurlijk door pangerang 
Praboe niet ontvangen en keerde onverrigter zake terug; 
doch pangerang Hidayat kwam tot betere gedachten en bragt 
Praboe den 21 November te Bandjer. In verzekerde bewa- 
ring gesteld, werd deze drie maanden later naar Java over- 
gevoerd. 

De houding van pangerang Hidayat als rijksbestierder 
tegenover pangerang Praboe, zoo geheel verschillend met 
zijn vroeger gedrag, moest noodwendig achterdocht wekken. 
Deze verminderde niet, toen hij na Praboe's gevangenneming 
zijn ontslag als rijksbestierder verzocht; toen Praboe ver- 
klaarde dat hij aanvankelijk op Hidayat's aanraden niet aan 
den last tot terugkeeren had voldaan; toen het bekend werd 
dat in den nacht van het overlijden des sulthans, Hidayat 
het volk had verzameld en afgevraagd : »wie den sulthan zou 
moeten opvolgen" en het beslist had : »dat hij het zijn moest." 

Het was even duidelijk, dat Hidayat zijn pligt als rijks- 
bestierder niet naar behooren wilde vervullen, als dat hij 
zijn regtmatige aanspraak op den troon zijns vaders te ge- 
legener tijd zou laten gelden. Van de drie moordaanslagen 
in den tijd van twintig dagen op het leven van sulthan 
Tamdjid gesmeed, doch door de genomen voorzorgsmaatre- 
gelen verijdeld, werden niemand anders dan de gevangen 
pangerang Praboe en zelfs Hidayat verdacht; en ofschoon 
er, na de verwijdering van eerstgenoemden, een ongekende 
rust in het rijk heerschte , bleef evenwel de wanverhouding 
tusschen den sulthan en zijn rijksbestierder voortduren, 
nam het wederzijdsch wantrouwen met den dag toe, en 
dreigde het smeulende vuur des opstands meer en meer in 
vollen gloed los te barsten. 



Digitized by VjOOQIC 



HOOFDSTUK IL 



ALGEMEBNE BESCHRIJVING VAN DE RESIDENTIE ZUIDER- EN 
OOSTER-AFDEELING VAN BORNEO. — WIJZE VAN BESTUUR. 

Voor dat wij overgaan tot het behandelen der oorzaken 
van den opstand die weldra uitbrak, willen wij een kort 
overzigt geven van de residentie Zuider- en Ooster-afdeeling 
van Borneo, zooals die in het jaar 1859 was zaamgesteld , 
en tevens met een enkel woord den algemeenen toestand 
van land en volk schetsen. Die daarvan meer bijzonderheden 
verlangt te kennen, verwijzen wij naar het hetende werk 
van Dr. Schwaner «Borneo, Beschrijving van het stroom- 
gebied van den Barito." 

De residentie »Zuider- en Ooster-afdeeling van Borneo," 
grenzende ten noorden aan het rijk van Solokh, ten noord- 
westen aan Broenai of Borneo-proper, ten westen aan de 
residentie »Wester-afdeeling van Borneo," ten zuiden aan de 
Java-zee en ten oosten aan de straat van Makasser, is za- 
mengesteld uit onderscheidene provinciën, die deels aan het 
onmiddellijke gezag van het Nederlandsche gouvernement zijn 
onderworpen, deels geregeerd worden door leenpligtige vor- 
sten. Volgens opgaven der Hoofden bevat zij een bevol- 
king van 553314 zielen. 



Digitized by VjOOQIC 



19 

Het zuidelijk gedeelte der residentie bestaat uit de vol- 
gende afdeelingen: 

Zuider-af deeling , waarbij het leenpligtige rijk Kottaringin 
of Kottawaringin , en een gedeelte van het landschap Djelei 
behoort. Deze afdeeling wordt bestuurd door een civielen 
gezaghebber. Zij grenst ten noorden aan de Kapoeas- en 
Melawierivieren , ten oosten aan de Groote-Daijak ofKahaijan, 
ten zuiden aan de Java-zee , ten westen aan een gedeelte van 
Djelei en de rivier van dien naam; zij ♦heeft een oppervlakte 
van ± iOOO ü geographische mijlen, met een bevolking van 
± 35,000 inwoners , waarvan | Daijaks en {- Maleijers , en is 
verdeeld in de volgende distrikten: 

Mandawéj waartoe Katingan-oeloe en Katingan-ilir behoort ; 

Sampit (standplaats van den civielen gezaghebber) met 
Mentaga en Tjampaga ; 

Simboeloe, Pemboeang en Seroijan, ieder onder een ver- 
schillend Hoofd; 

Koemai ; 

Kottaringin, en 

een gedeelte van Djelei. 

Groote- en kleine-Daijak, ten noorden begrensd door het 
Kaminting-gebergte, ten westendoor de Zuider-afdeeling, ten 
zuiden door de Java-zee, ten oosten door de afdeeling Be- 
kompayen Doesoen, en bestuurd door een civielen gezagheb- 
ber; heeft een uitgestrektheid van ± ^500 D geographische 
mijlen met een bevolking van omstreeks 54,000 zielen, en 
is uit de volgende distrikten zamengesteld : 

Poeloe Petak, bestaande uit een gedeelte der delta, die 
door de Barito- en Poeloe Petakrivieren wordt gevormd ; 

Kapoeas, verdeeld in Poeloe Teloe, Mentangy en Midden- 
en Boven-Kapoeas ; 

Kahaljan, gesplitst in Beneden-, Midden- en Boven-Kahaijan, 
en een aantal onderdeden onder bijzondere Hoofden; 

Rengan, bestaande uit Beneden- en Boven-Rengan; 



Digitized by VjOOQIC 



20 

Manohin, verdeeld in Beneden- en Boven-Manohin ; 

Poeloe Petak en Kapoeas vormen de Groole-, Kahaijan, 
Rengan en Mahonin de Kleine-Daijak. 

^ Bekompay en Doesoen, onder een militairen en civielen 
gezaghebber, heeft ten noorden van zich Koetei en de Wes- 
ter-afdeeling van Borneo , ten westen de Groote- en Kleine- 
Daijak, ten zuiden en oosten het sulthansrijk van Bandjer- 
masin; het beslaat 1250 D geogr. mijlen, is bevolkt door ruim 
6000 Maleijers en 28,000 Daijaks, en verdeeld in de volgende 
distrikten : 

Siang, Moeroeng en Boven-Doesoen of Doesoen Oeloe, 
onder één Hoofd. De twee eersten maken het noordeUjkste 
gedeelte der afdeeling uit ; Doesoen Oeloe bevat de landstreek 
aan beide oevers der Barito tot aan de soengej Mantallat. 

Teweh, aan de rivier van dien naam. 

Rapen, noordelijk van Teweh. 

Karrouw; Awang; Pakoe, vroeger met Karrouw vereenigd. 

Daijoe en Sihong, onder één Hoofd. 

Pattay. 

Deze distrikten liggen bewesten de Barito en tusschen de 
soengej Karrouw en Pattay; de twee laatsten zijn later in- 
gedeeld bij de assistent-residentie Amoenthay. 

Doesoen Ilir of Beneden-Doesoen, aan de oevers der Barito 
van af soengej Tiroessan tot aan het meer Ganting. 

Mengkatip, aan de oevers der soengej Antassan of Meng- 
katip. 

Bekompay, een gedeelte der delta gevormd door de Barito 
en Kleine-Daijak. De civiele gezaghebber houdt zijn verblijf 
in de versterking te Marabahan. 

Bandjermasin, (5650 inw.), onder het regtstreeksch beheer 
van den resident, die in de hoofdplaats Bandjermasin zijn 
verblijf houdt, grenst ten noorden aan de rivier van dien 
naam en aan die van Martapoera tot aan Mataraman; ten 
oosten aan Riam Kanan; ten zuiden aan Tanah Laut; ten 



Digitized by VjOOQIC 



21 

westen van Tabanio aan de Java-zee en de soengej Barito 
tot Schans van Thuyl. 

De gronden tot ontginning der steenkolenmijnen afgestaan 
liggen in het sulthansgebied. 

TanahLaut, met een bevolking van 8800 inwoners , is aan 
de noordzijde door het sulthansrijk en het landschap Koesan, 
westelijk door Sembamban en voor het overige door de zee 
begrensd. 

Deze afdeeling is verdeeld in de distrikten Maloeka , Taba- 
nio, Pleiharie, Kramean, Penjaratan, Mantiwah, Priangan, 
Goelang-goelang , Sawarangan , Bati , Tongko , Kandangan , 
Sebohor, Sawarangan-damit , Assem-assem, Kin tap en Sa- 
loeie. — De voornaamste voortbrengselen zijn: rijst, peper, 
koffij, rottan, vogelnestjes, dammar, goud, diamant, ijzererts, 
steenkolen en visch. — De standplaats van den civielen ge- 
zaghebber was vroeger Tabanio, thans Pleiharie. 

Het Sulthansrijk van Bandjermasin, onder onze suprematie , 
was gelegen tusschen Bekompay, Passir, Tanah Boemboe, 
Koesan en de afdeeling Bandjermasin , en had de volgende 
distrikten : 

Martapoera, Bandjermasin, Benoea Lima (weder verdeeld 
in Negara, Alabioe, Soengej Benar, Amoenthay en Kaloewa), 
Tabalong, Balangan, Allei, Laboean Ama, Margasarie, Amandit 
en Tapin. Het aantal zielen wordt op 217,000 begroot. 

Het oostelijk gedeelte der residentie beslaat een opper- 
vlakte van ± 4931 D geogr. mijlen, telt 235,000 inwoners 
en bevat : 

Het leenpligtige landschap Tanah Boemboe , begrensd door 
Passir, het sulthansrijk van Bandjermasin, en de straat van 
Makassar ; is in elf onderdeden gesplitst , die van het zuiden 
naar het noorden opgaande de volgende namen dragen : Sem- 
bamban (924 inw.), Pagattan (9700 inw.), Koesan, Batoe 
Litjin en Laut Poeloe (5220 inw.), Poentoer Laut (700 inw.), 
Tjantong (2300 inw.), Bankalaan, Tjingal en Menoengoel 



Digitized by VjOOQIC 



(3700 inw.) en Sampanahan (755 inw.). [— Koesan, Batoe 
Litjin en Laut Poeloe staan onder één Hoofd ; evenzoo Poen- 
toer Laut en Tjantong ; terwijl Sembamban , Pagattan en Sam- 
panahan ieder afzonderlijk worilen bestuurd. 

Het sulthansrijk Passir, ingevolge contract van 18 Nov. 
1850 onder de opperheerschappij van het gouvernement, 
grenst ten noorden aan Koetei; ten westen aan Doesoen 
en het sulthansrijk van Bandjermasin ; ten zuiden aan Tanah 
Boemboe en ten oosten aan de straat van Makassar. De 
sulthan Macfamoed Han houdt zijn verblijf ter hoofdplaats 
Passir. 

Het sulthansrijk Koetei, een erfleen van het gouvernement, 
heeft Berou ten noorden, Doesoen ten westen, Bekompay en 
Passir ten zuiden en de straat van Makassar ten oosten van 
zich. Het bestaat uit de volgende Daijaksche landen : Benoa, 
Toendjong, Bentian, Bingan, Bakon, Oeahou, Longwoai, Bas- 
sap en Koetei, met inbegrip van Samarinda. De assistent- 
resident, die zonder zich regtstreeks met regeringszaken in 
te laten, sedert 4854 het toezigt houdt over het geheele 
oostelijke gedeelte der residentie , resideert te Samarinda ; de 
sulthan Mohamad Adil GhaUfat Oelraoemienien te Tengarong. 

Het leenpligtige landschap Berou bestaat uit de gewesten 
Sambalioeng, Goenong Teboer en Boeloengan, die elk door 
een sulthan worden geregeerd. De bevolking is voor het 
grootste gedeelte van Boegineschen oorsprong. 

Het moerassig en boschrijk land ten westen der schoone 
Barito , die in den regentijd tot boven de Teweh met stoom- 
schepen bevaarbaar is, heeft tot aan Sampit hetzelfde karak- 
ter en is in den west-moesson tot op 2 a 3 dagen stooraens 
van het strand geheel overstroomd. De gemeenschap kan 
dan slechts onderhouden worden met kleine vaartuigen 
(djoekongs) van eenige duimen diepgang, waarmede de in- 
boorlingen zich overigens gemakkelijk verplaatsen. 



Digitized by VjOOQIC 



23 

In den oost-moesson strekt die drassige streek zich slechts 
tot een halven dag stoomens van het strand uit , ongeveer tot 
de breedte van schans van Thuyl en Kwalla Kapoeas. 

Beoosten de Barito is het land even boschrijk, doch over het 
algemeen minder laag en verheft het zich meer boven de 
oppervlakte der zee naar gelang men de bergketen nadert, 
die de oostelijke grens van het Bandjersche rijk en de wes- 
telijke grens van Koetei, Passir, Tanah Boemboe, enz. uit- 
maakt, en waarvan de hoogste toppen niet hooger dan 2000 
voeten zijn. 

De voornaamste rivieren, die in westelijke rigting stroo- 
men, ontlasten zich in de Barito; ze zijn: desoengej's Lahej, 
Teweh, Mantallat, Ayo, Karrouw, Pattay, Negara en Martapoera. 
Tot de meest belangrijke plaatsen behooren Bandjermasin , 
Martapoera, Marabahan, Negara, Amoenthay en Margasarie. 
Alle andere kampongs bestaan slechts uit een gering aantal 
huizen. 

Tusschen de Negara en Barito is het terrein moerassig, 
doch drie mijlen oostwaarts van Negara wordt het hooger. 
Met uitzondering van den vierhoek , gevormd door de Barito, 
Martapoera en Tabanio is de bodem van Tanah Laut droog 
en heuvelachtig. 

De volgende bijzonderheden geven eenig denkbeeld van 
het bestuur der opgenoemde landschappen tot het jaar 1859. 

Onder toezigt van den civielen gezaghebber werden in de 
Zuider-Afdeeling kampongs en distriktshoofden aangesteld. 

Den pangerang , wien het rijk van Kottaringin in leen was 
afgestaan, werd een rijksbestierder toegevoegd. 

In de afdeeUng Groote- en Kleine-Daijak bevond zich een 
rondreizende civiele gezaghebber , die zijn verblijf te Poeloe 
Petak hield, alwaar ook het voornaamste Hoofd, tommong- 
gong Djaja Negara, bekend onder den naam vanNicodemus, 
resideerde. Met de titels van tommonggong, radin of pateh 



Digitized by VjOOQiC 



24 

hadden de verschillende distrikten, hunne eigene Hoofden, die 
in iedere Kotta door de oudsten werden bijgestaan en hun ge- 
zag meer of minder deden gelden, naarmate het distrikt 
digter bij of verder af gelegen, en de bevolking al of niet 
op de plaats gevestigd was. De meest verwijderde distrik- 
ten werden zelden bezocht, en het onbeduidend bestuurder 
Hoofden veranderde er gewoonlijk zonder voorkennis van 
den civielen gezaghebber. Geschillen en twisten der Daijaks 
werden door de kampongshoofden uitgemaakt of, zoo noodig, 
voor de distriktshoofden en den civielen gezaghebber gebragt. 
Groote diefstallen, moorden, koppensnellen, enz. kwamen tot 
den resident of voor den landraad. Bij de beslechting eener 
zaak werd de adat steeds geraadpleegd. Diep in het binnenland 
bestonden nog, bij gebrek aan bewijzen, de Godsgerigten , 
en was het nemen van weêrwraak niet ongewoon. 

De distrikten der afdeeling Bekompay en Doesoen werden 
bestuurd door Hoofden die den titel van pembekkel, tom- 
monggong of demang voerden. Op sommige plaatsen , bijv. 
in de Beneden-Doesoen, stonden de kampongshoofden op 
zich zelven en waren alleen aan den civielen gezaghebber 
ondergeschikt. Nergens genoten de Hoofden een vaste be- 
zoldiging; een gedeelte der hoofdgelden, produkten en der 
opbrengst van kleine boeten maakten hunne inkomsten uit. 
Op enkele plaatsen werden regten geheven op den in- of 
uitvoer. 

De kampongs in de afdeeling Bandjermasin stonden onder 
onbezoldigde Hoofden, die den titel van pembekkel of kiay 
voerden. Onder oppertoezigt des residents werd de politie 
uitgeoefend door den hoofd-djaksa , pangerang Soeria Winata, 
die een maandelij ksche bezoldiging van /*125 genoot. Aan 
de mondingen der soengej's Bandjermasin en Antassan Ke- 
tjil waren posthouders gevestigd, belast met het innen van 
regten, die evenwel weinig opbragten. 

Ook in de afdeeling Tanah Laut waren de Hoofden (pembek- 



Digitized by VjOOQIC 



kels en kiay's) onbezoldigd, en door de geringe opbrengst 
der hoofdgelden verpligt door handel en landbouw in hun 
levensonderhoud te voorzien. In aanmerking genomen de 
vruchtbaarheid dezer landstreek, stond de kuituur nog op 
lagen trap. 

In het SuUhansrijk werd de sulthan in het bestuur bij- 
gestaan door den rijksbestierder en den pangerang Ratoe 
of sulthan Moeda. De rijksbestierder (Mangkoe Boemi) was 
in den regel de oudste broeder, de sulthan Moeda de oudste 
wettige zoon des sullhans. De troonsopvolging had in regte 
linie plaats. 

Volgens het contract van 1826 moest de uitvoerende magt 
geheel in handen van den rijksbestierder berusten. Sulthan 
Adam deed evenwel de meeste regeringszaken zelf af; de 
onbeduidendheid van zijn zoon pangerang Mangkoe Boemi 
Kentjana en van zijn kleinzoon Tamdjid Illah , die de betrek- 
king van rijksbestierder onder hem waarnam, dwong hem 
daartoe. Tamdjid Illah, later zelf den troon bestijgende , wilde 
op dit punt het voetspoor zijns grootvaders volgen en gaf 
daardoor aanleiding tot groote verwikkelingen. 

De distriktshoofden of mantries, met den titel van kiay 
of tommonggong , werden naar willekeur aangesteld of ont- 
slagen. Soms ontvingen zij een aanstelling voorzien met het 
zegel van den sulthan of rijksbestierder; in verwijderde land- 
streken evenwel niet. Enkele mantries waren belast met het 
bestuur van eenige kampongs , of met het heffen van tolreg- 
ten; anderen maakten de hofhouding des sulthans uit , volg- 
den hem bij groote feesten en op reis , of bewaakten den 
kraton gedurende de afwezigheid van den vorst. — Sommige 
kampongshoofden voerden den titel van kiay, en werden dan 
onder de mantries opgenomen; gewoonlijk heetten zij pem- 
bekkel, bij uitzondering loerah. 

Zonder vaste bezoldiging, ontvingen de Hoofden slechts 
eenmaal 'sjaars, in de maand Moeloed , een geschenk van den 



Digitized by VjOOQiC 



26 

sulthan. Zij lieten echter hunne ondergeschikten genoeg- 
zaam opbrengen, om zich zelven aan vadzigheid te kunnen 
overgeven. Te Negara en Alabioe bijv. moest ieder landbou- 
wer van een soerat taboes (verlofsbrief) voorzien zijn en 
daarvoor vier gulden aan het distriktshoofd betalen. Voor 
het afbakenen van het padieveld eischte laatstgenoemde an- 
dermaal vier gulden (wang tadjak toeroes) ; terwijl de sulthan 
op zijn beurt zich vier gulden liet opbrengen, wanneer de 
padie te velde stond. 

Bij het aanstellen van Hoofden werd de keus der bevolking 
niet geraadpleegd. Ook het aantal Hoofden in een distrikt 
hing geheel af van de willekeur des sulthans of rijksbe- 
stierders. 

Geschillen, die de Hoofden in overleg met de oudsten niet 
uit den weg konden ruimen, werden aan de beslissing van 
den panghoeloe of den mufti onderworpen. Slechts een enkel 
Hoofd , kiay Adipati van Benoea Lima , had — in strijd met 
het contract — onder sulthan Tamdjid de bevoegdheid om 
de doodstraf uit te spreken. 

Alle bevelen van den sulthan werden door den Mangkoe 
Boemi aan de Hoofden en door dezen aan de bevolking ken- 
baar gemaakt. 

In het jaar 1251 der Mohamedaansche jaartelling (1835) vaar- 
digde sulthan Adam een reglement uit, dat tot aan de ont- 
binding van het rijk in kracht is gebleven en voorschriften 
bevatte omtrent de uitoefening van het regt, de naleving 
van den koran , over het voltrekken en ontbinden van hu- 
welijken, het beslechten van geschillen , over grondeigendom, 
enz. Den priesters, ilhakim's, was uitsluitend de bedee- 
ling van het regt opgedragen. Zij waren gehouden zich 
naar de Mohamedaansche leerstellingen te gedragen, doch 
weken er, door partijdigheid en baatzucht gedreven, wille- 
keurig van af. De ilhakim's waren onderscheiden in pang- 
hoeloe's, kadhli's, mufti's en chalipah's. De ilhakim-besaar 



Digitized by VjOOQIC 



27 

of hoofd-kadhli , de hoofd-mufti , hoofd-panghoeloe en hoofd- 
chalipah hielden hun verblijf te Martapoera. Hoofd-kadhli 
pangerang SjerifHoesin, sullhan Adam's schoonzoon, vestigde 
zich echter in 1859 te Bandjermasin. 

Was er een moord gepleegd , en kon de moordenaar zich 
niet verstaan met de bloedverwanten van den vermoorde over 
de som gelds noodig om zich van de straf vrij te koopen, 
dan wendde men zich tot den mangkoe-boemi. Deze gaf 
alsdan een bevelschrift uit, om den moordenaar te vatten en 
voor den panghoeloe te brengen, die de zaak onderzochten 
voor den mufti bragt. De mufti maakte schriftelijk het von- 
nis op, meestal de doodstraf. Door de handen van den 
panghoeloe en mangkoe-boemi kwam daarna het vonnis tot 
den sulthan , die het bekrachtigde. Dienaren van den rijks- 
beslierder bragten den veroordeelde naar een padang (open 
vlakte) buiten de plaats en maakten hem met lans- of kris- 
steken af. De partij, in wiens voordeel de zaak was beslist, 
ontving een afschrift van het vonnis (soerat poetoesan) en 
betaalde daarvoor vier gulden. Misdaden, moorden zelfs, 
die niet door de bloedverwanten werden aangegeven, bleven 
ongestraft. Het regt werkte slechts dan, wanneer het gel- 
delijk voordeel aanbragt; want na het vereffenen van elk 
verschil eischte de ilhakim zekere som van beide partijen. 

Behalve de doodstraf door middel van lans- ofkrissteken, 
bestond nog: 

de ilhoekom kaminting, een pijniging waarbij de be- 
klaagde in zittende houding met de slapen tusschen een hou- 
ten draaibank, waarmede de kamiri-noten verbrijzeld wor- 
den , geplaatst , en door het aandraaijen der schroef tot be- 
kennen werd gedwongen; 

rottanslagen (gewoonlijk op dieven toegepast) zóó lang her- 
haald, tot dat de schuldige bij herhaling bewusteloos was 
neergezegen; 

gevangenisstraf, niet langer dan een jaar; 



Digitized by 



Google 



28 

sluiting in het blok, waarin de schuldige, dag en nacht, 
met een arm of been gedurende een jaar , gesloten werd. 

Martapoera, ook Kajoe Tangi en Boemi Slaraat genaamd, 
waar de vorstelijke kraton zich bevond, was van oudsher de 
zetel der regering. Sulthan Tamdjid Illah week van de adat 
af, en hield zijn verblijf te Bandjermasin. 

Stierf er een sulthan, dan pleegde men zijn lijk gereinigd 
naar de mesdjid of missigit te brengen en het niet ter aarde 
te bestellen vóór dat de vorstelijke familie en het volk uit 
den omtrek te zamen waren gekomen om een opvolger te 
kiezen. Deze wijze van regeling der troonsopvolging was 
echter vervallen sedert er een contract met het Nederlandsch 
gouvernement was gesloten. 

Aan de waardigheid van sulthan was het bezit der rijks- 
sieraden onafscheidelijk verbonden; een sulthan zonder rijks- 
sieraden was niet denkbaar. De voornaamste bestonden in 
een gouden stoel en pajong; een paar krissen — baroe lem- 
bah en naga-selira genaamd — met gouden scheeden en ge- 
vesten in diamanten gevat; een zwaard — tampayan; een 
vijftal lansen — sie maroeta, kala martjoe, siesassa, kalon- 
taka en sie matjan;eenige gouden en zilveren schilden ;eenige 
kanonnen en gammelang's; een diamant van 120, en een 
van 70 karaat. In de laatste jaren berustten de meeste 
sieraden bij njahi ratoe Kamala Sarie, terwijl kiay Adipati 
pangerang tlatoe en Hidayat er eenigen in gebruik hadden. 

In de eerstvolgende maand Moeloed na de troonsbestijging 
had de zalving des sulthans plaats; want zonder zalving 
was geen vorst gewettigd. Op den geboortedag van den 
profeet, als alle Hoofden uit het rijk waren bij een geko- 
men , zat de sulthan voor zijn kraton op de padoedoesan , 
een zetel voor de plegtigheid op de alon-alon opgerigt. Met 
het heilig water van de Kwalla Bintjau of van Tjandi — een 
badplaats in Amoenthay — door baboreh welriekend gemaakt. 



Digitized byVjOOQ IC 



29 

besprenkelden de prinsen van den bloede den uitverkoren 
vorst, en voerden hem vervolgens naar den kraton om Z. 
U. driemalen te wegen: eerst met spaansche matten, dan 
met lijnwaad en eindelijk met vruchten. En als men wist 
hoe zwaar de vorst woog, ging men over om hem twee- 
malen te meten : eerst met een gouden draad , en daarna 
met een zilveren. Vervolgens vverd er zeven dagen en zeven 
nachten feest gevierd; alle Hoofden, prinsen en prinsessen 
tandakten dan mede. 

De zalving van Tamdjid Illah heeft door Hidayat's toedoen 
nimmer plaats gehad. 

Des sulthans inkomsten sproten voort uit de belastingen op 
de rijstbouwers , uit de opbrengsten der hoofdgelden en tollen, 
en uit de goud- en diamantmijnen. 

Behalve de reeds vermelde djawian van vier gulden , moest 
de landbouwer in de streek tusschen Negara en Alabioe nog 
zes-en-twintig gulden grondhuur betalen, en bovendien nog 
een gantang rijst per jaar aan des sulthans schrijver. In het 
gansche land bragt men een-tiende van den oogst, djakat, aan 
den sulthan op, die dit onder de panghoeloe's , de bewakers 
van den mesdjid , de Hoofden en behoeftigen moest verdeden. 
In de maand Ramadlan ontving de hadji een gantang rijst 
als pitrah , d. i. zuiveringsgift na de vasten , van ieder lid 
eens huisgezins. — De hoofdgelden, nadar en bakten, konden 
naar welgevallen betaald worden. Naar gelang men gehuwd 
of ongehuwd was, kwam men voor /4,30 en/ 3. hoofdgeld 
(nadar) een jaar vrij van heerendiensten; voor/'2,30 en/* 1,30 
hoofdgeld (bakten) moest men nog heerendienst vcrrigten. — 
Op een twintigtal plaatsen werden tolregten (talian) geheven 
voor de afgevoerde produkten ; tarieven waren daarbij niet 
bekend. De sulthan bepaalde hoeveel elke talian jaarlijks 
moest opbrengen, en de ontvanger zorgde dat hij niet te 
kort kwam. Voor den invoer van zout en den uitvoer van 
kapas (boomwol) waren de regten evenwel bepaald, — Alle 



Digitized by VjOOQiC 



30 

diamanten van en boven de drie karaat moest men legen 
/20 per karaat aan den sulthan opbrengen; steenen beneden 
de drie karaat waren het eigendom van den graver. De 
voornaamste mijnen werden gevonden van soengej Besaar tot 
Banjoe-Isang (goenong Lawak) , in Riam Kiwa en Riam Kanan. 
Die te Pahan Djati mogten niet dan in de hoogste noodzake- 
lijkheid worden ontgonnen. 

Onder de inkomsten des sulthans moesten nog de heeren- 
diensten gerekend worden. Deze heerendienslen bestonden in 
het leveren van tweehonderd weerbare mannen (uit Alabioe, 
soengej Benar en Kaloewa) , van welke steeds een vijfde als 
eerewacht of barissan gedurende twee maanden bij den vorst 
dienstdeed; en het verschaffen van het noodige personeel (uit 
Amandit) tot oppassing van des sulthans paarden. Die weigerde, 
betaalde zeven gulden boete. Op gelijken voet moesten iedere 
maand zestig bakten-betalers, zonder eenige vergoeding, een 
maand lang bij den sulthan werken. De bakten-betalers , die 
deze dienst nog niet verrigt hadden , werden in de maanden 
Ramadlan, Moeloed en Dzoél-ilhaidjah door hunne kampongs- 
hoofden naar de hofstad gevoerd om wayang, toppeng, enz. 
voor den vorst te spelen. 

Hoeveel de inkomsten van den sulthan gemiddeld bedroe- 
gen, is moeijelijk op te geven; doorgaans wist de vorst zelf 
het niet. Alleen is bekend, dat de tol te Margasarie ± 
/'20,Ü00, de regten op het zout ƒ 19,000 en op de kapas 
ƒ3000 bedroegen. Sulthan Tamdjid zag meestal niets van de 
hoofdgelden , daar Hidayat in gebreke bleef hem die af te 
dragen. Sedert het jaar 1826 ontving de sulthan jaarlijks 
twee koyangs zout; de rijksbestierder /'12,000 van het ne- 
dcrlandsch gouvernement. 

Het verlecnen van adelijke titels, die van vader op zoon 
overgingen, hing van de willekeur des sulthans af. De 
adelijke praedicaten waren die van pangerang , ratoe , goesti 
en andin. Mannelijke afstammelingen van den regerenden 



Digitized by VjOOQIC 



31 

vorst ontvingen bij hun geboorte den titel van pangerang; 
vrouwelijke dien van goesti, later ratoe. De titel vangoesti 
kon echter ook blijvend zijn. Des sulthan's wettige vrouw voer- 
de insgelijks den titel van ratoe. Kinderen van adelijke 
vrouwen en onadelijke mannen heetten andin. Het was niets 
ongewoons , dat aan prinsen of prinsessen van den bloede 
een of meer landschappen in apanage , of een gedeelte der 
lol-opbrengsten werden geschonken. 

De inboorlingen wonen zoowel voor hun gemak als tot 
hun veiligheid meestal in groote huizen bijeen, zoodat vele 
kampongs slechts uit één woning bestaan. In de distrikten 
Poeloe Petak, Beneden Kapoeas en Doesoen Ilir staan de huizen 
op 3 of 4 voet hooge palen ; in de bovenlanden zijn zij met 
hooge palissaden omringd. 

Met uitzondering der heidensche Daijaks, belijdt de Ban- 
djersche bevolking het Mohamedaansche geloof, dat zich onder 
de leiding der priesters in de meest dweepzieke vormen ver- 
toont. In weerwil van zijn wantrouwenden, valschen en sluwen 
aard, stelt het volk in zijne priesters een onbeperkt ver- 
trouwen, gehoorzaamt hun blindelings en betoont hun, in 
weerwil van hunne afpersingen en in 'toog vallende on- 
deugden, een onbegrensde onderdanigheid. Aan den heil- 
loozen invloed der-priesterkaste, door den vorst met zoo- 
veel magt bekleed , is het gedeeltelijk toe te schrijven dat 
de opstand in 1859 uitgebroken en aanvankelijk tegen het 
sulthansbestuur gerigt, van lieverlede een ander karakter 
aannam en in een godsdienstkrijg ontaardde. 

De kennis der priesters bepaalt zich tot uiterlijke vormen. 
Zij prevelen gebeden waarvan zij den zin niet kennen; zij 
vasten, reinigen zich dagelijks en volvoeren de besnijdenis 
naar de voorschriften van den koran. Hun streven is niet, 
hel volk godsdienstig onderwijs te geven of zedelijk te ver- 
beleren, maar de heerschende bijgeloovige begrippen te be- 



Digitized by VjOOQIC 



stendigen, ze dieper wortel te doen schieten ten einde zich 
zelven gemakkelijker te kunnen verheffen. Zij kweeken het 
bijgeloof aan door het uitgeven van djimats (talismans) , die 
de eigenaars voor rampen behoeden en onkwetsbaar maken. 
Voor djimats is hun alles goed : ringen , briefjes met kabalisti- 
sche figuren of een geschreven spreuk uit den koran , stukjes 
katoen, kleine kleedingstukken. enz. De Bandjerees betaalt 
den djimat goed en werpt zich , lafhartig als hij is , met blind 
vertrouwen op het noodlot , in het grootste gevaar. Komt hij 
in den strijd om , in weerwil zijner onkwetsbaarheid , welnu, 
het paradijs staat voor hem open; want hij deed een god- 
gevallig werk, hij streed tegen ongeloovigen. 

Het maken van proselieten onder de Daijaks behoort ook 
tot de taak der priesters. Met de Ngadjoes van Poeloe Petak 
en zuider-afdeeling gelukte het hun vrij wel , zelfs bij eenigen 
die in hunne jeugd christelijk onderwijs van de zendelingen 
ontvingen. Overigens leeft de priester zooals reeds aange- 
teekend werd, ten koste der bevolking. Hij die den tulband 
draagt , behoeft zijne handen niet te bezoedelen met den 
gewonen arbeid der stervelingen; toch zijn er priesters die 
handel drijven, en onder de gegoeden vindt men zelfs reeders 
en scheepsgezagvoerders. 

De Bandjerees, fanaticus en fatalist, gelooft aan de magt 
van afgestorvenen, aan goede en kwade geesten. Hij hecht 
vooral groote waarde aan boetedoeningen, en draagt mildelijk 
bij tot opbouw en onderhoud van langgar's of bedehuizen, 
die behalve de tempels , in eiken kampong worden gevon- 
den. De grondtrekken van zijn karakter: lafhartigheid, lui- 
heid, wraakzucht, bijgeloovigheid, wantrouwen en sluwheid, 
verloochent hij zelden. 



Digitized by VjOOQiC 



HOOFDSTUK IIL 



ONLUSTEN IN BENOBA LIMA. — D JALIL, DANOE REDJO. — GERUCH- 
TEN VAN HET UITBREKEN EENS OPSTANDS. — ANTASSARI. — 
ALING, SULTHAN KOENING. 

Van aUe onderdanen des suUhans, waren de bewoners 
van Benoea Lima steeds het weêrspannigst geweest. Ver- 
deeldheid , twist , dweepzucht , moord en roof hielden de 
bevolking aanhoudend in beroering , en maakten er het ver- 
blijf onveilig , zelfs voor des sulthans zendelingen. - 

Aan het hoofd dier landstreek stond sedert een aantal jaren 
kiay Adipati Danoe Redjo , als neef en gunsteling van njahi 
raioe Kamala Sarie evenzeer gevreesd, als gehaat wegens 
zijne magt. Slechts één man had den moed bezeten zich 
over het gedrag van den landvoogd bij den sulthan te be- 
klagen; die man was Djalil, een achterneefvan Danoe Redjo, 
vroeger door den sulthan met den titel van tommonggong 
Matjan Negara begiftigd, wiens vader door Redjo's toedoen 
ter dood veroordeeld was. 

Reeds in 1854 had Djalil den resident medegedeeld, dat 
Danoe Redjo het goed zijner onderdanen roofde en tweemalen 
dezelfde belastingen inde, en had tegelijkertijd verzocht, zich 
met 150 menschèn op gouvernements grondgebied te mogen 
neerzetten. Dit was hem toenmaals niet toegestaan. In 

3 



Digitized by VjOOQIC 



34 

September 1858 kwam hij openlijk in verzet en weigerde de 
hoofdgelden te Batang Balangan te betalen. Kiay Adipati 
Danoe Redjo ging daarop naar Bandjer en beklaagde zich bij 
den sulthan, die tot tweemalen te vergeefs een bevelschrift 
uitvaardigde waarbij Djalil werd gelast voor zijn vorst te 
verschijnen. 

Van welke middelen de Hoofden zich bedienden om ge- 
hoorzaamd te worden of familiegeschillen uit den weg te 
ruimen, blijkt uit het volgende. Zekere Koentji namelijk 
stelde uit eigene beweging voor, een poging te doen om 
Djalil dood of levend in handen te krijgen. Dit aanbod werd 
door Danoe Redjo aangenomen. Koentji begaf zich met zes 
volgelingen naar Batang Balangan, en vond er den dood. 

Djalil toch, op dergelijken aanslag voorbereid, had zijne 
maatregelen genomen en zelfs zijn woonoord versterkt. 

Nu wendde Danoe Redjo zich andermaal tot den sulthan 
en kreeg vergunning ^en krijgsmagt op de been te brengen 
om Djalil tot onderwerping te dwingen. Ijlings keert hij 
naar zijn land terug , verzamelt 2000 gewapende mannen en 
rukt tegen Djalil op. Halverwege ontvangt hij evenwel te- 
genbevel. De resident had den sulthan het regt betwist om 
onlusten in zijn eigen rijk met eigen middelen te dempen; 
de resident had beweerd dat hij Djalil wel zou weten te 
noodzaken om zich aan des sulthans gezag te onderwerpen. Met 
weerzin ontbindt Danoe Redjo zijn leger, maakt bekend dat 
het nederlandsch gouvernement Djalil zal beoorlogen en keert 
naar Bandjermasin terug. 

Te Batang Balangan wordt men nog overmoediger. In de 
missigit leest de panghoeloe Abdoel Gani aan de zaamge- 
vloeide bevolking een geschrift voor, vol hoon en haat tegen 
de bestaande orde van zaken. »Het volk van het Bandjer- 
sche rijk was gelijk een troep schapen, de sulthan gelijk 
een tijger die de schapen mishandelt en verslindt. In alle 
deelen van het rijk verflaauwde het zuivere geloof; slechts 



Digitized by VjOOQIC 



J 



35 

in Benoea Lima werden de leerstellingen van het Islamisme 
behoorlijk nageleefd. Niet sulthan Tamdjid Illah, raaarpan- 
gerang Hidayat en Soeria Mataram waren de beschermers van 
ragt en geloof. Niet aan Tamdjid , maar aan Hidayat moest 
men zijne klagten inbrengen." Voorzien van het zegel van 
pangerang Singa Sarie, sulthan Adam's broeder, daar ook 
woonachtig, werd dat geschrift in de missigit opgeplakt. 

Om aan dien staat van zaken een einde te maken, ontbood 
de sulthan zijn rijksbestierder , en zond ook de resident, 
wiens hulp ingeroepen was , den last aan Hidayat om zich 
naar de hoofdplaats en van daar naar Benoea Lima te be- 
geven. Hidayat kwam te Bandjer , nam de zending aan en 
verkreeg bij die gelegenheid de vergunning tot het voeren 
van de gele vlag en pajong, — een onderscheiding, waar- 
op in den regel de sulthan alleen regt had. Daar sulthan 
Tamdjid den rijksbestierder evenwel wantrouwde, werd hem 
een Europeesch ambtenaar, de vroegere posthouder te 
Schans van Thuijl, toegevoegd, die een dagboek van alle ver- 
rigtingen des rijksbestierders moest aanhouden. Deze maat- 
regel, waarvan de bedoeling gemakkelijk viel te gissen, 
spoorde Hidayat tot omzigtigheid aan. 

Te Batang Balangan gekomen, nam de rijksbestierder 
evenwel zijn intrek bij Djalil en ontving daar de klagten 
tegen kiay Adipati Danoe Redjo. Panghoeloe Abdoel Gani 
had die van Djalil beschreven; hadji Abdoellah trad voor de 
bevolking op , terwijl ook Mohamad Yassin en Aboe Kassim 
of Boekassim, Djalil's zwager en neef, zich als ijverige aan- 
hangers van Djalil lieten kennen. — Tien dagen later keerde 
Hidayat naar Bandjermasin terug, en bragt slechts de inge- 
wonnen klagten tegen Danoe Redjo mede. Hij gaf voor , 
dat hij Djalil niet had kunnen bewegen om aan des sulthans 
last te voldoen; dat hij zich wel sterk gevoelde om de rust 
van het landschap te herstellen , wanneer Danoe Redjo met 
al zijne familieleden werd verwijderd, doch dat hij onmag- 



Digitized by VjOOQIC 



86 

tig was om- de orde te handhaven , zoolang dit niet ge- 
schiedde. 

Hidayat's handelingen verdienden wantrouwen. Die bij het 
sterfbed van Abdoel Rachman had gestaan , wist ook welke 
wrok in het hart zijns zoons was achtergebleven. Abdoel 
Rachman stierf immers niet den natuurlijken dood ? Hadden 
Danoe Redjo en Djaja Negara hem niet , op last van njahi 
ratoe Kamala Sarie, den prang maya (tooverdrank) toege- 
diend ? Hidayat^ was er van overtuigd ; en zóó groot was 
zijne woede geweest , dat hij bij den laatsten snik zijns va- 
ders amok had willen maken om Danoe Redjo en Djaja 
Negara de kris in 't hart te kunnen steken ! Hidayat's ver- 
houding tot den sulthan en zijn belang om binnenlandsche 
twisten aan te vuren , wekten daarenboven den argwaan op; 
en toen hij bij Djalil gastvrijheid genoot, maar hem niet mede- 
voerde naar Dandjer; toen hij in stede van zijn ongenoegen te 
toonen , hem den titel schonk van kiay Adipati Anom Dingding 
Radja — zooals Djalil althans voorgaf, — toen hij hem een toem- 
bak berlilit (vorstelijke piek) en een prachtige sabel ten ge- 
schenke aanbood als uiterlijke kenteekenen zijner nieuwe waar- 
digheid; toen ook sulthan Tamdjid mededeelde, dat Djalil, 
Aboe Kassim en Abdoel Gani in het bezit waren van een be- 
velschrift voorzien van het grootzegel des rijksbestierders, — 
toen viel aan zijne partijdigheid niet meer te twijfelen. 

Op het einde der maand .October 1858 kwam er een hu- 
welijk tot stand, dat door het gouvernement was aangera- 
den met het doel om de verstandhouding tusschen den 
sulthan en zijn rijksbestierder te verbeteren. 

Pangerang Amin, Tamdjid's oudste zoon, enpoetriDoelan, 
Hidayat's echte dochter, werden door den echt verbonden. 
Te gelijkertijd nam men een maatregel, die op zich zelf een 
gunstigen invloed op den toestand van Oeloe Soengej had 
kunnen uitoefenen. Aria Kesoema, jongere broeder van 
sulthan Tamdjid, werd namenlijk tot landvoogd van Denoea 



Digitized by VjOOQIC 



37 

Lima benoemd met den titel van pangerang Adipati. Door een 
tweede benoeming echter , die van Danoe Redjo tot Hoofd van 
Batang Balangan en Soengej Benar, kon van de eerste geen 
uitwerking meer verwacht worden; daar Danoe Redjo zon- 
der twijfel het volk , dat hem haatte en aangeklaagd had , 
met de ijzeren roede zou regeren. 

Hidayat , ontevreden met de laatste benoeming, zoo geheel 
in strijd met zijn advies, dat Danoe Redjo's verwijdering ge- 
biedend aantoonde; ontevreden met de eigendunkelijke af- 
wijkingen van artikel 13 van het vigerend contract, volgens 
hetwelk hem , den rijksbestierder , de uitvoerende magt toe- 
kwam; Hidayat ontweek op alle mogelijke wijzen het be- 
vel des sulthans om andermaal naar Benoea Lima te gaan , 
den pangerang Adipati aan de bevolking voor te stellen en 
Djalil met de zijnen naar Bandjer te brengen. Ook de resi- 
dent wendde vruchteloos zijn invloed aan. Hidayat ging niet, 
en pangerang Aria Kesoema aanvaardde daardoor nimmer 
het bestuur van het gewest waarvan hij het Hoofd was. Tot 
Februarij 1860 bleef het landschap Benoea Lima aan zijn lot 
overgelaten. 

De billijke eisch van den rijksbestierder om de magt uit te 
oefenen waarop hij aanspraak had, zijne cathegorische ver- 
klaring van thans niets tot heil van het land te kunnen ver- 
rigten , gaven aanleiding tot het verleenen eener acte waarbij 
aan zijn verlangen werd voldaan. Eindelijk zouden nu de 
klagten tegen Danoe Redjo onderzocht worden. TweeEuro- 
pesche ambtenaren en eenige inlandsche Hoofden werden tot 
dat einde in commissie benoemd. Het bleek toen , dat Danoe 
Redjo door sulthan Adam met het monopolie van den handel 
te Batang Balangan bevoorregt en hem daarenboven de magt 
verleend was, om op eigen gezag doodvonnissen te doen vol- 
trekken ; verder dat hij van zijn gezag misbruik gemaakt had 
door toe te laten dat zijne zonen allerlei euveldaden bedre- 
ven; door de bevolking drukkende, onverdiende geldboeten 



Digitized by VjOOQIC 



38 

op te leggen ; door menschen om te koopen om Djalil te ver- 
moorden ; door strooptogten op het gebied van Passir te be- 
vorderen ; door amfioen te smokkelen , en door gebruik te 
maken van den naam des residents tot het plegen van ge- 
v\^eldenarijen, die eenmaal tot verzet moesten leiden. 

Niettegenstaande het wangedrag van Danoe Redjo thans 
geconstateerd was , liet de sulthan hem evenwel in Januarij 
1859 naar zijn gebied vertrekken* voorgevende hem te be- 
lasten met het halen van den paal en verdere benoodigdheden 
voor den zetel (padoedoesan), waarop hij, sulthan, moest 
worden gezalfd. Danoe Redjo wilde zich echter in de eerste 
plaats vergewissen van de waarheid der geruchten , die over 
het lot zijns zoons , kiay Warga" Kesoema hepen , volgens 
sommigen door Djalil vermoord, — en verder aan zijne lusten 
botvieren. Althans te Soengej Benar gekomen , vaardigde hij 
een tal dreigende bevelen uit' en gedroeg zich zoo willekeu- 
rig , dat de sulthan hem weder naar Bandjer terug riep. 
Hoewel hij sedert dien tijd niet meer naar Benoea Lima te- 
rugkeerde , bleef het gewest niettemin aan roof en moord 
ten prooi. Zekere kiay Soeta Sammir en eenige famiUeleden 
van Danoe Redjo verzamelden te Soengej Benar een bende volks 
en plunderden naar hartelust; de lijken van beroofde hande- 
laren werden te Marabahan opgevischt. Van zijn kant had 
Djalil de bewoners van Paran tot Balangan, en van Taba- 
long tot Benoea Balembing aan zijn gezag onderworpen en 
strafte ieder, die de bevelen des rijksbestierders niet op- 
volgde, met gevangenschap en verbeurdverklaring zijner be- 
zittingen. 

De oproerige beweging van de bevolking van Benoea Lima, 
aanvankelijk tegeA kiay Adipati Danoe Redjo en zijne zonen 
gerigt , nam dus van lieverlede een andere wending en ont- 
aardde in een openbaren opstand tegen den sulthan, die den 
geweldenaar ondersteunde en het onregt wilde doen zegevieren. 



Digitized byVjOOQ IC 



39 

Den 2 Februarij 1859 kwam Z. M. stoomschip Ardjoeno 
ter reede van Bandjer, met een dépêche van de regering, 
het berigt inhoudende dat te Sintang (Borneo's Westkust) 
brieven waren onderschept , w^aarbij de aldaar gevestigde 
Bandjerezen naar Martapoera werden opgeroepen om deel te 
nemen aan een opstand tegen den sulthan. 

De resident zond de Ardjoeno met een geruststellend ant- 
woord naar Batavia terug. 

Uit een onderhoud van den commies Velden met zekeren 
pangerang Amin Oelah , waaruit bleek dat deze briefwisse- 
ling onderhield met zijne betrekkingen te Sintang , kon men 
evenwel opmaken dat de eerste geruchten van een opstand in 
de hofstad, werkelijk door dien pangerang waren verspreid. 
Bovendien gaven Hidayat's handelingen in den aanvang van 
het jaar wel redenen van bezorgdheid. Immers vóór zijn laat- 
ste vertrek naar Bandjer ontving hij uit de handen van njahi 
ratoe Kamala Sarie en hare dochters een brief Jwaarbij zij 
het rijk aan hem overgaven , daar het tegen haar wil was dat 
het door sulthan Tamdjid werd geregeerd ;" en twee dagen 
later hield Hidayat een groote vergadering, waarop alle prin- 
sen en Hoofden verschenen en besloten werd om Djalil bij te 
staan, indien Danoe Redjo's bedreiging 3)dat een stoomboot de 
rivier zou opgaan om Djalil gevangen te nemen" mogt uitge- 
voerd worden. 

Na zich een paar dagen te Banjoe Irang te hebben opgehou- 
den , hield Hidayat eene tweede vergadering ten zijnen huize. 
Wat daar verhandeld werd, bleef echter geheim. Tot twee ma- 
len bezocht de rijksbestierder daarna Kalangan en keerde 
eindelijk naar Bandjer tenig, terwijl pangerang Soeria Mata- 
ram naar Martagiri in het landschap Benoea Padang vertrok. 

Deze mededeelingen kwamen tot het bestuur door zekeren 
kiay Ganga Soeta , een Hoofd uit het landschap Moening, die 
twee kleinzonen in het gevolg van Hidayat had. Doordron- 
gen van het gewigt dier berigten , had Ganga Soeta gemeend 



Digitized by VjOOQiC 



40 

die in persoon naar Bandjer te moeten brengen. Ook van 
hem vernam men dat Mohamad Seman, hoofd van Alabioe 
en vertrouweling van Hidayat, eenige kanonnen en geweren 
aan Djalil had gezonden. 

Sulthan Tamdjid, hierover asingesproken , herinnerde zich 
in der tijd een twintigtal geweren aan Hidayat geleend te 
hebben. Meermalen, doch te vergeefs, had hij getracht die 
terug te krijgen. Vergezeld door den sulthan, begaf de 
resident zich daarop naar Martapoera. 't Was opvallend , 
dat de roeijers der praauwen , waarmede de vorst en zijn ge- 
volg van boord werd gehaald, hem den gewonen heilgroet niet 
bragten ; 't was niet minder vreemd , dat ook het volk zweeg, 
toen de sulthan zich naar den kraton begaf. Inderdaad wèl 
een bewijs van groote ontevredenheid ! 

Hidayat had tot tweemalen toe een onderhoud met den 
resident; en nog dienzelfden dag keerde deze met den sul- 
than naar Bandjer terug. 

Voor dat wij de onlusten in Moening behandelen , is het 
noodig ons nader bekend te maken met een Bandjerschen 
prins , die tot nu toe als een vergeten burger in den kam- 
pong Antassan niet ver van Martapoera leefde. Tot dat 
einde herinnere men zich de geschiedenis van sulthan Tam- 
djid lUah 1 , die zich wederregtelijk van den troon meester 
maakte en den wettigen troonsopvolger , den ongelukkigen 
Amir, in ballingschap Het sterven (zie pagina 8). Deze 
Amir had een zoon, pangerang Masoöd, nagelaten; uit het 
huwelijk van Masoöd met Goesti Hadidjah , sulthan Soleman's 
dochter , was pangerang Antassari ontsproten. Ware de com- 
pagnie niet tusschen beide getreden om pangerang Natta 
op den troon te handhaven , — Antassari zou , als kleinzoon 
van pangerang Amir, als regte afstammeling van sulthan 
Tamdjid I, het Bandjersche rijk regeren. Van middelen 
ontbloot, kon hij niet zoo als de andere prinsen van den 



Digitized by VjOOQIC 



41 

bloede, overeenkomstig zijn vorstelijken rang leven. Zon- 
der invloed , kende men hem bekwaamheid noch geestkracht 
toe. Maar reeds met de moedermelk had Antassari een na- 
tuurlijken haat ingezogen zoowel tegen de bestaande orde van 
zaken , als tegen het nederlandsche gouvernement dat dien 
onwettigen toestand had helpen daarstellen. Vijftig jaren van 
wrok, door onmagt opgekropt, waren Antassari over het 
hoofd gegaan; doch nu was het uur der wrake geslagen, nu 
zou de vergoeding komen voor het gruwelijk onregt zijn 
grootvader aangedaan ! Kon hij zich al niet van den troon 
meester maken, die ook nu weder door een onwaardige werd 
bekleed , hij kon Hidayat toch ondersteunen ; hij kon het wa- 
ter helpen troebel maken en , in afwachting van een nieuwen 
toestand door een omkeering van zaken daargesteld, den op- 
stand krachtig bevorderen. 

Den 22en Maart 1859 kwam te Bandjer de tijding dat in 
het landschap Moening een nieuwe vorst was uitgeroepen 
onder den naam van sulthan Koening. Even als Benoea Lima 
stond Moening — 15 a 16 uren boven Martapoera — be- 
kend als een oproerig gewest. De verdorvenheid der Moenin- 
gers was zelfs spreekwoordelijk geworden. 

Sultan Tamdjid achtte evenwel die tijding niet verontrus- 
tend en noemde den persoon, die zich tot sulthan had ver- 
heven, een krankzinnige. Op uitnoodiging van het bestuur 
zond hij nogtans twee Hoofden, kiay Ganga Soeta en pang- 
hoeloe Tasin, naar Moening om de zaak te onderzoeken; 
terwijl de rijksbestierder tot hetzelfde oogmerk de pange- 
rangs Djantra Kasoema en Sjerif Omar van Martapoera uit- 
zond. 

Vier dagen later (26 Maart) berigtte de administrateur der 
kolenmijnen te Pengaron , dat ± 4000 menschen te Moening en 
Pamatton (op de grensscheiding van Tanah Laut) wareii ver- 
zameld, met het voornemen om den 14«° dag van het licht 



Digitized by VjOOQIC 



42 

Poeassa (17 April) een nieuwen sulthan uit te roepen. Verder 
had hij vernomen dat Antassari zich naar het tooneel des op- 
stands had begeven. 

Bij onderzoek bleek het werkelijk, dat pangerang Antas- 
sari zich niet meer te Martapoera bevond. De resident 
besloot nu een Europeesch mijnbeambte, den heer Jansen, 
overland , en den hoofd-djaksa met den panghoeloe en een ge- 
volg van 120 personen, langs Margasari, naarMoening te zenden. 

Aller gemoederen waren in beweging gebragt door de won- 
derlijke verhalen van 't geen in Moening voorviel, en die, 
hoe uiteenloopend ook, ongeveer op het volgende neer- 
kwamen. 

Een hoog bejaard, nagenoeg blind en aan een soort van 
lepra lijdend landbouwer, Aling genaamd, woonde met twee 
zonen en twee dochters tevreden en rustig in den kampong 
Koembayouw, toen hij op zekeren dag behoefte gevoelde om 
zich af te zonderen. Tot dat einde betrok hij een klein la- 
danghuisje (pendok) en legde zich de boetedoening (betapa) 
op om veertig achtereenvolgende dagen zijn ligchaam in een 
hangende houding te stellen (bergantong dia poenja badan). 
Toen die veertig dagen verstreken waren, viel hij als leven- 
loos op den grond. Weder tot bewustzijn gekomen, deelde hij 
mede, dat Allah hem verschenen was, hem toegesproken en 
wonderkrachten geschonken had. ^Voortaan, zoo luidde het 
goddelijk bevel, moest hij zich Toean jang Koeassa d. i. de 
Magtige Heer, noemen, want niemand anders dan hij mogt 
het hoogste gezag uitoefenen. Die in hem geloofde, zou de 
vruchten genieten van de magt hem door Allah verleend; 
want Aling kon alle ziekten genezen. Die niet in hem ge- 
loofde, was voor altijd verloren; want één woord van Aling 
die over de elementen gebood was genoeg, om den onge- 
loovige te straffen en te verdelgen." 

Tegelijkertijd liep er een gerucht dat een lijk, bij Aling 
gebragt , met geneesmiddelen en door kipas (waaijen) in het 



Digitized by VjOOQIC 



43 

leven was teruggeroepen. Natuurlijk was dit wonder meer 
dan genoeg, om de bijgeloovige bevolking van heinde en 
ver te doen opkomen , om den man Gods hulde te bewijzen 
en geschenken aan te bieden. 

Aling gaf aan den kampong Koembayouw den naam van 
Tambay Mekka, nam zelfden titel aan van panembahanMoeda, 
en begiftigde zijn gezin en verdere bloedverwanten met titels 
en namen van vorsten en vorstinnen die in vroegeren tijd 
over Bandjer den scepter hadden gezwaaid; ja hij liet de 
zielen der afgestorvenen in de herdoopten overgaan. Zoo 
kreeg Aling's oudste zoon , Sambang , den naam van sulthan 
Koening, naar den oudsten zoon van den achtsten sulthan 
Tahhmid Illah I ; Oendang , Aling's tweede zoon , heette 
voortaan pangerang Soeria Natta, naar den eersten vorst van 
Bandjermasin ; zijne dochter Sarantie werd poetri Dj oendjoeng 
Boewih, en Noesamim ratoe Kram at genaamd. Aling's neven 
ontvingen denamen van pangerang Ma ngkoeBoemi, Kasoema 
Widjaya, Bayan Sampit en Taroentoeng Manaoe; terwijl Noe- 
samin's echtgenoot, naar de UeveUng van den grooten pro- 
feet, Chalipah Rasoel werd genoemd. Den mantrie's door den 
panembahan aangesteld en insgelijks met bovenmenschelijke 
krachten begaafd, ontbrak het evenmin aan hoogdravende 
namen en wijdsche titels; wij behoeven slechts Panglima 
Djoentei di Langit, Garoentoeng Waloek, Panimba Sagara, 
Pembalak Batoeng, Kinda Moei en Kindoe Adji te noemen. 

Volgens anderen werd niet Aling maar Sarantie reeds op 
den i3«> dag van het licht Radjab 1275 (16 Febr. 1859) 
door een geest bezeten en had dientengevolge het uiterlijk 
van een zinnelooze gekregen. In dien staat begaf zij zich 
tot haar vader en vroeg hem of hij haar wilde zien sterven 
of in het leven behouden. In het laatste geval moest hij 
haar laten huwen met den landbouwer Doelassa in wien de 
geest van pangerang Soeria Natta was nedergedaald. Allah, 
zeide zij, was haar verschenen en had dit bevolen. 



Digitized by VjOOQiC 



44 

Aling verlangde niets liever dan zijne dochter in het leven 
te houden, en schonk haar Doelassa tot echtgenoot. 

Van toen af noemde Sarantie zich poetri Djoendjoeng Boe- 
wih en schonk haar vader, broeders, zusters en neven de 
reeds genoemde titels en namen. 

Hoe het zij, Aling verkreeg een grooten aanhang , die hem 
als vorst eerbiedigde. Twee sulthansvlaggen, door nieuw- 
benoemde mantrie's bewaakt, wapperden statig boven zijne 
woning. — Doelassa weigerde echter, als vorst behandeld 
te worden; welligt geloofde hij aan de goddelijke verheffing 
zijner vrouw en aanverwanten, doch gevoelde zich voor zijn 
persoon , niet door een hoogeren geest bezield. Door poetri 
Djoendjoeng Boewih verstooten , ontvlugtte hij met zijn broe- 
der naar Pengaron. — 

Pangerang Djantra Kasoema keerde den i April van Moe- 
ning naar Martapoera terug en maakte den toestand bekend, 
waarin hij het gewest had gevonden. Hij had Aling werke- 
lijk gezien als panembahan, en diens zoon als sulthan Koe- 
ning, omringd door een groote gewapende bende. Dadelijk 
na aankomst der commissie te Moening was er een huwelijk 
voltrokken tusschen Antassari's zoon, goesti Mohamad Said 
en poetri Djoendjoeng Boewih, — een huwelijk in naam — 
want de goesti bevond zich te Bandjer. 

Aling had pangerang Djantra Kasoema beloofd hem in den 
nacht na de voltrekking van het huwelijk iets wonderdadigs 
te laten zien , doch pangerang Antassari was alleen bij den 
panembahan binnen gelaten. Wat men toen gesproken had , 
wist Djantra Kasoema niet. 

Bij zijn vertrek van Moening, was Antassari, op het ge- 
rucht dat de sulthan bevel tot zijne inhechtenisneming had 
gegeven, naar Mangkau gegaan. — 

De hoofd-djaksa en panghoeloe met hun gevolg den 4«° 
April te Bandjer terug keerende, waren omstandiger en 
naauwkeuriger in het verslag van hun togt. Te Tambay 



Digitized by VjOOQIC 



46 

Mekka gekomen, was sulthan Koening hen met 700 gewa- 
penden Ie gemoet gekomen. De sulthan voerde een gele 
pajong, en was, evenals verscheidene andere leden zijner 
familie, in het geel gekleed. Zelfs de vrouwen waren ge- 
wapend, en allen hadden hunne wapenen ontbloot. Men be- 
proefde den djaksa en panghoeloe tot huldebetoon te nood- 
zaken, ontwapende hun gevolg, en vroeg het af of zij op 
hunne hand of op die der Europeanen waren , of zij met 
goede dan wel met kwade bedoelingen kwamen. De hoofd- 
djaksa gaf te kennen dat hij den panembahan Aling verlangde 
te bezoeken. Nu voerde de gewaande sulthan hen naar zijne 
woning, waar op de gele vlag en wimpel wapperde. Behalve 
een duizendtal met pieken en klewangs gewapenden , bevon- 
den zich daar ook de nieuwe Hoofden. De hoofd-djaksa ge- 
droeg zich minzaam, vertoonde geen vrees, en vroeg >op 
welke wijze zijn gastheer den titel van sulthan had verkre- 
gen." Toen vernam hij , dat God tot des sulthans vader, Aling, 
was ingegaan en hem magt over leven en dood had gege- 
ven. — Mogt de djaksa den panembahan ontmoeten? — 
neen ! alle zaken werden door sulthan Koening en pangerang 
Soeria Natta afgehandeld. Zij hadden vernomen dat er vier 
kompagniën Europeanen te Moening zouden komen om hen 
gevangen te nemen, doch men zou hen strijdvaardig vinden, 
de klewangs waren gewet; niets zou hen meer welkom zijn 
dan de Europeanen te zien verschijnen, want men brandde 
van verlangen om hen te beoorlogen. 

De hoofd-djaksa vernam zijdelings nog, dat er nabij sul- 
than Koening's woning een missigit zou gebouwd worden, 
en reeds elf kampongs zich aan het nieuwe gezag hadden 
onderworpen. 

Des anderen daags nam het gezantschap de terugreis aan ; 
digt bij Moening haalde men het Hoofd van Karrouw in, kiay 
Demang Martadjaya. ï>Wat had de Demang te Moening ge- 
daan?" — Een offer gebragt aan den panembahan. Toen zijne 



Digitized by VjOOQIC 



46 

vrouw gevaarlijk ziek lag , had hij een heilige gelofte gedaan 
om den nieuwen vorst hulde te brengen , als zij mogt genezen ; 
nu was zij hersteld en had hij woord gehouden. Hij was 
tot Aling toegelaten; Aling had tot hem gesproken en hem 
gezegd dat de hoofd-djaksa en panghoeloe daar waren geko- 
men met oogmerk hem, panembahan, te vermoorden; die 
dwazen! Onmagtig tegenover hem, die alle magt in han- 
den had, moesten zij immers onverrigter zake terug kee- 
ren ? — Aling had zich vergeleken bij een boom , die lang- 
zamerhand door een parasite (Antassari of Hidayat ?) zou ver- 
stikt worden , zoodat er ten laatste niets van hem overbleef. 

Waarschijnlijk sprak Aling reeds toen op die wijze , opdat, 
als de rol vervuld was die men hem liet spelen, zijn ver- 
dwijning van het tooneel geen bevreemding zou baren. — 

De eerste zendelingen, kiay Ganga Soeta en panghoeloe 
Tasin, door sulthan Tamdjid op kondschap uitgezonden, be- 
vestigden de berigten der anderen. Aan Ganga Soeta werd door 
een bende van twee honderd man den toegang tot Aling belet; 
hij werd genoodzaakt zijn intrek te nemen bij zekeren kiay 
Wangsa Prana , wiens huis ver van Aling's woning gelegen 
was. Streng bewaakt, werd hij met den dood bedreigd, 
wanneer hij beproefde sulthan Koening te zien. Gedurende 
zijn verblijf te Moening vernam Ganga Soeta , dat men circa 
400 man in drie benden zond naar den kant waarvan de 
Heer Jansen werd verwacht, en dat pangerang Antassari reeds 
naar Mangkau was vertrokken om aldaar een bende van 
duizend Moeningers af te wachten , waarmede het etablisse- 
ment te Pengaron overrompeld, naar Martapoera opgerukt, 
het residentiehuis vernield en ten slotte sulthan Tamdjid 
omgebragt zou worden. Behalve de elf kampongs hadden 
meer dan negentien Hoofden sulthan Koening erkend , terwijl 
reeds dertien personen tot voorvechters waren gekozen. — 

Uit die drie rapporten bleek het derhalve duidelijk, dat 
men een omverwerping der bestaande regering beoogde en 



Digitized by VjOOQIC 



47 

het plan daartoe reeds lang te voren beraamd was. De mid- 
delen waarvan men zich bediende, waren goed gekozen, 
geheel overeenkomstig den aard en het karakter van een 
bijgeloovig en zedeloos volk, geschikt om de Europeanen te 
misleiden. Aling en de zijnen waren slechts werktuigen in 
de handen van Antassari. Door Aling's optreding als panem- 
bahan kwam de eerste oproerige beweging tot stand, vorm- 
de zich een gewapende magt; gewende het volk aan het denk- 
beeld van sulthan Tamdjid's verdrijving, en werden de onlusten 
door het Europeesch bestuur voor minder ernstig gehouden, 
dan bijaldien een prins van den bloede dadelijk het masker 
had afgeworpen en de leiding van den opstand op zich had 
genomen. Kwam eindelijk het oogenblik van handelen, dan 
zou Antassari die nuttelooze werktuigen ver van zich werpen, 
en — voor eigen rekening of voor Hidayat's belangen, dat 
moest de tijd leeren , — strijden tegen sulthan Tamdjid en 
tegen de blanken, die Tamdjid sulthan hadden gemaakt. 

Na den oorlog, toen Sambang, uitgehongerd en uitgeput 
door de nuttelooze vervolging der patrouilles, zich te Tam- 
baroentoeng aanmeldde (1 ) en voor den krijgsraad gebragt werd, 
kreeg men de volgende mededeelingen over het toenmaals 
gebeurde. 

Op uitnoodiging van Antassari, had Aling zich zoolang 
afgezonderd tot dat hij een stem van boven hoorde, die 
zeide : »Aling , gij zijt door mij uitverkoren om een nieuwen 
vorst op den troon te zetten. De door mij gekozen vorst 
is Antassari , dien gij den titel van panembahan zult geven. 

DZijn zoon goesti Mad Said zal sulthan worden ; doch eerst 
moet hij uwe dochter Sarantie huwen. 

(1) Sambang werd veroordeeld tot vyftien jaren dwangarbeid in den 
ketting, buiten Borneo, Toorafgegaan door tentoonstelling onder de 
galg gedurende een kwart uur. 



Digitized by VjOOQiC 



48 

>Hidayat zal den titel van Mangkoe Boemi verkrijgen." 

Na deze openbaring zond hij overal boden rond om zijne 
goddelijke roeping aan het volk bekend te maken en Antas- 
sari uit te noodigen met zijn zoon bij hem te komen, ten 
einde over den aanstaanden opstand te beraadslagen. 

Antassari, die zeer goed inzag dat Aling hem volkomen 
begrepen en juist voorspeld had wat hij , Antassari , verlang- 
de, bleef niet in gebreke zich bij het volk voor te doen als 
of hij aan de goddelijke roeping van Aling geloof sloeg , en 
begaf zich terstond naar Aling. Daar hij evenwel niet ge- 
negen was zijn zoon aan Sarantie uit te huwelijken, liet hij 
Mad Said te huis. De uitslag dier bijeenkomst was , dat er 
twist ontstond over de voorwaarde van dat huwelijk en An- 
tassari, Aling een bedrieger noemde met wien hij niet meer 
te doen wilde hebben. 

Aling vervloekte toen Antassari en bad God dat hij tot zijn 
dood als een vlugteling in de wildernis mogt omzwerven. 
Van zijn kant verwenschte Antassari Aling en smeekte het 
Opperwezen hem een vreesselijken dood te doen sterven. 

Beider beden werden geheel verhoord (1). 

Zoodra Aling zag dat zijne plannen verijdeld waren, besloot 
hij zelf de rol te spelen die hij voor Antassari had bestemd, 
en gaf voor dat God hem bevolen had zich zelf den titel 
van panembahan te geven. Daarna schonk hij zijne betrek- 
kingen de hoogste titels. 

Duizende inlanders stroomden nu naar Aling's verblijfplaats, 
gaven hem de belastingen die gewoonlijk aan de sulthans 
werden betaald, en bragten den tijd met bidden en vasten door 
om zich tot den oorlog tegen de kaffirs (ongeloovigen) en 
sulthan Tamdjid voor te bereiden. 

Sambang, nu sulthan Koening, nam het teeken zijner vor- 

(1) Antassari stierf als vlugteÜDg in het landschap Doesoen; Aling 
kwam met zijne dochter Ratoe Kramat, by de verwoesting van Tam- 
bay Mekka in een brandend huis om. 



Digitized by VjOOQIC 



49 

stelijke waardigheid een gelen pajong en gelen hoofddoek aan 
en voorzag zich van een grooten tjap waarin de woorden 
»sulthan Koening" waren gesneden. Hij beijverde zich ver- 
der om de bevolking in een voorldurenden staat van opge- 
wondenheid te brengen en het een aantal kampongbewoners 
dagelijks de wildste dansen uitvoeren. 

Met uitgetrokken klewang en onder het aanroepen van den 
profeet sprongen deze uren lang, schreeuwende en razende 
in den kring rond, die door een menigte toeschouwers ge- 
vormd werd. Sambang zelf ging hen voor, zwaaide onder 
de vreesselijkste verwenschingen tegen de kafBrs, met zijn 
klewang door de lucht en sloeg er mede op den grond, 
zeggende : i^Zie , daar ligt een kaffir ; en zie , hier nog een 
en nog een ; zie , de stoom schepen der Hollanders zullen wij 
vernietigen , hunne vrouwen en kinderen zullen wij ver- 
delgen; hun bloed zal stroomen ter eere van den profeet!" 
Al wilder en wilder werd de dans, tot dat ten laatste de 
wapenen aan de handen der dansenden ontvielen en zij door 
vermoeijenis uitgeput op den grond nederstorteden. 

Soms nadat men den dag reeds met vasten en bidden had 
doorgebragt, verzamelde Sambang de menigte om zich heen 
en liet dan een groote hoeveelheid doepa en andere welrie- 
kende kruiden branden, om de zinnen der omstanders nog 
meer te bedwelmen. Dan sprong hij op , met een groot zwaard 
gewapend, en werd door een vijftigtal personen in zijne tan- 
lakkende bewegingen gevolgd; dan braakte hij vervloekin- 
gen uit tegen de ongeloovigen , tegen de Hollanders; voor- 
spelde den ondergang van hun gezag, verklaarde dat allen 
die hen om het leven bragten , een Gode welgevallig werk 
zouden verrigten, en spoorde hen aan om onverwijld de 
handen aan het werk te slaan en de kafiirs te vermoorden. 
Eindelijk zegende hij de wapens en reikte djimats uit, door 
wier kracht men onkwetsbaar werd. 

Sarantie was haar broeder in zijne bedriegerijen behulp- 

4 



Digitized by VjOOQIC 



50 

zaam , en gaf voor van God de magt gekregen te hebben , 
om door het opleggen der handen iemand te kunnen dooden of 
in het leven terug te roepen. Die aan hare woorden twijfelde, 
werd met een onvermij delijken dood bedreigd; ook zij ver- 
schafte djimats en geneesmiddelen tegen betaling in geld, 
kleederen of padie. 

Door deze kunstmiddelen klom de opgewondenheid en het 
fanatisme tot den hoogsten trap. Duizenden zogen te Tambay- 
Mekka een onverzoenlijken haat in tegen de Hollanders , ver- 
spreidden zich daarna over het geheele rijk en plantten de 
leer voort , die Sambang hun gepredikt had en spoedig vruch- 
ten droeg. 



, ' Digitized by VjOOQ IC 



HOOFDSTUK IV. 



MAATREGELEN VAN HET BESTUUR TOT VOORKOMING VAN DEN 

OPSTAND. — ZENDING VAN PANGERANG AMIN OELAH. — 

AANVRAAG OM MILITAIRE MAGT VAN JAVA. — 

APRIL 1859. 

In stede van den opstand, waaraan nu niet meer te twijfelen 
viel, met geweld te onderdrukken; in stede van de trouwe 
pangerangs met hunne scharen onder de wapenen te roepen 
en naar Moening op te rukken, om Aling te toonen wie de 
ware en wie de gewaande sulthan van Bandjer was — van 
een energiek vorst had men niet anders kunnen verwachten — , 
begaf sulthan Tamdjid , op aanraden van den resident , 
zich schoorvoetend naar Martapoera, om door zijn tegenwoor- 
digheid aldaar een gunstige wending aan de zaken te geven 
en een algemeene volksbeweging te voorkomen. 

Natuurlijk leidde die maatregel — nu de zaken reeds zoo 
ver gekomen waren — tot geen ander resultaat, dan om de 
vrees , het wantrouwen en de onmagt van Tamdjid duidelij- 
ker in het oog te doen vallen. 

Beducht voor een aanslag op zijn leven, had sulthan Tam- 
djid een groot aantal pangerangs , die hem dag en nacht 
omgaven, voor zijn persoon verantwoordelijk gesteld. Was 
zijne vrees voor sluipmoord niet ongegrond, niet weinig 



» Digitized by VjOOQ IC 



52 

werd deze vermeerderd , toen op den avond van 3 April in de 
onmiddellijke nabijheid van zijne woning een brand uitbrak, die 
aan kwaadwilligheid werd toegeschreven. Gedwongen om 
naar Martapoera te gaan, vroeg hij, aan den hevigsten angst 
ten prooi, een groote hoeveelheid oorlogsbehoeften aan, 
wenschte een gewapende kruisboot aan den kraton te Marta- 
poera te stationneren, en verzocht om den rijksbestierder 
aan te houden, als deze te Bandjer komen mogt. 

De resident achtte de ingeroepen hulp te voorbarig, doch 
liet hem het gevraagde buskruid verstrekken. 

Te Martapoera aankomende, vernam de sulthan van zijne 
spionnen dat een zendeling van Djahl zich bij den panemba- 
han Aling vervoegd en medegedeeld had : dat de bevolking van 
Tambarangan en Benoea Ampat een bevel van den sulthan 
had ontvangen om AUng en de zijnen op te vatten , doch dat 
zij ongenegen washieraan te voldoen uithoofde de nieuwe familie- 
betrekking van Antassari met Aling (het huwelijk van Antas- 
sari's zoon met Sarantie) ; dat Antassari aan Aling het verlan- 
gen te kennen gegeven had, om in het bezit te worden ge- 
steld van eenige kroonsieraden (de gouden stoel en pajong 
en van de kris Naga Saliera) die in handen van sulthan Tam- 
djid waren. 

Tamdjid zond Antassari bevel om zich naar Martapoera te 
begeven ; maar toen hij tegelijker tijd hem openlijk van hoog- 
verraad beschuldigde en zelfs sprak van hem en zijne moeder 
met de meeste gestrengheid te zullen straffen, keerde An- 
tassari, die reeds op weg naar Martapoera was, wijsselijk naar 
Moening terug. 

Een ander blijk van ongeschiktheid gaf Tamdjid, door 
nogmaals te beproeveft om den rijksbestierder, aan wien hij te- 
regt de geheele moeningsche beweging toeschreef, naar het 
tooneel des opstands te zenden. Het lag evenwel niet in Hida- 
yat's plan zich derwaarts te begeven ; om echtereenigen schijn 
van gehoorzaamheid te bewaren , ging hij (4 April) naar 



Digitized by VjOOQIC 



59 

Bandjer. Bij zijn vertrek gelastte hij de Hoofden, om zorg te 
dragen dat den sulthan geen leed overkwam ; waarlijk wel een 
even groot bewijs voor de vijandige gezindheid der bevolking 
tegen Tamdjid als voor den invloed van ffidayat ! 

Met het oogmerk om den resident te beletten om hem 
een zending naar het binnenland op te dragen , gaf Hidayat 
bij aankomst ter hoofdplaats dadelijk te kennen dat , nu de 
poeassa begonnen was , hij slechts in nooddwang zaken kon 
afdoen. 

Welke uitwerking men nu nog verwachtte van Hidayat's 
tegenwoordigheid op het tooneel des opstands , valt moeijelijk 
te begrijpen. Zijn dubbelzinnig gedrag was duidelijk ge- 
noeg ; tegenover Tamdjid's ongeschiktheid stelde Hidayat 
een bepaalden onwil. Immers zijn wettige aanspraak op den 
troon , zijn betrekking met Antassari en de andere Hoofden 
des opstands , zijne handelingen als rijksbestierder gedurende 
Tamdjid's regering , alles getuigde van onwil om de rust te her- 
stellen. In zijne jongste briefwisseling met den resident, die hem 
(27 Maart) kennis gaf van de berigten uit Pengaron ontvangen 
en hem bij die gelegenheid had aangemaand om thans blijken 
te geven dat hij èn het gouvernement èn het Bandjersche rijk lief 
had , kwamen uitdrukkingen voor die de verdenking moesten 
vergrooten. Want bij vele betuigingen van erkentelijkheid en 
onderdanigheid , schreef hij : i>dat hij tot nog toe niet van 
gedachten was veranderd; dat hij wel tot heil van den staat 
wilde medewerken , doch dat de resident zijne positie be- 
greep; dat de sulthan voortging bevelschriften uit te vaar- 
digen die niet met zijn (Hidayat's) gevoelen strookten , en 
dat hij nogmaals bekrachtiging van art. 13 van het contract 
verzocht , waarbij hem het bestuur van het rijk werd gege- 
ven." Ten slotte schreef hij , dat hij wanhoopte zonder tus- 
schenkomst van den resident de heerschende wanorde te her- 
stellen." 

Die laatste uitdrukking had welligt de strekking om den 



Digitized by VjOOQiC 



54 

resident te bewegen , de eerste vijandelijkheden van het ne- 
derlandsch gouvernement te doen uitgaan , en daardoor den 
opstand , die zich nu nog tegen den sulthan bepaalde , ook 
tegen het Europesche gezag te rigten. 

In den nacht van 5 op 6 April kwam een zendeling des 
sulthans te Bandjer om hulp van het gouvernement in te roe- 
pen, waarop hij volgens art. 3 van het contract meende 
aanspraak te kunnen maken , daar er drie duizend Moeningers 
onder aanvoering van Anlassari naar Pengaron in aantogt 
waren. Door gebrek aan genoegzame militaire magt kon de 
resident geen hulp verleenen ; hij gaf bovendien een andere 
uitlegging aan bedoeld artikel, en oordeelde dat daarmede 
niet bedoeld werd den sulthan ontijdig tegen zijne eigen 
onderdanen te wapenen , wanneer deze door zijn eigene han- 
delingen tot ontevredenheid aanleiding gaf. Hij Het het ove- 
rigens aan den sulthan over , naar Bandjer terug te keeren, 
wanneer hij zich te Martapoera niet veilig achtte. Onverwijld 
(6 April) kwam daarop de sulthan, die voor zijn leven vreesde, 
naar de hoofdplaats terug. 

Hidayat was in 't minst niet verwonderd den voorgenomen 
togt van Antassari te vernemen. Hij verklaarde niet in 
staat te zijn dien te kunnen verijdelen, daar de sulthan hem 
in alles tegenwerkte; slechts één middel bleeferoveromde 
rust te herstellen , namelijk hem een schriftelijke magtiging 
te geven, door den resident en sulthan onderteekend, om 
de oorzaken der woelingen te onderzoeken, de bezwaren der 
bevolking te hooren , en deze tevens te verzekeren dat hare 
wenschen zouden vervuld worden. 

Ofschoon het te verwachten was dat Hidayat hiermede 
meer zijne eigene plannen dan het belang van het gouver- 
nement zoude bevorderen , ontving hij aanstonds die magti- 
ging, en vertrok naar Martapoera, onder belofte onmiddel- 
lijk naar Pengaron door te reizen. 

Ten einde niet overvallen te worden, ontvingen de mili- 



Digitized by VjOOQIC 



55 

taire kommandanten van Pengaron en Marabahan aanschrijving 
om op hunne hoede te zijn, en werden twee honderd ge- 
wapenden van Doesoen en drie honderd van de Daijaklanden 
opgeroepen om de hoofdplaats te helpen verdedigen. Acht 
dagen later evenwel, toen er weer gunstiger berigten van 
Moening ontvangen waren, werd die oproeping ingetrokken. 

Op dit tijdstip trad een ander persoon op den voorgrond, 
wiens invloed op de volgende gebeurtenissen niet onbelang- 
rijk was. 

Pangerang Mohamad Amin Oelah, de sluwste aller pan- 
gerangs, gehuwd met een achterkleindochter van njahi ra- 
toe Kamala Sarie en een der grootste tegenstanders van 
sulthan Tamdjid , had reeds vroeger pogingen in het werk ge- 
steld om tot Hoofd van Batoe Litjin en Laut Poeloe benoemd te 
worden en zich alle moeite gegeven om de gunst van het 
Europeesch bestuur te verwerven. Tot nu toe was hem 
dit niet gelukt en stond hij zelfs onder het geheime toezigt 
der politie. 

Het schijnt dat de resident er evenwel over dacht hem de 
gevangenneming van Djalil op te dragen. Toen Amin Oelah 
daarover door een ambtenaar w^erd gepolsd , liet hij zich op 
behendige wijze uit over den haat dien de bevolking toedroeg 
aan sultan Tamdjid , den zwelger , den opiumschuiver, die de 
wetten des korans met voeten trad en niet op den troon 
paste; over het verkeerde van iemand als de djaksa naar 
Moening te zenden, waardoor het gouvernement zich had 
ingelaten met zaken van inwendig bestuur , en over het wen- 
schelijke om iemand derwaarts te zenden met volmagt om naar 
bevind van zaken in verstandhouding met den rijksbestierder 
te handelen. Amin Oelah werd daarop belast met het over- 
brengen van een bevelschrift naar Hidayat. 

Inmiddels deden zich dagelijks meer kenteekenen voor 
van toenemende verwarring en uitbreiding van den op- 



Digitized by VjOOQIC 



56 

Stand. Antassari had zich naar Wasah in het landschap 
Amoenthay begeven om met Djalil de eerste vijandelijkheden 
te bespreken. Hidayat keerde van Pengaron naar Martapoera 
terug, zonder iets te hebben verrigt. Te Pengaron begon 
men zich (8 April) van eenige oorlogsbehoeften en levens- 
middelen te voorzien en staakte — tegen den zin van het 
bestuur — den kolenafvoer, om het mijn-etablissement met een 
palissadering te kunnen omringen. Te Marabahan werden (9 
April) zestig goedgewapende inlanders van Negara, die zich 
naar Bandjer wilden begeven, aangehouden en teruggezonden. 
Nabij het residentiehuis te Martapoera pleegde men een diefstal 
van vruchten die het eigendom van het gouvernement waren, 
en bevrijdde men met geweld den dief, die een volgeling was van 
kiay Singa Bradja. Men vernam dat Djalil door den rijksbe- 
stierder] met den titel van kiay Adipati zou zijn begiftigd; 
dat de bevolking van Bekompay reeds gemeene zaak met hem 
maakte, waardoor de gezamenlijke aanhang van Antassari , pa- 
nembahan Aling en sulthan Koening reeds meer dan 6000 
weerbare mannen bedroeg. De civiele gezaghebber van Mara- 
bahan berigtte dat Djalil den mantrie-tolgaarder te Karias 
(boven Amoenthay) verjaagd en de talian in bezit genomen 
had, en dat hij van plan was hetzelfde te Negara en Marga- 
sarie te doen, wanneer de bevolking zich niet vrijwillig aan 
zijne bevelen onderwierp. 

Daar nu Benoea Lima de voornaamste voorraadschuur 
van levensmiddelen was en Djalil in het bezit dier tollen 
allen uitvoer kon beletten , werd pangerang Sjerif Hoesin , 
die als handelaar groot belang had in het ongestoord ver- 
keer met de bovenlanden, met pangerang panghoeloe Moha- 
mad Seman door den resident uitgezonden, om het volk 
zoo mogelijk nog langs vredelievenden weg tot orde en rust te 
doen terugkeeren. Oogluikend werd het toegestaan dat ratoe 
Sjerif Hoesin en njahi ratoe Kamala Sarie de commissie der- 
waarts vergezelden. Vier dagen daarna (18 April) zonden 



Digitized by VjOOQIC 



57 

de pangerangs afschriften van tjappen (bevelschriften) van 
Antassari en Djalil, waarin bevolen werd alle tollen te ne- 
men voor den rijksbes tierder, die handelde in naam van den 
Profeet en ingevolge het testament (wasiah) van sulthan Adam. 
De commissarissen hadden den tolgaarder boven Negara we- 
der in zijne betrekking hersteld, en waren van plan zich 
naar Amoenthay te begeven. Bij een later schrijven (24 
April) meldden zij hun onderhoud met Djalil en de gunstige 
uitwerking daarvan (die echter uit niets bleek). Daar de 
radja van Moening hen niet kon ontvangen, zouden zij naar 
Bandjer terugkeeren; de resident behoefde zich niet te ver- 
ontrusten, daar zij alle hoop koesterden dat de zaken nog 
een gunstige wending zouden nemen. De resident werd ver- 
zocht toch geen geloof te slaan aan hetgeen welligt door an- 
deren van hen zou worden medegedeeld. 

Deze poging om, op dit tijdstip nog, langs vredelievenden 
weg de ru§t te herstellen, mislukte natuurlijk. Het was trou- 
wens bekend dat de pangerangs, die de commissie zamen- 
stelden, tot Tamdjid's vijanden behoorden, 't Was duidelijk 
dat hun schrijven kwade trouw ademde, en dat zij den wa- 
ren toestand wilden verbloemen, om het bestuur zorgeloos 
te maken en den opstandelingen bevorderlijk te zijn. Met 
welk oogmerk njahi ratoe Kamala Sarie de commissie naar 
Amoenthay vergezelde, was niet twijfelachtig, toen zij Djalil 
tot zoon aannam. Een sterke prikkel, een onbegrensde haat 
tegen Tamdjid toch was er noodig om op haar vergevorder- 
den leeftijd zich de vermoeijenissen der reize te getroosten; 
doch niets was haar te veel, wanneer zij haar invloed op 
haar schoonzoon en den panghoeloe, tot Tamdjid's ondergang 
kon aanwenden. Djalil was wel is waar een doodvijand van 
haar gunsteling kiay Adipati, doch ter bereiking van het 
groote doel, Tamdjid's val, werd alles ter zijde gesteld. 

Laat ons thans de verrigtingen van Hidayat en Amin 



Digitized by VjOOQIC 



58 



Oelah gadeslaan, die het uitbreken van den opstand vooraf- 
gingen. 

Een oproeping om te Bandjer te komen had ^idayat be- 
antwoord met een zeer verontrustenden brief. »De radja van 
Moening en Antassari zouden aan het hoofd van duizenden 
in aantogt zijn; nu kon Hidayat immers zijne vrouwen en 
kinderen niet alleen achterlaten I" De uitwerking van dit 
berigt op sulthan Tamdjid was verbazend. In zijn angst — de 
resident was dien dag te Marabahan — gaf hij zelf openbaar- 
heid aan een gerucht, dat, indien het waarheid bevatte, zoo 
lang mogelijk geheim moest gehouden woorden. Hij liet twee 
stukken geschut voor zijne woning plaatsen, wapende zijne 
volgelingen, stalionneerde een zijner vaartuigen met een 
kanon bewapend aan de soengej Loeloet (één uur boven 
Bandjer) , maakte zijn voornemen bekend om voorloopig zijne 
vrouwen en kinderen naar de overzijde der rivier, in de 
nabyheid der versterking, te doen verhuizen; kortom, hij 
legde zooveel vrees aan den dag, dat ze op den geringen 
man oversloeg en zelfs aanleiding gaf tot verloop van eenige 
Chinezen. 

Hidayat wilde niet te Bandjer terugkomen. De oude pan- 
gerang Ahhmid, sulthan Adam's broeder, een hevige tegen- 
stander van Tamdjid, had hem gewaarschuwd en te Mar- 
tapoera het gerucht verspreid, dat Hidayat's vrijheid gevaar 
liep. Groot en klein was door die tijding in opschudding 
gekomen; de pangerangs hadden bij den rijksbestierder een 
vergadering gehouden , en het volk maakte toebereidselen tot 
den krijg. 

Nadat pangerang Amin Oelah er aanvankelijk in was ge- 
slaagd zich in de verwarring te mengen, ging hij voort 
met gewigtige en verontrustende verklaringen af te leg- 
gen, waarvan hij de goede uitwerking voorzag en waardoor 
hij in de gelegenheid was zich zelf op den voorgrond te 
plaatsen. 



Digitized by VjOOQIC 



59 

Volgens zijn beweren waren de meeste pandelingen van 
het mijn-etablissement te Kalangan reeds overgehaald, om 
met de opstandelingen gemeene zaak te maken. Hij nam 
echter aan om de rust te herstellen en de bevolking voor 
den sulthan te winnen. Doch daartoe had hij noodig een 
lastbrief van den resident, den titel van Oetoesan, de ver- 
gunning om de Nederlandsche vlag te voeren, en een som 
van /"SOOO, om door geschenken het volk te winnen. 

Hoewel de sulthan, Amin Oelah wantrouwde en vreesde 
dat hij het gevraagde geld lot aflossing zijner verpande dia- 
manten zou gebruiken, was hij evenwel genegen een som 
van fSOOO tot zijn beschikking te stellen, onder voorwaarde 
dat de resident het zou doen voorkomen , als of dit geld hem 
door het gouvernement werd geleverd. Amin Oelah verkreeg 
dus (20 April) de verlangde opdragt om met den rijksbe- 
stierder zamen te werken tot het regelen der zaken, doch 
in plaats van den titel van Oetoesan werd hem dien van 
Soeroehan, en in plaats van /*5000 slechts fSOOO gegeven. 

Neemt men nu in aanmerking dat Amin Oelah vroeger 
reeds de raadsman van Hidayat was , en in den laatsten tijd 
zijn brieven volgens zijne eigene inzigten pleegde te schrij- 
ven, dan was die keus niet gelukkig te noemen. Van nu 
af toch liep Hidayat geheel aan den leiband van Amin Oelah , 
en handelde deze geheel op eigen gezag. In stede van za- 
men te werken, gaf hij den rijksbestierder bevelen. Uit 
het vervolg zal blijken, dat deze niets zonder Amin Oelah 
durfde te ondernemen. 

Uit de zending van den hoofd-djaksa naar Martapoera, die 
twee dagen later plaats greep (22 Mei), moest men opma- 
ken óf dat de resident van zijn besluit terugkwam en de 
beide prinsen van elkander wilde losmaken, óf dat hij over- 
tuigd was van Hidayat's verraad. Die zending had althans 
ten doel, den rijksbestierder over te halen tot een ontmoe- 
ting met den resident te Bandjer, zonder hem evenwel tot 



Digitized by VjOOQiC 



60 

een bezoek bij den sulthan te verpligten. Hidayal maakte vol- 
strekt geen bedenkingen, zeide onmiddellijk zijn praauwen te 
zullen laten halen en bepaalde het uur waarop hij wilde ver- 
trekken. Tegen vier uur na den middag kwam evenwel Amin 
Oelah den djaksa mededeelen , dat Hidayat van denkbeeld ver- 
anderd was en eerst zijne zendelingen van Moening wilde 
afwachten. Vernieuwde pogingen van den djaksa bij den rijks- 
bestierder bleven zonder uitwerking. Hij had, zoo heette het nu, 
niets aan den resident mede te deelen, en moest voor Pen- 
garon waken, dat aan zijne zorg was toevertrouwd. De 
djaksa keerde daarop alleen naar Bandjer terug. 

In een schrijven van den 24»"^° April herhaalde Hidayat 
dezelfde redenen tot verontschuldiging, en verzekerde den 
resident dat hij van Amin Oelah's hulp de beste verwach- 
tingen koesterde. 

De brief, dien Amin Oelah den daarop volgenden dag aan 
den resident rigtte, was in alle opzigten belangrijk. 

Op arglistige wijze ging hij voort, met een schijn van 
trouw de meest verontrustende berigten mede te deelen, 
om des te beter zijn onmisbaarheid in het licht te stellen. 
Hij toonde de opdragt, hem door den resident verleend, 
waardig te zijn en te handelen ; hij verbloemde zelfs niet 
zijn zedelijk overwigt op Hidayat; immers hij — en niet 
Hidayat — had de pangerangs , mantri's en hadji's bij zich 
ontboden , toen er andermaal een tijding was ingekomen dat 
Antassari den 5 Mei naar Martapoera zou oprukken. Die 
hoofden waren met hem van oordeel, dat hij met eenige 
hunner zich naar Moening moest begeven om Antassari te 
ontmoeten. Hij stelde voor om Hidayat derwaarts mede te 
nemen; hij zou pangerang Djantra vooruit naar Moening zen- 
den. Hidayat wist dat hij , Amin Oelah , zich te Martapoera 
bevond »om alles duidelijk te maken wat Hidayat niet begreep." 
De rijksbeslierder keurde zijne plannen goed en nu verzocht 
Amin Oelah spoedig een lastbrief om zich met Hidayat — 



Digitized by VjOOQIC 



61 

als ondergeschikt persoon wel te verstaan — naar Moening 
Ie begeven. 

De resident zond het antwoord op dezen brief aan Hidayat, 
gaf daarin te kennen dat het niet in zijn bedoeling lag om 
Arain Oelah op zich zelf te doen handelen en deze bevelen 
Ie laten uitvaardigen, waardoor de rijksbestierder zou ge- 
krenkt worden; maar dal hij aan Hidayat toestond naar Moe- 
ning te gaan en zich door Arain Oelah te doen vergezellen. 

Welken invloed en zamenwerking deze prinsen op den 
slaat van zaken uitoefenden, bleek dagelijks duidelijker. Den 
25sien ^ppji vertoonde zich een bende gewapenden onder lei- 
ding van vier priesters in den gouvernements-kapastuin nabij 
Martapoera, met het doel de Europeanen aldaar om te bren- 
gen. Toen zij van pandelingen die daar werkzaam waren 
vernamen dat er geen Europesche ambtenaren waren , namen 
zij alleen de gereedschappen mede. 's Anderendaags arres- 
teerde men te Bandjer twee kleinzonen van Djalil, die zich 
drie dagen te Antalangoe bij Hidayat hadden opgehouden en 
namens dezen hun grootvader moesten mededeelen dat de 
bevolking van Batang Balangan, van Tabalong en van alle 
plaatsen die den rijksbestierder waren toegedaan, zich naar 
Martapoera zoude begeven. 

Naar Hidayat's meening was de wanorde groot genoeg 
en de bevolking opgewonden genoeg, om het smeulende vuur 
des opstands te doen losbarsten; met rassche schreden na- 
derde het oogenblik, waarop hij de vruchten hoopte te plukken 
van zijn sedert lang in het duister beraamde plannen; het 
oogenblik waarop hij het masker afrukken en der wereld too- 
nen kon^ dat hij eer en pligt als gouvernementsdienaar met 
voeten trad, om met des te meer kans van slagen zich van 
den troon meester te maken, waarop datzelfde gouvernement 
een onwaardige had geplaatst. 

De noodzakelijkheid om over meer mihtaire magt te kun- 
nen beschikken, werd nu dringend gevoeld. Omstreeks het 



Digitized by VjOOQIC 



6^ 

midden der maand April vroeg de koramandant hulp van 
Java en huurde een goed gevs^apend vaartuig (de schoener 
Helraers) met Europeanen bemand om de hoofdplaats te 
dekken, ingeval de Moeningers hun voornemen ten uitvoer 
mogten brengen. 

Het valt ligt te begrijpen waarom de bevolking, aanvan- 
kelijk tegen den sulthan in opstand, ook tegen het Neder- 
landsch gouvernement de wapenen opvatte. In hare oogen 
toch was het Europeesch bestuur met dat van den sulthan 
één. Zonder eenige zelfstandigheid volgde de sulthan blin- 
delings de raadgevingen — die voor hem bevelen waren — van 
het bestuur. Werd de rijksbestierder al eens ondersteund 
in zijn gezag, onmiddellijk daarna had er een handeling plaats 
die bewees dat zijn bevelen werden tegengewerkt. Bij de 
laatste maatregelen, die uitsluitend betrekking hadden op het 
gebied des sulthans, was zelfs de vorst geheel buiten spel 
gelaten. De partij des sulthans, het Europeesch bestuur, 
kon dus verwachten dat de opstand tegen den sulthan, ook 
tegen het Nederlandsch gouvernement zou gerigt worden. 



Digitized by VjOOQIC 



HOOFDSTUK V. 



UITBARSTING VAN DEN OPSTAND. — MOORDTOONEELEN TE KA- 

LANGAN, ÖOENING DJABOK, AAN DE KAPOEAS EN KAHAIJAN. — 

VERDEDIGING VAN PENGARON DOOR BEECKMAN. 

De kolonel der infanterie Andresen, voorzien van instructiën 
van het gouvernement, ontscheepte den 29 April 4859 te 
Bandjermasin , nam 's anderendaags het militair kommando 
en den 4 Mei het civiel bestuur over, en schorste voorloopig 
den resident in zijne betrekking. Een inlandsche kompagnie 
(ongeveer 450 man) door Z. M. stoomschip Ardjoeno van 
Java aangebragt, debarkeerde gelijktijdig en werd kort daarop 
nog versterkt door de landingsdivisie van de Ardjoeno , sterk 
60 Europeanen, 20 inlanders en een houwitser. 

Geruchten omtrent de , insluiting van Pengaron noopten 
den bevelhebber een vast punt — Martapoera — tusschen 
de twee mijn-etablissementen Pengaron en Kalangan te be- 
zetten. Kapitein Ullman kreeg in last, zich met een deta- 
chement van een officier en vijftig bajonetten per Tjipanas 
naar Martapoera te begeven en den rijksbestierder Hidayat 
mede te deelen dat zijne komst het vreedzame doel had om 
de bevolking tegen kwaadwilligen te beschermen. 

Hidayat wilde den kapitein slechts zonder militair geleide 
ontvangen; de opgewondenheid der menigte die aan den 



Digitized by VjOOQIC 



64 

oever verzameld was , maakte dit echter ongeraden ; en toen 
Ullman onverrigterzake aan boord terug kwam, getuigde 
het voorbijdrijven van een menigte lijken van Europeanen, 
dat aan den vredelievenden toestand een einde was gekomen. 

Een priester , vergezeld van een volgeling kwam aan boord 
van den stoomer en bood een geschenk aan van vruchten en 
rijst. Een inlandsch artillerist merkte op, dat hij de solda- 
ten telde en het geschut ontzegende; hij hield hem in het 
oog en volgde hem op den voet. Bij de kap van het ach- 
terdek, waarin eenige sabels waren opgehangen, vatte de 
priester eensklaps een dier wapens, riep amok, wilde den 
artillerist een houw toebrengen, doch werd door dezen voor- 
gekomen en zoodanig op het hoofd getroffen dat hij onscha- 
delijk nederzeeg. Het volk aan de oevers begon tegelijkertijd 
te vuren, en stak gedeeltelijk m sampangs van den oever 
af, doch het vuur der troepen verijdelde dien aanval. 

De sleper van Os naar Martapoera gezonden, stelde de 
Tjipanas — door het breken van het roer in ongelegenheid 
geraakt — in staat om den A Mei naar de hoofdplaats terug 
te keeren. 

De wederstand te Martapoera ontmoet, was niet het eenige 
bewijs van het feitelijk uitbarsten des opstands. Van alle 
zijden kwamen heillooze berigten in. Pengaron door 45 in- 
fanteristen onder den l^n luitenant Beeckman bezet, was door 
den vijand ingesloten; Marabahan, w^aar de 1* luitenant Ban- 
gert het bevel voerde, werd bedreigd; Kalangan was uitge- 
moord (28 April) ; een zestal Europesche mijnbeambten te 
Goening Djabok, en ook te Tabanio de posthouder (Mauritz) 
a%emaakt. In allerijl werd de 4^ luit. Thieme met 25 ba- 
jonetten met den stoomer van Os naar PoeloePetak gezonden 
tot redding der zendeUngen in de Daijaklanden ; hierdoor ont- 
kwamen de civiele gezaghebber van dat gewest en vier zende- 
lingen met vrouwen en kinderen aan de algemeene slagting. 
Op het berigt evenwel, dat de moordenaars van Kalangan met 



Digitized by VjOOQIC 



Viiii KiiW Y)RIC 

?UaUC U3RART 



Digitized by VjOOQiC 



**^i'i*^^ '\' "-" 




Digitized by VjOOQiC 



65 

twee ijzeren laadschouwen in aantogt waren, keerde Thieme 
onverwijld naar Bandjer terug zonder Tangohan aan te doen. 

Achtereenvolgend zullen wij de gebeurtenissen medede^len, 
die op verschillende punten van het rijk hadden plaats ge- 
vonden. 

Het leger der muitelingen om sulthan Koening verzameld , 
had zich namelijk op het einde van April in verschillende 
riglingen verspreid. Pangerang Antassari aan het hoofd van 
een aanzienlijke magt had Pengaron omsingeld. 

Pengaron bestond uit de woningen der mijngeëmployeer- 
den, van den militairen kommandant, den officier van ge- 
zondheid en een kaserne, en lag op 60 passen van de 
soengej Riam aan den voet van een rij heuvelen, die de 
plaats geheel domineerden. Beoosten en bewesten van het 
établissement, onder het geweerschot, bevonden zich de kam.- 
pongs van de matrozen der laadpraauwen en van de ketting- 
gangers, die zich goed gedroegen. Het mijnpersoneel bestond 
uit een administrateur, twee opzieners, een magazijnmeester, 
eenige voormannen , 400 kettinggangers en 250 a 300 Ban- 
djersche matrozen der laadpraauwen; de bezetting uit een 
officier, een onderofficier, 5 Europesche en 4>5 inlandsche 
militairen. Hoewel het, volgens het contract met den sulthan, 
niet geoorloofd was een benting aan te leggen of geschutte 
bezitten, bevonden zich echter twee éénponders op veldaf- 
fiiiten en twee anderen op rolpaarden ter plaatse. De vivres 
moesten maandelijks van Bandjer aangevoerd worden , de 
matrozen in hunne eigene verpleging voorzien. 

Toen de geruchten van den opstand bevestigd werden , 
nam Beeckman eenige maatregelen van veiligheid. Hij con- 
signeerde de bezetting, zond 's nachts sluippatrouilles uit 
eu liet overdag verkleede soldaten door de kampongs dwalen, 
om berigten in te winnen ; en toen men vernam , dat er wer- 
kelijk een vijandelijke drom in aantogt was en er een bevel 
kwam (7 April) om de kaserne te versterken, sloeg hij 

5 



Digitized by VjOOQIC 



66 



met kracht de handen aan den arbeid. Door 200 kettinggan- 
gers werden palissaden gemaakt waarmede Beeckman de kaser- 
ne omringde. Het buskruid-magazijn werd van de helling des 
heuvels verplaatst naar de voorgalerij der kaserne, waar men 
onder den grond een vak met planken had afgeschoten en 
met houtskool en sintels omringd ; tonnen en vaten werden 
met drinkwater gevuld , om ook bij brand te dienen , en bam- 
boelansen aangemaakt om er zestig der meest vertrouwde 
kettinggangers mede te wapenen. Binnen vierentwintig uren 
was de palissadering om de kaserne voltooid , met voldoende 
ruimte om, behalve de bezetting, het geheele Europesche 
mijn-personeel en de zieken te kunnen opnemen. Dien nacht 
naderde Antassari met 450 man tot op een halfuur van Pen- 
garon, met plan de bezetting te overrompelen; doch ver- 
nemende dat de verrassing onmogelijk was, gaf hij zijn 
voornemen op en wachtte de aankomst zijner geheele strijd- 
bende af. 

's Anderendaags ging Beeckman met den arbeid voort, liet 
twee ronde bastions aanbrengen en met twee éénponders 
bewapenen, en vroeg versterking en vivres aan vanBandjer. 
Den 29*^«" ontving hij eenigen voorraad rijst; door aankoop 
van varkens en karbouwen was hij dus voorloopig geappro- 
viandeerd. Door het maken van wolfskuilen en randjoe's , 
door het opruimen der tuinen werd bovendien het verdedi- 
gingsvermogen der versterking dagelijks verhoogd. Ook het 
mijn-étaWissement werd door den administrateur met een 
palissadering omringd, zoodat de geheele lengte dervuurlijn 
4600 el beliep. Niettegenstaande de herhaalde aanvragen 
van den administrateur aan den resident, kwamen er van 
Bandjer geen vivres voor de kettinggangers; dit had ten 
gevolge dat hun rantsoen op de helft moest verminderd wor- 
den, terwijl door ontbering van de gewone versnaperingen, 
als tabak, sirih, enz., de geest onder hen niet beter werd. 

Eindelijk kwam er den 28*^^" April des morgens tegen 7 



Digitized by VjOOQIC 



67 

uur een einde aan de onzekerheid, toen een matroos de 
tijding bragt dat een menigte gewapende menschen zich 
in den nabijgelegen kampong hadden verborgen. Aan- 
stonds vliegt alles te wapen ; zooals vooraf is bepaald , 
stellen Jansen, Floquet en Gosewitz zich ieder aan het 
hoofd hunner afdeeling binnen de palissadering. Aan de 
poorten en op de bastions staan soldaten op post; het fort 
wordt door de bezetting onder Beeckman verdedigd. Ter 
naauwernood is ieder op zijn plaats , of schreeuwende , tan- 
dakkende en uittartende nadert een driehonderdtal muitelin- 
gen. De voorsten dragen djimats (talismans) en roepen : 
)>schiet raaarl" Gosewitz brandt een éénponder af met 
schroot geladen. Eenige onkwetsbaren vallen; de overigen 
wijken naar den hoofdtroep. Slechts zeven voorvechters 
loopen door en beginnen de palissaden om te kappen; maar 
toen er weder twee getroffen worden, laten ze af. 

Later bleek het dat deze aanval, die den vijand vijftien 
man kostte, eenige uren te vroeg was begonnen. Ten 2 uur 
na den middag zou men van vier kanten tegelijk hebben aan- 
gevallen, zóó had Antassari het bevolen; maar de strijdlust 
was onbedwingbaar geweest. 

Beeckman rapporteerde het gebeurde aan den militairen 
kommandant te Bandjer; het rapport kwam evenwel niet te 
regt; de overbrenger werd vermoord. De matrozen-kam- 
pong, die den vijand kon dienen om de versterking bedekt 
te naderen , liet Beeckman den volgenden dag afbranden ; ook 
staakte men het mijnwerk, waarmede tot dusverre op stren- 
gen last van den resident was voortgegaan. 

Tot nu toe had men de matrozen meer vertrouwd dan de 
kettinggangers. Toen evenwel in één nacht (4 Mei) 94 ma- 
trozen tegelijk deserteerden en daarentegen slechts eenige 
kettinggangers wegliepen; toen in het geheel 165 matrozen 
tot den vijand overgingen, begreep Beeckman dat hij deJa- 
vaansche veroordeelden beter kon vertrouwen , en plaatste hij 



Digitized by VjOOQIC 



68 

bij eiken kettingganger een matroos op post, met last dezen 
bij het minste verraad neer te stooten. Dit verhief den Ja- 
vaan en voorkwam verdere desertie. Eenige dagen later 
werden elf kettinggangers , die het vee verzorgden, door den 
vijand vermoord; de overigen dachten er toen niet meer 
aan , om zijne partij te kiezen. 

In den ochtend van den 8^**" Mei verzamelde zich een tal- 
rijke bende op de hoogten achter het étabUssement , een andere 
aan de oostzijde. Na tot twee uur het fort te hebben beschoten, 
trokken zij af met achterlating van een vijftigtal posten rond- 
om het établissement, die vooral 's nachts de schildwachten 
zochten te bekruipen. Een patrouille, uitgezonden om ook 
den kampong der kettinggangers af te branden , joeg boven- 
dien een zwerm vijanden op , die zich reeds in de buitenste 
huizen hadden genesteld. 

Den volgenden dag daagden wederom een duizendtal ge- 
wapenden op, die positie namen; hunne tirailleurs kropen 
als slangen door het gras en naderden ongemerkt. Zoo- 
dra de dag aanbrak, openden zij het vuur en mikten voor- 
namelijk op de Europeanen ; de heer Jacob kreeg een schamp- 
schot, de fuselier Middeldorp een kogel in de dij; de affuit 
van een éénponder werd bijna onbruikbaar geschoten. Beeck- 
man liet zijne manschappen slechts op 60 pas afstands schie- 
ten en koos de beste schutters uit, om op verdere afstan- 
den te vuren. Een bende naderde tot op 60 passen van de 
palissadering, doch hield niet stand toen verscheidene hun- 
ner vielen. — Dergelijke aanvallen hadden den 10*°, 11*" en 
16*" plaats; aan de slechte behandeling der vuurwapens was 
het toe te schrijven, dat het vuur van de dominerende 
hoogten de bezetting niet meer schaadde. De soldaten raak- 
ten gemeenzaam met die gevechten. Lag een Bandjerees op 
eenigen afstand zijn geweer aan, de soldaat bepaalde zich 
met een laadstok of wisscher hetzelfde te doen en had dan 
het genoegen den held in het gras te zien neêrbukken en 



Digitized by VjOOQIC 



69 

verdwijnen ; bemerkte deze dat er geen schot volgde en hij 
uitgelagchen werd, dan volgde een vloed van scheldwoor- 
den, dan naderde hij nog meer, totdat een goed gerigt schot 
hem deed vallen. 

Bestond er geen reden meer om den vijand , hoe sterk hij 
ook mogt opdagen, te duchten, meer zorg baarde hetvoor- 
uitzigt van gebrek aan vivres. Geloofde men de loopende ge- 
ruchten , dan waren de soldaten die Beeckman onder zijne 
bevelen had, de eenige overgeblevenen uit het geheele Ban- 
djersche rijk, dan woei de Nederlandsche vlag nog alleen te 
Pengaron, dan was de hoofdplaats even als Kalangan uitge- 
moord. Daar al de boden, door Beeckman uitgezonden, in 
handen van den vijand vielen en afgemaakt werden; daar 
dag op dag voorbij ging zonder dat men eenig berigt ver- 
nam; daar men geen de minste poging van het gouverne- 
ment te Bandjer ontwaarde om de gemeenschap te herstel- 
len, moest men wel het ergste vreezen. 

Beeckman wijdde voor het oogenblik al zijne zorgen 
aan de approviandering van het établissement. Al het slagt- 
vee was in handen des vijands gevallen; voor de ketting- 
gangers en pandelingen bleef er den 3**®° Mei nog slechts 
een voorraad van ii dagen rijst en zout over. Het rant- 
soen was derhalve op het minimum gebragt. Gedurig ruk- 
ten 60 a 70 kettinggangers onder een Europeesch ge- 
ëmployeerde, en begeleid door een tiental bajonetten, uit 
om padie van de velden te snijden. Beeckman, die som- 
wijlen zelf mede ging , ontdekte eens twee padiemagazijnen 
van deii vijand; en terwijl de kettinggangers den buit in 
de praauwen overbragten, hield hij den vijand in bedwang. 
De vijandelijke magt, die Pengaron op geweerschotsafstand 
insloot, was nergens sterk genoeg om een handvol bajonet- 
ten te weerstaan; vóór dat zij zich vereenigd had, was 
het doel bereikt en trok men achter de palissaden terug. 
Eenmaal avanpeerde Floquet tot aan de mijnen en ontwaar- 



Digitized by VjOOQiC 



76 

de dat de vijand zich daarin nog niet had gewaagd; wel 
had deze verbrand en vernield wat in zijn bereik viel, zelfs 
had hij van de voertuigen beweegbare barrikaden gemaakt 
door ze met zware planken te beslaan, doch waarschijnlijk 
niet genoeg vertrouwen gesteld in dit middel van eigene 
vinding, om er de sterkte gedekt mede te naderen. 

In den nacht van den 12***^° Mei maakt een kettingganger 
amok. De officier van gezondheid Diepenbroek, die in den 
voornacht de wacht had, ligt bij het kettingkwartier leven- 
loos op den grond. Floquet is op het gegil van Diepenbroek 
naar buiten gekomen , ziet een kettingganger met een degen 
in de hand naast zijn slagtoffer staan, krijgt op zijn beurt 
een slag over het hoofd en, toen hij een steek afweert, 
diepe wonden in de hand. Een soldaat schiet te hulp, ver- 
wondt den kettingganger, die nu zijn heil in de vlugt zoekt. 
Op het geroep van »amok" en i>brandal masok" (de vijand 
dringt binnen) is ook Beeckman van zijn nachtleger opge- 
sprongen, vliegt met eenige manschappen naar het bastion 
en ziet iemand over de palissaden klimmen en ontvlugten. 
Een vijftig geweren branden los, de vlugteling valt, doch 
staat weer op en ontkomt in het bosch. — Door den dood 
van Diepenbroek moesten nu de gekwetsten en zieken aan 
de zorg van den menagemeester worden overgelaten. 

Den 17^^° werd de bezetting door een nachtelijken aanval 
gealarmeerd. Zonder het krijgsgeschrei aan te heffen, doch 
pijlsnel, schieten een twintigtal voorvechters, door lange 
schilden gedekt en slechts met ontblooten klewang gewapend, 
op een der bastions toe. De voorste plaatst zijn schild, dat 
van binnen met treden voorzien is, tegen de palissadering 
en klimt naar boven. Met groot getier gaan de matrozen, 
die daar op wacht zijn, op de vlugt; de kettinggangers blij- 
ven staan, doch op een afstand. Panas, een inlandsch sol- 
daat, gevolgd door Floquet, springt op het bastion en steekt 
den voorvechter overhoop, zoodat deze achterover in de rand- 



Digitized by VjOOQIC 



71 

joe's valt. Zijne makkers, bemerkende dat de overrompeling 
mislukt, laten hem in den steek en zetten het op een loo- 
pen. Bij het aanbreken van den dag vindt men het lijk en 
het lange schild van den voorvechter nabij de rivier. 

Een paar dagen later zond Antassari een brief, waarin 
hij mededeelde dat ,Pengaron niet meer zou aangevallen 
worden en dat hij de bezetting rijst zou zenden , als zij 
het noodig had. Wilde hij den schijn van vredelievend- 
heid aannemen , nu 't hem bekend was dat er versterking 
van Java was aangekomen en hij vermoedde dat Penga- 
ron spoedig ontzet zou worden , of hoopte hij de bezetting te 
verschalken, zorgeloos te maken en daarna te overrompelen? 
Hoe het zij , het bleef bij dien brief. Men hield Pengaron 
naauw ingesloten ; geen zendeling gelukte het de vijandelijke 
linie door te sluipen en de meesten die op kondschap wer- 
den uitgezonden, voegden zich voorzigtigheidshalve bij de 
opstandelingen. 

Langzaam kropen de dagen en weken voorbij ; bezorgder 
werd de toestand , en al kleiner en kleiner werden de rations 
voor de verdedigers. Beeckman , aan wien het lot der dap- 
pere soldaten was toevertrouwd, peinsde reeds op maatre- 
gelen , om op de een of andere wijs een einde aan dien toe- 
stand te maken. Nog altijd bleef hem over om, zich met de zij- 
nen op praauwen in te schepen en door den vijand heen te 
slaan , een poging te doen om de kust te bereiken en daar 
de komst van een schip af te wachten. Maar het oogenblik, 
om de plaats te verlaten die aan zijne bescherming was toe- 
vertrouwd, was nog niet daar. Gelukkig kwam het niet; 
een zendeling van Bandjermasin sloop door de vijandelijke 
linie , van dien kant minder naauwkeurig bewaakt ; die zen- 
deling boodschapte dat kolonel Andresen in aantogt , en het 
ontzet zeker was. Blijmoedig wachtte men sedert dien dag de 
komst der troepen af, die vivres , volop vivres , zouden me- 
debrengen; en ook den 18**«"Junij, na twee maanden van alle 



Digitized by VjOOQIC 



72 

gemeenschap afgesloten geweest te zijn, kWam er eindelijk 
uitkomst. 

Een tweede bende van sulthan Koening's strijdmagt was 
inmiddels naar Martapoera opgerukt, doodde een opziener 
•der mijn Julia Herminia , zond een afdeeling naar Goenong 
Djabok , maakte een zestal mijnbeambten af en vernielde de 
werken (3 April). — 

In de nabijheid van Kalangan, te Soengej Doerian, ver- 
toonden zich den 30^° April de eerste muitelingen. De heer 
Wijnmalen trok hen te gemoet aan het hoofd van eenige 
Europesche en inlandsche geëmployeerden en zag de muite- 
lingen overhaast de vlugt nemen. Waarschijnlijk waren de 
Hoofden nog niet aangekomen. Den volgenden dag (1 Mei) 
waren echter allen daar tegenwoordig, zoowel hadji's als 
prinsen. Nu begon het bloedbad. Onder het uiten van vreug- 
dekreten werden meer dan twintig mannen , vrouwen en 
kinderen meêdoogenloos afgemaakt; slechts enkele vrouwen en 
meisjes werden gespaard voor de harem's der Hoofden. Wat 
niet medegevoerd kon worden, werd vernield; de mijngale- 
rijen verwoest, niets gespaard. Ieder voorwerp toch, dat 
aan het vroeger verblijf der Europeanen herinnerde , moest 
voor eeuwig uit Bandjer verdwijnen. 

Hidayat's oom, radin Ardhi Kesoema had de leiding der 
plundering op zich genomen; Antassari en Amin Oelah had- 
den zich van Pengaronnaar het moordtooneel gespoed , doch 
van Hidayat was de last tot de verwoesting van Kalangan uit- 
gegaan. 

Wel is hieraan een oogenblik getwijfeld, toen een paar 
Bandjerezen in een getuigenverhoor mededeelden, dat Hi- 
dayat in een vergadering te Martapoera zijn hooge afkeu- 
ring over het gebeurde te Kalangan te kennen had gegeven, 
ja, geweend zou hebben op het zien der geroofde goederen; 
doch neemt men in aanmerking dat die getuigen trouwe 



Digitized by VjOOQIC 



73 

aanhangers van Hidayal waren ; dat hij een oogenblik be- 
rouw kan gevoeld hebben , vooral loen hem door kolonel 
Andresen vooruilzigten geopend waren om den troon te zul- 
len bestijgen indien hij aan de gruwelen van Kalangan on- 
schuldig was; eindelijk dat een menigte geloofwaardige per- 
sonen tegen Hidayat getuigden en het later aan bewijzen 
van zijn schuld niet ontbrak, — dan houdt alle twijfel op. — 

Een vierde bende , zamengesteld uit Moeningers en volk 
van Pleiharie , en geleid door eenige hadji's en prinsen (her- 
kenbaar aan hunne tombak berlilit), overrompelden den 3*^" 
Mei den posthouder Mauritz te Tabanio , vermoordden hem 
met zijn gezin, en namen bezit van het steenen fort. — 

Het moordziek volk van Poeloe Teloe zelve, door Soelil aan- 
gevoerd, overviel de zendelingen van Tangohan in de Kapoeas 
(distrikt Mantangy) en vanBoentaaiinBeneden-Kahayan. Vier 
zendelingen, drie vrouwen en zes kinderen kwamen daar 
om. — 

Door een tijdige vlugt en de goede gezindheid van het 
Daijaksche hoofd Soeta Ono en zijne ondergeschikte bevol- 
ning, gelukte het den zendeUngen te Marantahoe in het dis- 
trikt Sihong en te TamianLayang, in het distrikt Pathay, aan 
het moordend staal des vijands te ontkomen. 



Digitized by VjOOQIC 



HOOFDSTUK VI. 



KOLONEL ANDRESEN. — OPMARSCH NAAR MARTAPOERA. — 

HIDAYAT'S VLüGT. — PENGARON ONTZET. — GEVECHTEN 

NABIJ EN TE POELOE PETAK. — LUITENANT BICHON. 

In de moeijelijke omstandigheden, waarin het rijk ver- 
keerde toen de kolonel Andresen aan hel bewind kwam, 
was het noodzakelijk zonder uitstel een beslissing te nemen en 
volgens een vast plan te werk te gaan. Uit het vervolg zal 
blijken welke gedragslijn door dien hoofdolTieier werd gevolgd. 

Sulthan Adam had twee testamenten gemaakt. In een ver- 
gadering van prinsen, Hoofden en priesters, door den kolo- 
nel bijeengeroepen, bleek het dat de meesten het eerste 
testament, waarbij Tamdjid tot troonsopvolger werd be- 
noemd, voor een ondergeschoven stuk hielden, dat zijn ont- 
staan te danken had aan de zwakheid van den vorst enden 
invloed dien het bestuur op hem had uitgeoefend. Bij het 
tweede testament, in bezit van Hidayat, werd zijne vroegere 
wilsbeschikking nietig verklaard en de kroon van het Ban- 
djersche rijk aan Hidayat vermaakt, die 'den naam van sulthan 
Hidayat Oellah Hallil Illah zoude voeren,, en werd de vloek 
uitgesproken over ieder die in strijd hiermede zoude handelen. 

De vroegere moeijelijkheden over de troonsopvolging , de 
gebeurtenissen die tot de troonsbestijging van Tamdjid aan- 



Digitized by VjOOQIC 



75 

leiding gaven, en de groote liefde die men Hidayat algemeen 
toedroeg, waren zoo vele redenen om — wilde men aan 
den opstand een einde maken — den wensch van de rljks- 
grooten en bevolking te vervullen en Hidayat als sulthan 
te erkennen. Want gelukte het al, den opstand in de 
kiem te smoren, onder een Tamdjid zou het rijk nimmer 
een blijvende rust genieten. Met de verheffing van Hidayat, 
van wiens dubbelzinnigheid en ontrouw de nieuwe bevel- 
hebber destijds nog niet overtuigd en wiens schuld aan den 
moord te Kalangan toen niet bewezen was', tot de sulthans- 
waardigheid, werd een bloedige en langdurige oorlog voor- 
komen. Op dien grond besloot de kolonel in den geest der 
In Indië gewoonlijk gevolgde beginselen van staatkunde te be- 
proeven, om door vredelievende middelen zijn doel te bereiken, 
en mogt hij hierin niet slagen , eerst later zijne toevlugt tot 
de wapenen te nemen. 

Het was nu een eerste vereischte met Hidayat een onder- 
houd te hebben. Verschillende gezantschappen, meestal za- 
mengesteld uit vrienden van den rijksbeslierder , zoo als 
hadji Isa en pangerang Sjerif Hoesin, vertrokken in de 
maand Junij met brieven van Bandjer en deden pogingen om 
Hidayat tot een onderhoud over te' halen. Het oogmerk werd 
evenwel niet bereikt. Nu eens verwees Hidayat de gezanten 
naar Antassari, die hen niet wilde ontvangen, dan weder 
.verklaarde hij zich bereid om den kolonel te ontmoeten , doch 
dat hij door zijne moeder , door het volk of door de pries- 
ters werd teruggehouden. 

De beide laatste brieven van het bestuur werden in groote 
vergaderingen van prinsen en priesters en Hoofden voor- 
gelezen, en met algemeene stemmen, waarbij die van de 
pangerangs Tjitra en Ardhi Kesoema , van Amin Oelah en 
vooral van Hidayat's moeder zich het luidst deden hooren, 
verzette men zich tegen zijn vertrek. 

Aan het verzoek om Amin Oelah naar Bandjer op te zen- 



Digitized by VjOOQIC 



76 

den, voldeed Hidayat evenmin »omdat deze hera in zijne 
bezigheden behulpzaam was." 

Inmiddels ontscheepten ter hoofdplaats (op 1 en 2 Junij) 
vijf kompagniën van het 9« bataillon ; 

4 bronzen kanonnen van 3 pond; 

2 houvsritsers ; 

2 mortieren van i2| duim; 

43 artilleristen met bediening, en een halve kompagnie 
sappeurs , door den kolonel aangevraagd en per Ardjoeno en 
Montrado van Java overgebragt. De oorlogsstoomer Gelebes 
en de gouvernements civiele boot Boni kwamen nagenoeg 
gelijktijdig op Bandjer, de laatste met den nieuw benoem- 
den resident Bosch, die tot vervanging was gezonden van 
den uit zijne betrekking ontheven voorganger, en de benoe- 
ming van den kolonel Andresen tot gouvernements commis- 
saris en kommandant der troepen. 

Nu werd bij publicatie het geheele rijk van Bandjermasin 
in staat van oorlog en verzet verklaard , en stoomde men (41 
Junij) met de nieuw aangekomen krijgsmagt, versterkt met 
de landingsdivisie der oorlogschepen Ardjoeno, Gelebes en 
Montrado, groot HO bajonetten, naar Martapoera. 

De magt was verdeeld in voortroep, hoofdtroep en reserve. 
De voortroep onder bevel van den kapitein van Oijen , bevond 
zich op de Boni , die met één houwitser en één drieponder 
was gewapend, zeven ijzeren laadschouwen , een tjunia met 
de vivres en het noodige voor de veldambulance met zich voerde, 
en twee gewapende sloepen van de Ardjoeno op sleeptouw had. 
De hoofdtroep onder aanvoering van den luitenant-kolonel Boon 
van Ostade, was met den staf der expeditie aan boord van de 
Celebes , die door den sleper van Os, gewapend met twee draai-' 
bassen en één 2 ponder, de Gelebes behulpzaam was bij het 
omgaan der scherpe rivierbogten. Vier gewapende sloepen, 
bemand met een gedeelte der landingsdivisie, waren bestemd 
om het debarkement bij lagen waterstand te ondersteunen. De 



Digitized by VjOOQIC 



77 

voortroep was voorzien van 25 infanteriepatronen voor ieder 
geweerdragend man en voor S dagen vivres; de hoofdtroep 
bovendien van 50 schoten en worpen, 100 patronen en 10 
dagen vivres voor de geheele magt. Hei overige stond on- 
der bewaring der reserve (kapitein Hartsleen). Als alge- 
meene regel gedurende den togt was voorgeschreven dal 
's morgens te 5^ uur zou worden gegeten en gekookt voor 
den geheelen dag, en dat ieder man zijn eten zou mede- 
voeren. Met het vooruitzigt van, eenmaal gedebarkeerd, meestal 
zwaar begroeid terrein te moeten doortrekken en met blanke 
wapens aangevallen te worden, waren de troepen geoefend 
in de opstelling van een en twee gelederen, naar beide zijden 
front temaken en het vuur zoodanig te regelen dat onder iedere 
omstandigheid de helft der geweren geladen was. Plunderen en 
verbranden van kampongs was op strenge straf verboden. 

Men had vernomen dat onder bevel van Antassari, de 
kraton door 3000, de missigit door 500 en het residentie- 
huis door 250 manschappen van Moening, Benoea Lima en 
Tanah Laut bezet waren, en dat het plan bestond zich tot het 
uiterste te verdedigen. Toen de stoomers (12 Juntj) nabij 
de missigit voor anker kwamen , begaven pangerang Sjerif 
Hoesin en hadji Isa zich aan wal, overtuigden Antassari van 
het dwaze om zich te verzetten, en zochten daarna Hidayat 
op in zijne woning te Karang Intan. 

Bij een verkenning met de gewapende sloepen onder bevel 
van den luitenant ter zee van Alphen (13 Junij) , bleek het 
dat de plaats door den vijand ontruimd was. De kolonel 
begaf zich daarop met een klein geleide naar het residen- 
tiehuis en ontving den rijksbestierder en vier prinsen, die 
met een groot gevolg hunne hulde kwamen brengen aan den 
vertegenwoordiger van het gouvernement. Zonder tegenstand 
werd dien dag nog de kraton door den voortroep bezet. La- 
ter op den dag ontscheepte de hoofdtroep en betrok het bi- 
vak op de alon-alon voor den kraton. Het volk hoewel ge- 



Digitized by VjOOQIC 



78 

wapend, scheen even als de Hoofden, de bajonetten te eer- 
biedigen. Tegen het vallen van den avond echter drong een 
gewapende bende naar den kraton, doch het vooruitschuiven 
der schildwachten was voldoende om haar staande te houden 
en daarna geheel uitéén te doen gaan. In een vergadering 
van Hoofden (14 Junij) ook door den rijksbestierder bijge- 
woond, maakte de kolonel bekend hoe men zich te gedragen 
had om vijandelijkheden te voorkomen. 

Nadat de vivres en munitie aan wal gebragt waren , en 
ook de reserve binnen den kraton gerukt was, vertrok ein- 
delijk (15 Junij) een kolonne onder van Oijen, sterk 250 
bajonetten , een detachement artillerie en sappeurs , langs den 
regter oever van de Riam Kanan naar Pengaron. Den derden 
dag berigtte een der gidsen, dat een duizendtal vijanden 
zich in den alang-alang (hoog rietgras) verscholen had om de 
kolonne te overvallen. Van Oijen bleef voortmarcheren langs 
het jaagpad en liet, zoodra zijn flankdekking eenige gewa- 
penden ontdekte, de voorwacht links uit de flank maken en 
onverhoeds op den vijand instormen. Met een verlies van 30 
dooden en een groot aantal gekwetsten sloeg de vijand op 
de vlugt. 

Den 18«° Junij werd Pengaron bereikt op het oogenblik 
dat de vijand een nieuwen aanval wilde beproeven. Bij de 
komst der kolonne stoof de bende echter uit een. 

Inmiddels rukte (16 Junij) de kolonel met den hoofd- 
troep onder Boon van Ostade naar Goenong Lawak, waar 
de vijand zich volgens ingekomen berigten verzameld had. 
Niets vindende, liet de kolonel den hoofdtroep halt houden 
en rukte met 100 man onder kapitein Graas naar Kalangan. 
Die plaats leverde een treurig tooneel van verwoesting op; 
geen enkel voorwerp was gespaard gebleven. Boon van Ostade 
liet onderwijl den kampong Goenong Lawak onderzoeken, 
vond in ieder huis geroofde voorwerpen van het établisse- 



Digitized by VjOOQIC 



79 

ment en arresteerde pembekkel Taha , die deel had genomen 
aan de gruwelen te Kalangan gepleegd. 

Toen de kolonel naar Goenong Lawak terugkeerde, en het 
bleek dat er koelies ontbraken om de gevonden goederen te 
dragen, bood een der gidsen zich aan om eenige menschen 
Ie pressen die zich in een enkel huis ophielden. Toen hij 
daarin niet slaagde, werd de 1^^ luitenant-adjudant Pfeiffer 
derwaarts gezonden, die' er twee gewapenden aantrof. Een 
dezer trad met gevelde lans op hem toe, doch werd gedood; 
de andere ontvlugtle. Den 17«" was de kolonne te Martapoera 
terug. Toen Boon te Karang Intan bivakkeerde, vond hij 
Hidayat's moeder aldaar met ter woon gevestigd. Den vol- 
genden dag was zij evenwel verdwenen , en wel om de vol- 
gende reden. 

Twee brieven van Amin Oelah , na den moord van Kalangan 
op last van Hidayat geschreven, waarbij een paar priesters aan- 
gespoord werden om zich aan te sluiten bij de opstandelin- 
gen die Bandjermasin zouden aanvallen, kwamen in handen van 
den kolonel Andresen. Hierover willende spreken , liet Andre- 
sen Hidayat door den panghoeloe Mohamad ontbieden. Deze 
verried het voornemen van den kolonel ; en Hidayat , beducht 
voor zijne vrijheid, maakte zich met zijn gezin uit de voe- 
ten, en schreef den kolonel toen, dat hij zijn moeder ging 
opzoeken. Pangerang Wira Kesoema en de vrouwen van 
Amin Oelah en Antassari volgden zijn voorbeeld en verdwe- 
nen uit Martapoera. 

Opeen vergaderingvan tachtig Hoofden, den 49®«Junij bij- 
eengeroepen , maakte de kolonel de vlugt van den rijksbestier- 
der bekend , noodigde ieder uit hem in zijne nasporingen be- 
hulpzaam te zijn en den voortvlugtigen vorst te verzekeren dat 
hij zich niet noodeloos beangst behoefde te maken. Toen 
hij daarop in omvraag bragt, door welke middelen de orde 
en rust in het rijk het spoedigste hersteld zouden kunnen 
worden , verklaarden allen onder min of meer bedekte ter- 



Digitized by VjOOQIC 



80 

men, dat er een ander vorst op den troon naoest komen, 
en wezen de meesten Hidayal aan als plaatsvervanger van 
Tamdjid lUah, 

De kolonel droeg toen het bevel der expeditionaire magt 
op aan den kapitein-luit. ter zee van Hasselt en begaf zich 
naar Bandjermasin (21 JmiLj), belegde ook daar een vergade- 
ring van Hoofden , en toen deze denzelfden wensch uiteden, 
deed sulthan Tamdjid Illah Alwas sikh Bilah , op den 25®° Junij 
afstand van den troon en werd (den 15®° JulLj) perArdjoeno 
naar Java overgebraigt. Voorloopig werd het bestuur van het 
rijk opgedragen aan de pangerangs Soeria Mattaram en Moha- 
mad Tambak Anjer. 

Voor Hidayat was de kans om op den troon te komen 
nu schooner geworden dan ooit. Prinsen en Hoofden werden 
herhaaldelijk door den commissaris uitgezonden om hem 
tot terugkeer aan te sporen, doch geen afgezant raogt het 
gelukken Hidayat er toe over te halen. Welligt stelde hij 
geen vertrouwen in de beloften des Commissaris ; doch meer 
waarschijnlijk is het, dat het gevoel van schuld hem be- 
let Je zich in zijne handen te wagen. Hoe het zij, in den 
beginne bleef hij zich te Martagiri ophouden, weldra echter 
trok hij dieper in het land terug, en vertoefde bij afwisseling 
naar gelang der omstandigheden te Amoenthay, Kendangan 
en Balangan, terwijl hij steeds door Djalil en een sterke bende 
krijgslieden werd vergezeld. Zijne zending in het laatst van 
1858, om de rust in de Benoea Lima te herstellen — dat 
bleek nu duidelijk — had hem gediend om den aanhang ie 
verwerven , die hem thans te stade kwam. 



Inmiddels was de civiele schooner Tjipanas onder bevel 
van den It. ter zee Glifford met een detachement van 15 
infanteristen en 4 artilleristen onder den 2 luit. Bichonnaar 
Poeloe Petak gezonden , met last om dienpost te bezetten of 



Digitized by VjOOQIC 



81 

te hernemen, indien de vijand er zich meester van gemaakt 
had. De civiele gezaghebber Maks bevond zich mede aan 
boord. Palankie nabij Poeloe Petak, was verlaten en de wo- 
ning des zendelings geplunderd. Ook de bevolking van F'oe- 
loe Petak had zich in de wildernis terug getrokken. Een 
Chinees en een getrouw Daijaksch hoofd bevestigden den 
moord der zendelingen. De muitelingen, versterkt met 125 
pandelingen, die deel genomen hadden aan den moord van 
Kalangan en meester waren van vier geroofde ijzeren laadpraau- 
wen, hadden zich onder aanvoering van pembekkel Soelilen 
goesti Assin te Poeloe Teloe, aan de monding der Kapoeas 
genesteld. Daar verzamelden zij de praauwen van de Europe- 
anen geroofd en waren van plan de gouvernementspraauw van 
den civielen gezaghebber, die van de Kapoeas terug ver- 
wacht werd, op te ligten. Vele Daijaks, die in April 
geweigerd hadden aan de oproeping van den resident te 
voldoen om naar Bandjer op te komen, voegden zich bij hen ; 
reeds was hun getal tot 700 koppen aangegroeid. Marabahan 
zou het eerst aangevallen worden. Zekere goesti Gani on- 
derzocht op eigen gezag alle vaartuigen tusschen Poeloe Pe- 
tak en Marabahan , terwijl de gemeenschap met Bandjer door 
een broeder van Djalil werd gestremd. 

Den volgenden morgen ontdekte men van de Tjipanas 
een paar verdachte vaartuigen. Daarop afgaande, bereikte 
men een half uur beneden Poeloe Petak een praauw, die ge- 
stolen goederen van vermoorde zendeUngen bevatte en door 
een wel aangebragt schot schroot genomen werd. Nu werd 
de boeg naar Barimba gewend. Een zestal matrozen met een 
sloep aan wal gezonden , onderzochten de huizen en vonden 
er geroofde voorwerpen. Eensklaps kwamen een dertigtal 
Daijaks met pijl en boog uit het hout te voorschijn en deden 
een aanval; door het vuur van boord teruggedreven, lieten 
zij de aanwezige djoekongs (vaartuigen) in handen der ma- 
trozen, die den brand in den kampong staken. 

6 



Digitized by VjOOQIC 



Van Barimba stoomde men voorbij Poeloe Teloe naar Tan- 
gohan en redde daar het gezin van een omgekomen zen- 
deling. Poeloe Teloe werd een half uur beschoten , doch 
kon door gebrek aan tijd en kolen niet vernield worden. 

Het zoutpakhuis van Poeloe Petak, op weinige passen van 
den rivieroever en hooger dan de kampong gelegen, werd 
nu in staat van verdediging gebragt; de bezetting eerst tot 
40 en daarna tot 60 man gebragt. Daar de inwoners der 
plaats van lieverlede uit hunne schuilhoeken terugkeerden, ont- 
brak het niet aan handen om grachten te graven, bastions 
op te werpen en palissaderingen te maken. Maar lang voor 
dat de verdediging voltooid was , beproefde de vijand een 
gecombineerden aanval van de land- en zeezijde , en koos daar- 
voor een dag uit waarop de Tjipanas afwezig was , waarmede 
Clifford onophoudelijk kruistogten deed en ook reeds een ijze- 
ren laadschouw had teruggevonden. 

Den S^ Junij namelijk kwam des avonds een kampongshoofd 
met het berigt, dat een vloot van 40 oorlogspraauwen de 
rivier afzakte. Bichon stelde de bevolking gerust, maar 
nam zijn maatregelen van voorzorg. Op de halfvoltooide bas- 
tions liet hij een paar éénponders plaatsen , zond de barkas 
met een tiental soldaten naar het benedeneinde des kam- 
pongs, detacheerde een gelijke afdeeling op de plaats waar 
de weg in de wildernis loopt en belette daardoor den vijand 
zoowel te water als te land, om onverhoeds in den kam- 
pong te dringen. Nu liet hij een vlaggestok en daarop een 
noodsteng oprigten, en heesch toen, na eenige toepas- 
selijke woorden, met een, »leve de koning*' de Nederland- 
sche vlag. 

Bij het eerste morgenlicht kwam een groote praauw uit 
een kreek ■ te voorschijn , gele vlag en wimpel in top voe- 
rende en door veertig kleinere vaartuigen gevolgd. Op hon- 
derd passen van de barkas gekomen, kreeg de voorste 
praauw een kartetsschot , met dat gevolg dat de vlag neêr- 



Digitized by VjOOQIC 



83 

tuimelde en er een gejammer van gekwetsten opsteeg. 
Onder het herladen van het stuk opende de bemanning der 
barkas dadelijk het geweervuur. 

De vijand loste een tiental lilla's zonder de barkas te tref- 
fen; zijn geweervuur was even onschadelijk als zijne vergif- 
tigde pijlen. Hij week daarom naar zijn schuilhöek terug, 
herstelde zich daar, kwam met opgerigte vlag weder en be- 
gon ten tweedenmale een vuurgevecht. 

Inmiddels ontving Bichon berigt van het aanrukken eener 
vijandelijke bende, sterk !200 man , die zich een weg door 
de wildernis baande, om de versterking — die van achteren 
nog open lag — van de Jandzijde aan te vallen. Aan de veld- 
wacht en de barkas lastgevende om langzaam op de verster- 
king te retireren, stelde hij de bezetting in een gunstige 
positie op , met dat gevolg dat de bende geen aanval waagde 
en in het digte hout terugtrok. 

De vloot aan het vernielend vuur der barkas blootgesteld, 
beantwoordde de salvo's gedurig flaauwer en trok einde- 
lijk terug. Nu wierp Bichon zich met eenige manschappen 
in een sloep, en zette tegelijk met de barkas den vijand 
na. De haast die deze maakte om uit het gezigt te komen, 
belette echter een hardnekkige vervolging. Negen praauwen 
werden buit gemaakt, vier lijken gevonden; de vijand voerde 
een vijftigtal zijner dooden en gewonden mede. 

Den e**" Junij kwam de Montrado, kommandant de Haes , te 
Poeloe Petak, ontscheepte een Sponder, maakte daarna een 
verkenning naar een versterking te soengej Besaran en be- 
schoot die gedurende ij uur zonder uitslag. De vijand be- 
antwoordde het vuur met een dertigtal kogels, waarvan er 
eenige door de boorden der barkas drongen. Die versterking 
bestond uit een houten borstwering van 12 voet hoog en 4- 
a 6 voet dik, met een binnenwaartsche helling. Boven den 
waterspiegel waren schietgaten uitgespaard tot bediening der 
lilla's, der geweren en der drie aanwezige stukken geschut. 



Digitized by VjOOQIC 



84 

Vierhonderd ellen landwaarts in lag een tweede versterking, 
om tot reduit te dienen. 

Eenige dagen daarna ontving de 'civiele gezaghebber een 
uitdagenden brief van pembekkel Soelil, die hem uitnoodigde 
in zijne versterking aan de soengej Besaran een bezoek te 
brengen en daar »met kogels te spelen", of wel naar Ban- 
djer te gaan , waar de pembekkel hem tegen de volgende 
nieuwe maan met een groote magt zou opwachten. Den 
22sten ontving Bichon berigt , dat de vyand in aantogt was ora 
de versterking van Poeloe Petak te vuur en te zwaard te ver- 
woesten. Toen er 's nachts echter niets voorviel , ging de 
Tjipanas , met een tiental soldaten versterkt, een verkenning 
maken, doch ontdekte geen vijand. Eerst tegen één uur 
na den middag zag de schildwacht de flotille. Nu ging de 
Tjipanas , met zijne batterij van zeven stukken en de ge- 
wapende barkas , den vijand te gemoet. Acht honderd ellen 
van Poeloe Petak geraakte men slaags. Het gevecht duurde 
tot zes uur, zonder dat de vijand tot wijken kon gebragt 
worden. Hij verloor wel eenige kleine praauwen, tot tweema- 
len toe werd de gele vlag neergeschoten, doch ook tweemalen 
weer opgeheschen. De groote vaartuigen waren dermate 
versterkt, dat zij het geschutvuur der Tjipanas konden trot- 
seren. Toen het donker was geworden kwam de Tjipanas 
voor Poeloe Petak terug, tot verbazing der inlanders die 
zich van de kracht van dit vaartuig een veel grooter denk- 
beeld hadden gemaakt. Doch 's anderen daags toen de Mon- 
trado met zijne SOponders een einde aan de zaak wilde 
maken , bleek het reeds hoe zwaar de vijand was geteisterd. 
Geheel ontmoedigd door den strijd van den vorigen dag, had 
hij reeds zijne versterkingen te soengej Besaran verlaten, de 
laadschouwen geborgen en de v^jk naar elders genomen. Drie 
laadschouwen en vier lilla's vielen den onzen in handen; de 
versterking werd vernield. 

Aan middelen om zich van de geleden verliezen te 



Digitized by VjOOQIC 



85 

herstellen ontbrak het den pembekkel Soelil echter niet. 
Spoedig vernam men te Poeloe Petak, dat te soengej Kayoe 
schansen opgeworpen en drie versterkte vlotten in gereed- 
heid gebragt werden; dat Soelil, die zijne bevelen van pange- 
rang Antassari ontving, het voornemen had om eerlang een 
nieuwen aanval op Poeloe Petak te doen , waarbij de vlotten 
(kolta mara) de stoomschepen zouden bezig houden , terwijl 
de hoofdaanval met een groote magt aan de landzijde zoude 
geschieden. Op die berigten kwam de Celebes naar Poeloe 
Petak en stoomde (27 Julij) met de Tjipanas naar de soengej 
Kayoe om door een offensieve handeling 's vijands plan te verij- 
delen. Onder het vuur der nieuwe verschansingen vond men 
twee kotta mara's, waarvan er een nog niet voltooid was. 
Eerst na een vuurgevecht van vier uren kon men die vlotten 
meester worden en naar Poeloe Petak slepen. Het voltooide 
vlot, dat door zijn buitengewoon wederstandsvermogen het 
vuur der 30ponders uren lang trotseerde, was op de vol- 
gende wijze ingerigt. 

Een gewoon vlot uit zware boomstammen zamengesteld , 
werd bevloerd met planken en daarop een stevig geraamte 
van een huis gebouwd. Om dit geraamte plaatste men on- 
der een helling van 35° een dubbele rij losse balken, be- 
stand tegen het indringen van projectielen. Werd een balk 
vernield door langdurig geschutvuur, en ontstond daardoor 
een opening , dan viel het gat van zelf weder digt door den 
naasten losstaanden balk. Voor de schietgaten waren ope- 
ningen uitgespaard en deze met schuiven voorzien, evenals op 
de versterkte ijzeren laadschouwen. De binnenruimte, geschikt 
om een vijftigtal manschappen te bevatten, was door een 
zolder van balken , geheel bomvrij gemaakt. 

Doch ook door het verlies dier vlotten was de vijand niet 
ontmoedigd. Onophoudelijk om de versterking van Poeloe 
Petak rondwarende, liet hij geen pogingen na om de bezet- 
ting te kwellen en af te matten, 's Nachts hoorde men het 



Digitized by VjOOQIC 



B6 

veldgeschreeuw der Daijaks en over dag was er dikwijls alarm 
in den kampong , wanneer een spion ontdekt werd of ge- 
wapenden naderden en een patrouille uitrukte. Nu eens vond 
men de randjoebeplanting op het glacis vernield, dan weder 
een weg in de wildernis gehakt naar de achterzijde der 
benting. 

Eindelijk in den nacht van 23 op 24 Augustus, gelukte 
het den pembekkel Soelil den schildwacht te overrompelen 
en met eenige zijner stoutste volgelingen in de sterkte te 
dringen. Op het alarm vloog de bezetting te wapen en sloeg 
na een kort maar hevig gevecht den vijand naar buiten; zij 
verloor daarbij echter twee dooden; een zestal werd gewond. 
Bichon, de wakkere kommandant, wiens eerste stappen op 
het oorlogsveld zoo stout waren , wiens mannelijk gedrag 
zooveel deed verwachten , werd door een lanssteek doodelijk 
getroffen en stierf den heldendood. 

Bij het uitbarsten van den krijg met een handvol soldaten 
het binnenland ingezonden, had hij hulpelooze natuurgenoo- 
ten uit doodsgevaar gered, zich staande gehouden tegen een 
ondernemenden fanatieken vijand, en nagenoeg in diens ge- 
zigt een versterking opgerigt voorzien van grachten en bas- 
tions. In alle opzigten zich onderscheidende door kloek beleid, 
onwrikbare geestkracht en kalmen moed, drenkte hij ten 
laatste met zijn bloed den grond, waarvan elke schop aarde 
met een zweetdroppeL bevochtigd was. 

De luitenant ter zee Clififord Kocq van Breugel, die met de 
Tjipanas in de monding der Kapoeas lag, nam tijdelijk het 
kommando van den sergeant Schultheis te Poeloe Petak op 
zich, tot dat de luitenant der infanterie "Verstege hem kwam 
vervangen. 



Digitized by VjOOQiC 



HOOFDSTUK VIL 



GEVECHT VAN TJAMPAKKA. — AANVAL OP DEN KRATON TB 
MARTAPOERA. — VERMEESTERING VAN TABANIO. 

Reeds in het laatst van Juni) had de kolonel Andresen 
voorbereidende maatregelen genomen om de militaire opera- 
liën tegen Moening te rigten , en tot dat einde te Mataraman 
en soengej Raya versterkte posten doen oprigten, bezetten 
en van leeftogt voorzien. Ook in TanahLaut, waar de vij- 
and zich hoofdzakelijk te Pleiharie en Tabanio had genesteld, 
was het wenschelijk een togt te ondernemen. Daar de Moe- 
ningers zich evenwel door het geheele sulthansrijk hadden 
verspreid en voornamelijk de omstreken van Martapoera en 
het gewest TanahLaut onveilig maakten, achtte de kolonel 
het onraadzaam om het hoofdkwartier te verzwakken en het 
oorlogstooneel uit te breiden vóór dat de vijand geheel ver- 
dreven was ; hij gaf daarom aan de voorgenomen togten voor- 
eerst geen gevolg. 

Verschillende ontmoetingen van uitgezonden patrouilles met 
den vijand lieten geen twijfel omtrent zijn aanwezen in grooten 
getale. Het eerste gevecht werd te Tjampakka geleverd, een 
kampong op twee uur marcherens van Martapoera. Men had 
vernomen dat de vijandelijke bende de komst onzer troepen 
wilde afwachten. Kapitein Schiffmet 60 bajonetten derwaarts 



Digitized by VjOOQIC 



88 

gezonden, naderde over een golvende vlakte, met alang-alang 
en hout begroeid , ongemerkt den kampong , die omringd met 
levende paggers in een ravijn lag en aan de achterzijde 
door heuvels begrensd werd, die den vijand bij een terugtogt 
een dominerend vuur verschaften. Toen Schiff de positie 
verkend had, zond hij een klein detachement onder denadj- 
onderoflScier dd. officier Serquet, regts, een ander onder den 
sergeant Raabe links, om den kampong om te trekken. Op 
het storrasignaal, dat de vijand zeer onverwacht in de ooren 
klonk, tastten Schiff en Serquet van twee zijden de sterkst 
bezette huizen aan, verjoegen den vijand met verlies en 
vervolgden hem. Die geheele bende valt nu even onverwacht 
op het detachement van Raabe, dat in wanorde geraakt en 
terug trekt over een modderig riviertje. Hiervan maakt 
de vijand gebruik en tast op zijne beurt Raabe aan. Die 
brave onderofficier door ieder verlaten, moet nu voet voor 
voet wijken; zijn geweer weigert driemalen, hij kruist de 
bajonet met de lange lansen en krijgt wond op wond , totdat 
hem eindelijk 't geweer uit de handen valt. In den modder 
vastgeraakt trekt hij nog zijn kapmes, verdedigt zich wan- 
hopig, en bezwijkt ten laatste met een dertigtal wonden 
overdekt. De invallende duisternis maakte een einde aan 
het gevecht. 

Luit.-kolonel Boon van Ostade trok daarop met 120 man en 
een Sponder naar Tjampakka. Men beweerde dat de vijand 
zich op een korten afstand achter den kampong had opge- 
steld; doch de kolonne drong niet verder door, en keerde 
terug zonder iets verrigt te hebben. Voor het overige be- 
paalden de eerste ontmoetingen zich tot schermutselingen, 
waarbij de vijand na het wisselen van eenige schoten terug- 
trok. Aan moed ontbrak het hem echter niet; dit bleek 
ten duidelijkste door den stouten aanval op den kraton te 
Martapoera. 

Een bende van duizend man namelijk met geweren, lan- 



Digitized by VjOOQIC 



89 

sen en klewangs gewapend, en aangevoerd door demang 
Lehman daagt omstreeks vijf uur in den namiddag van den 
30*^ Junij onverwachts op, maakt den schildwacht af die 
aan de achterpoort op post staat, loopt de poort open, en 
dringt zonder geraas, zonder veldgeschrei den kraton bin- 
nen. Een tweede drom nadert tegelijkertijd langs den weg 
achter het residentiehuis , en klimt over de palissadering. 

Een hadji, door een tiental dweepzieke mannen gevolgd, 
is ieder vooruit , dringt met woede voorwaarts , velt alles 
wat in zijn bereik komt neer, en is reeds doorgedrongen 
tot de woning van den luitenant-kolonel Boon van Ostade. 

Door een gelukkig toeval stond de bezetting op de pas- 
seerbaan onder de wapens om te worden geinspecteerd. 
De wacht, op het alarm der schildwachten toegeschoten , 
kon daardoor onmiddellijk ondersteund worden. Een ander 
gedeelte veegde met een pelotonsvuur de passeerbaan schoon. 
De meeste uitwerking hadden een paar schoten uit den 
houwitser langs de groote achterpoort , want dit joeg den 
vijand op de vlugt. 

Pfeiffer , die met een handvol manschappen den weg achter 
het residentiehuis insloeg, zag de vlugtende massa, waar- 
onder verscheidene Hoofden te paard, in de rigting van 
soengej Pinang verdwijnen. De verkenning die kapitein Hart- 
steen dadelijk aan het hoofd zijner Europesche kompagnie 
in de omliggende kampongs maakte, bespoedigde 's vijands 
overhaasten terugtogt. 

Leverde deze verrassende aanvöd op het hoofdkwartier een 
nieuw bewijs van 's vijands stoutheid, hij wekte de onzen 
op, om meer op hunne hoede te zijn. Door een toeval 
toch was een schrikkelijk bloedbad voorkomen, dat onge- 
twijfeld in den kraton zou aangerigt zijn, indien de vijand een 
ander uur voor den aanval had gekozen. Thans bepaalde zich ons 
verlies tot drie dooden en zeven gewonden, terwijl de vijand tien 
dooden in den kraton achterliet en vele gewonden medevoerde. 



Digitized by VjOOQIC 



90 

De mislukte poging om zich van den kraton meester te 
maken, kon den vijand niet als een nederlaag toegerekend 
worden; want verslagen was hij niet. Dit bleek uit zijn 
voortdurend verblijf in den omtrek en uit den algemeenen 
toestand, die in den loop der maand Julij nagenoeg dezelfde 
bleef. 

Van Pengaron deed men verkenningen naar Mangkau en 
andere punten , die den vijand tot verzamelplaatsen dienden. 
Men verbrandde hier en daar zijne padieschuren, doch kwam 
niet met hem in aanraking. 

Een patrouille van 26 infanteristen onder den i«" luitenant 
Hempenius, uit Martapoera gezonden, was gelukkiger en 
stootte nabij soengej Paring op den weg naar Bassong eri 
Goenong Lawak, op een achtmaal sterkere bende. Hem- 
penius tast den vijand aan, dringt hem met verlies van 
eenige gewonden terug, en houdt stand bij een brug. Op 
zijn rapport, onverwijld naar het hoofdkwartier gezonden, 
is kapitein Hartsteen met 75 bajonetten toegesneld. De vij- 
and wordt nu andermaal aangetast en geheel verslagen. In 
het begroeid terrein voert hij , in kleine afdeelingen opgelost, 
zijne dooden en gewonden mede. 

's Anderen daags rukte Boon van Ostade met 120 bajo- 
netten en een handmortier naar Goenong Lawak, en keert- 
terug met het berigt dat hij op een verheven punt een ver- 
sterking gezien heeft. Andresen tast die (4 Augustus) aan 
met een kolonne van 250 man, verovert en verbrandt haar. 
Bij die gelegenheid ontving de 4« luitenant . der sappeurs 
Schepers een geweerschot in den schouder, doch bleef, met 
den kogel in de wond, tot het einde toe de voorwacht kom- 
manderen. 

Andresen had de roof- en moordzieke bevolking van Goe- 
nong Lawak een voorbeeldelooze tuchtiging toegedacht , doch 
was door hare vlugt in de wildernis verpligt zich te bepalen 
tot het in de asch leggen van den kampong. 



Digitized by VjOOQIC 



91 

Bentings op te werpen en daarachter stelling te nemen, 
werd van toen af de gebruikelijke taktiek des vijands. 
Hadden de meeste ontmoetingen tot nu toe slechts geleid 
om de opstandelingen overijld in de wildernis te zien ver- 
dwijnen, thans kwamen onze troepen meermalen in de ge- 
legenheid met hen in naauwere aanraking te komen. 

Omstreeks dezen tijd ontving men het zekere berigt, 
dal de vijand het sedert 4854- door ons verlaten fort te 
Tabanio had bezet. Een inlandsch hoofd, dat zich door groote 
geestkracht en veel beleid onderscheidde, zekere Idis, had 
de leiding der verdediging op zich genomen. Van geringe 
afkomst, was Idis in 1857 op dertigjarigen leeftijd bij den 
rijksbestierder in dienst getreden, en wist hij spoedig het 
vertrouwen zijns meesters te winnen. Met den titel van kiay 
demang Lehman schonk deze hem het bestuur van Riam 
Kanan. In den opstand speelde Lehman een belangrijke rol 
en maakte, even als pangerang Amin Oelah van zijn invloed ge- 
bruik om een grooten aanhang te verwerven. 

De luitenant ter zee Cronenthal kreeg in last metdencivie- 
len stoomer de Boni en een paar gewapende sloepen van de 
Ardjoeno, Tabanio te verkennen. Door een onduidelijkheid 
bij het uitvaardigen der instructie, meende die officier zich 
niet tot een verkenning te moeten bepalen en liet, toen hij 
ongemoeid het fort was voorbij gevaren , zijne magt ontsche- 
pen op een punt waar hij door een uiterlijk onbezet bastion 
gedekt dacht te zijn. Naauwelijks aan wal zijnde, opende 
de vijand echter zijn vuur; in weinige oogenblikken vie- 
len twee dooden en werden Cronenthal, de luitenant ter zee 
Zwart en zeven manschappen ernstig gewond. De over- 
blijvenden moesten in allerijl terugtrekken. 

Voor dat deze nederlaag gewroken kon worden, achtte 
Andresen het noodig de positie van Tabanio zelf te verken- 
nen en den staat van zaken bij Poeloe Petak en deKapoeas 



Digitized by VjOOQIC 



92 

op te nemen. Tot dat einde liet hij een detachement infanterie 
sterk 70 bajonetten onder Hempenius op de Boni inschepen 
en stoomde, vergezeld van zijn adjudant — den zeeoflScier 
Adams — naar Marabahan en Poeloe Petak. Men legde hier en 
daar aan, om verkenningen te maken en halfvoltooide ben- 
tings omver te halen ofte vernielen. Den 21 «"Augustus kwam 
de kolonel ter reede van Tabanio en verkende het fort langs 
het strand en in de riviermonding. Hij vond den 12 voet 
hoogen muur onbeschadigd en door een gracht omgeven , de 
schietgaten gaaf, en de twee poorten versperd; de gemeen- 
schap met de bezetting werd onderhouden door een ladder 
over den muur. Het omliggend terrein liet toe om geschut in 
batterij te brengen op 400 tot 200 ellen, terwijl op een zeker 
punt een kolonne kon ontschepen en het ontsnappen des 
vijands geheel beletten. Die laatste omstandigheid was van 
het grootste gewigt, niet alleen om de nederlaag volkomen 
te maken, maar ook omdat demang Lehman, het sluwe hoofd 
dat bij Goenong Lawak het bevel voerde, ook hier weder de 
verdediging leidde. 

Den kapitein-luitenant ter zee van Hasselt, die telandhei 
kommando over het hoofdkwartier voerde en daar met dien- 
sten was belast die eigenlijk minder in zijn werkkring vielen, 
werd de verovering van Tabanio opgedragen. Behalve de 
stoomschepen Ardjoeno, Montrado, Celebes, Onrust en Boni 
werd een detachement infanterie van 70 bajonetten onder 
den i«° luitenant der inf. van Dam van Isselt ter zijner be- 
schikking gesteld. Tot vervanging van den kapitein-luitenant 
van Hasselt werd de luitenant ter zee] 1^ klasse de Haes naar 
Martapoera gezonden, om te land de troepen in het hoofd- 
kwartier te kommanderen en dus op zijn beurt belast te 
worden met diensten die niet tot zijn' werkkring behoorden. 

Den 27 Augustus ontscheepte men twee i2ponders op 
belegeringsaffuiten van schans van Thuyl medegevoerd ; nadat 
daarmede een bres in den muur was geschoten , werd Taba- 



Digitized by VjOOQIC 



ÏHfi «EW YORK 
PÜBUC UBRART 

AS'TOn, LKNOX 



Digitized by VjOOQiC 




Digitized by VjOOQiC 



93 

nio met verlies van twee gewonden stormenderhand genomen. 
De 4 e luitenant der infanterie van Dam van Isselt en de ser- 
geant-hoornblazer van Laar drongen het eerst door de bres 
in de versterking ; een boegineesch soldaat werd handgemeen 
met den eenigen vijand die staan bleef en ontwrong hem de 
oorlogsvlag. De bezetting nam de vlugt en ontkwam, omdat 
het aangewezen punt waar den vijand de pas kon afgesneden 
worden, niet bezet was. De -expeditie-kommandant van Has- 
selt was van oordeel geweest, zijn magt niet te moeten split- 
sen, en meende geen vijftig bajonetten op zich zelf, zonder 
regtstreeksche communicatie met de schepen , te mogen de- 
tacheren. Vijftig bajonetten vormen evenwel een zelfstandig 
ligchaam tegen een inlandschen vijand; te meer hier, waar 
de vijand niet sterk was. Vijftig man infanterie op dat 
punt hadden de overwinning schitterend gemaakt. Thans ver- 
loor de vijand slechts één man; thans ontkwam demang 
Lehman, de regterhand van Hidayat; thans ontkwamen kiay 
Lang Lang, een vroeger distriktshoofd van Tabanio, enhadji 
Boeyasin, een der meest fanatieke priesters; thans bleef het 
grootste gedeelte van Tanah Laut in demagt der opstandelingen. 

Bij de volgende dagorder gaf van Hasselt zijne tevreden- 
heid te kennen: 

Dagorder ! 

Kommandant der marine landingdivisie en troepen^ offi- 
cieren en manschappen der marine- en landmagt: 

Gij heb dezen dag mijne verwachting verre overtroffen. Door 
waardige bevelhebbers uit zee bijgestaan , heeft er een vlug- 
heid en juistheid in ageren plaats gehad, waarover ik om zoo 
te zeggen verstomd sta. 

De namen, die zich bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt, 
zijn te velen om die thans te noemen. — Ik dank u allen 
voor de hulp en ijverige medewerking mij gegeven , en waar- 
van de uitslag geheel afhankelijk was te stellen. 

Er is een Europeesch vraagstukbeantwoord geworden, een 



Digitized by VjOOQIC 



94. 

goed ingerigt sleenen fort bres te schieten en met storm te 
beraagtigen. — Niemand is achtergebleven niet alleen, maar 
een algemeene geest heeft luisterrijk uitgeblonken, de goede 
en hardnekkige verdediging weerstand te bieden en te ver- 
pletteren. 

Ik wensch mij geluk , al ware het slechts voor een oogen- 
blik geweest , mij aan het hoofd van dusdanige verdienstelijke 
officieren en manschappen gesteld te zien, en waaromtrent het 
mij een gelukkige pligtsvervuUing zijn zal, aan het geëer- 
biedigde hoofd der zeemagt, en chef der expeditie in de Z, 
0. Afdeeling van Borneo te kunnen mededeelen , hoe Waardig 
het gestorte bloed te Tabanio gewroken is. 

De kapitein-luitenant ter zee. 

J. A. K. VAN Hasselt. 

Vijftien éénponders waarvan eenige onbruikbaar, een aan- 
zienlijke hoeveelheid buskruid en blanke wapenen, en het 
lijk van een boegineesch hoofd , kapitan Moesa , vielen den 
onzen in handen. Het fort werd bezet door een detachement 
van 50 infanteristen onder van Dam van Isselt, en met twee 
i2ponders bewapend. 



Digitized by VjOOQiC 



HOOFDSTUK VIII. 



MISLUKTE AANVAL OP SCHANS VAN THUYL EN BANDJER DOOK 
KIAY MANGON KARSA. — BESTORMINa VAN GOENONG LAWAK 
DOOR SCHIFP. — VAN OIJEN TE TJINTA POERIE. — VER- 
VANGING VAN ANDRESEN DOOR NIEÜWENHUIJZEN EN 
VERSPIJCK. 

Den zeeofiScier de Haes, die te Martapoera kommandeerde, 
was opgedragen dagelijks verkenningen uit te zenden, ten 
einde alle zamenscholingen van vijanden in de nabijheid van 
het hoofdkwartier te verijdelen. Toen er nu berigt werd dat 
bij Moeara Stamboel , op de gemeenschapslijn van Pengaron, 
gevuurd was op vaartuigen van het mijn-établissement, zond de 
Haes den adjudant-onderofficier Serquet met 30 man derwaarts. 
Dit leidde tot een vuurgevecht met den vijand die zich aan 
den anderen oever ophield. 

's Anderendaags werd kapitein Schiff belast , om met een 
kolonne van 80 infanteristen , een detachement sappeurs en 
een houwitser met bediening, pangerang Amin Oelah met 
zijne bende van dat punt te' verjagen. SchiflF liet den luite- 
nant der artillerie Borel het eerste gedeelte van den weg 
per laadpraauw afleggen en, na verderop de rivier overge- 
trokken en zich met hem vereenigd te hebben, een deta- 
chement van 30 man onder Serquet de rivier volgen. Hij 



Digitized by VjOOQIC 



96 

zelf trok aan het hoofd der kolonne landwaarts in, om den 
kampong van achteren aan te vallen. Luitenant Verslage, 
die de voorwacht kommandeerde , rukte zonder dralen den 
kampong in, kloofde met een krachtigen sabelhouw het hoofd 
van een bandjerees die hem aanviel, en joeg den vijand voor 
zich uit in de alang-alang. Eenige versterkte huizen aan den 
overkant der rivier werden met een paar kartetsschoten 
schoon geveegd. Zonder verlies van onze zijde waren een 
twintigtal muiters gevallen en vier hadji's, die in een sam- 
pang trachten te ontkomen, gevangen genomen. De bevol- 
king van Pengaron, die bij de verschijning van Amin Oelah 
in de wildernis gevlugt was , kon nu den volgenden dag hare 
woningen weder betrekken. 

Reeds in het begin der maand had een panische schrik 
te Bandjermasin geheerscht, toen door zekeren pembekkel 
Si-Oesoep onjuiste berigten verspreid waren van de nadering 
eener flotille van 50 vijandelijke djoekongs (praauwen). 

De laatste gebeurtenissen hadden de gemoederen nog on- 
rustiger gemaakt. — Overal meende men verraad te zien en 
zelfs ter hoofdplaatse onder bescherming der bajonetten 
waande men zich niet meer veilig. 

Geheel zonder oorzaak was die vrees niet, want nog in 
diezelfde maand werd er een poging gedaan om de oproer- 
vaan te Bandjermasin uit te steken en de Europesche be- 
volking over de kling te jagen. 

Een vroeger hoofd van kampong Kween, zekere Mangon 
Karsa^ een trouw aanhanger van den onttroonden sulthanTam- 
djid lUah, had (naar men beweerde op aanraden van Tam- 
djid's moeder, Njahi besaar) een bende vanlSOgewapenden 
weten te vereenigen , en loerde op een gunstige gelegenheid 
om iets ten voordeele van den opstand te ondernemen. Toen 
nu onze geheele zeemagt en een gedeelte der bezetting van 
schans van Thuyl en Bandjer tegen Tabanio opereerden , achtte 



Digitized by VjOOQIC 



97 

hij het oogenblik geschikt om een slag te slaan. Een gedeelte 
zijner bende, 4-5 man sterk, bestemde hij om in den vroegen 
morgen van 26 Augustus de schans van Thuyl, i y^ uur beneden 
Bandjermasin aan de zamenvloeijing der Barito- en Martapoera- 
rivier, het andere om de hoofdplaats zelve te overrompelen. 
Bij het aanbreken van den dag naderde ongemerkt de eerste 
troep, in lage sampan's (praauwen), langs den linkeroever 
der Barito, tot onder de beschoeijing der landtong; sprong 
op dertig passen van den schildwacht, aan den ingang der 
schans voor het geweer, aan wal en drong in de versterking. 
Bij de laatste inspectie had men de stukken en geweren afgetrok- 
ken en voor de zindelijkheid niet meer geladen. Voor dat de 
overvallen bezetting, — juist in het kwartier bijeen om den 
oorlam te ontvangen , — de wapens kon opvatten en de gewe- 
ren laden, werden de sergeant-kommandant en een zevental 
manschappen door lanssteken en klewanghouwen buiten ge- 
vecht gesteld. Op het voorbeeld van den sergeant Saboe, 
vloog men echter te wapen , verdedigde zich dapper en dreef 
den vijand met verlies van zes dooden en eenige zwaar ge- 
wonden naar buiten. Een der vlugtende sampan's werd 
daarna in den grond geschoten, 't welk nog aan verschei- 
dene vijanden het leven kostte. 

De tweede afdeeling, ruim honderd koppen sterk en aan- 
gevoerd door Mangon Karsa's zoon, Brahim, voer naar An- 
lassan Ketjil, het punt van waar de eenige landweg naar het 
Europeesch kwartier, langs den regteroever der Martapoera- 
rivier loopt, en dat 's nachts door een wacht van twintig 
man werd bewaakt. Naauwelijks was die wacht, in den 
morgen van den 26®'* Augustus ingerukt, of de bende naderde 
de plaats waar ontscheept moest worden. Op het oogenblik 
van uitvoering evenwel ontzonk den aanvoerder de moed en 
gelastte hij naar de woning van kiay Mangon Karsa terug te 
roeijen. Het hoog bejaarde Hoofd, verontwaardigd over deze 
lafhartigheid, grijpt nu zelf het vaandel, dat hij van een 

7 



Digitized by VjOOQiC 



98 

tijgervel liet vervaardigen , stelt zich zelf aan de spits en rukt 
na tegen 9 uur bij Antassan Ketjil aan wal te zijn gestapt, 
met gevelde lans vooruit. Ter hoogte van het Boeginesche kamp 
gekomen, stoot hij op den radja van Pegattan, Aroeng 
Abdoel Karim, die, tijdelijk aldaar woonachtig, met zijn 
wachtvolk te wapen is gesneld en den drom belet door te 
dringen. 

Dit was genoeg om de bende te doen stand houden ; op dien 
tegenstand had men niet gerekend; men dorstte wel naar het 
bloed der blanken, niet naar dat van landslieden. Mangon 
Karsa niet ondersteund wordende, stelde zijn plan uit en 
trok terug. Had Brahim Bandjermasin met evenveel moed 
aangevallen als er bij de bespringing van schans van Thuyl 
werd aan den dag gelegd, de gevolgen zouden niet te voor- 
zien zijn geweest. Immers op den kreet van »brandal da- 
tang" (de rauitelingen komen) ontstond er een ontzaggelijke 
verwarring bij de Europesche bevolking. In overijling ver- 
liet ieder zijn woning en vlood naar het versterkt kampe- 
ment; eerst nadat een patrouille onder kapitein Sterke 
was teruggekeerd met het berigt dat er nergens een vijand 
te zien was, waagde men het zijn woning weer op te zoe- 
ken, 's Anderen daags werden door tusschenkomst van den 
hoofddjaksa pangerang Soeria Winata, kiay Mangon Karsa en 
de voornaamste belhamers gearresteerd. Mangon Karsa be- 
proefde door uithongering zich van het leven te berooven 
en stierf jn de gevangenis; de anderen werden voor den 
krijgsraad gebragt. 

Ook gedurende de maand September bepaalden zich de 
krijgsverrigtingen tot het gebied van Martapoera. Tijdingen 
dat er vijanden in de nabijheid van soengej Pring waren ge- 
zien , gaven (26 September) aanleiding om den adjudant-onder- 
officier Serquet met 80 man te doen uitrukken. Toen deze 
slaags geraakte, werd een gelijke magt onder den adjudant- 
onderofficier Saussie (gebrek aan officieren maakte het noo- 



Digitized by VjOOQIC 



99 

dig zich van geschikte onderofficieren Ie bedienen) ter ver- 
sterking gezonden. Zij sloegen den vijand tot tweemalen en 
bragten hem een belangrijk verlies toe. 

Men had vernomen dat te GoenongLawak, twee uren van 
Martapoera, andermaal een bentingwas opgerigt. Schiff kreeg 
bevel om te onderzoeken of dat berigt waarheid behelsde ; 
meer niet. Aan het hoofd eener kolonne van 80 infante- 
risten , een detachement sappeurs en een houwitser met be- 
diening onder Borel, zoekt hij (27 September) den vijand 
op, ontmoet hem het eerst bij soengej Besaar achter een 
pas opgeworpen versterking , verjaagt hem van daar zonder 
veel tegenstand te ontmoeten, en vervolgt hem tot in het 
gezigt der benting van Goenong Lawak. Deze lag op een 
heuvel die den geheelen omtrek beheerschte, en bestond 
uit een vierkante redoute van hooge en stevige palissaden, 
met vier bastions en schietgaten van Ijzeren valluiken voor- 
zien; elk bastion was met een 3, 4 of Sponder bewapend. 
In de binnenruimte waren smoorkuilen gegraven voor de 
granaten, en de sterke bezetting was ruim voorzien van 
drinkwater en vivres, die in lange ijzerhouten djoekongs 
werden bewaard. 

Daar Schiff geen last had om Goenong Lawak aan te tasten , 
doch daartoe zeer genegen was, raadpleegde hij zijne officieren 
die niets liever verlangden. Zijn voornemen aan de troepen 
kenbaar gemaakt, werd met geestdrift toegejuicht. Na een 
verkenning werd de sterkte omgetrokken en het artillerie- 
vuur tegen de zwakste zijde geopend; de vijand beant- 
woordde dit met nadruk. Toen er eenige zwaar gewonden 
aan onze zijde vielen en onze Spondskogels geen uitwer- 
king deden op de sterke palissadering, begon de onstui- 
mige moed der soldaten eenigzins te bedaren, en plaats te 
maken voor bezorgdheid. Schiff begreep dat hij alles op het 
spel zetten, en geen oogenbUk meer talmen moest. Hij gaf 
dus last tot stormen. De voorwaartsche beweging van het 



Digitized by 



a 109790a 



100 

kleine maar dappere troepje tegen den viermaal sterkeren 
vijand' was indrukwekkend en bragt al dadelijk eenig wankelen 
te weeg; en toen de voorste manschappen door niets tot 
staan te brengen de palissaden beklommen, sprong demang 
Lehman met het grootste gedeelte der bezetting aan de 
tegenovergestelde zijde over de borstwering. De stoutste 
vijanden alleen wachtten de bestormers met de lans af en 
sneuvelden allen. 

Van de 300 man die Goenong Lawak verdedigden geraak- 
ten er 400 buiten gevecht; bovendien vielen het geschut en 
drie vaandels den onzen in handen. De even koelbloedige 
als stoute aanval van Schiff en het belangrijk verlies dat de 
vijand bij deze gelegenheid leed, het voorbeeldig gedrag 
van officieren en manschappen, maakten van deze ontmoe- 
ting het schoonste wapenfeit dat tot nu toe had plaats ge- 
grepen. De veroverde benting werd verwoest en aan de 
vlammen prijs gegeven. 

Na de herhaalde nederlagen door den vijand in het gebied 
van Martapoera geleden, werd het oorlogslooneel langza- 
merhand naar het noorden van het sulthansrijk verplaatst. 
Door een wel is waar geringe versterking van 4 officieren, 
462 man infanterie en 20 artilleristen die (28 September) 
van Soerabaya aangekomen waren, was het den bevel- 
hebber nu mogelijk, om het verzamelen van opstandelingen in 
meer verwijderde streken te beletten. Toen het dus bekend 
werd dat zekere Antaloedin de leiding der zaken benoor- 
den Mataraman op zich had genomen en te Tjinta Poerie 
aan de AUalak-rivier een benting had opgeworpen, werd er 
te Mataraman zoo geheim mogelijk een kolonne vereenigd, 
zamengesteld uit honderd bajonetten, een houwitser en een 
handmortier met bediening, benevens een detachement sap- 
peurs met ambulance, die onder bevel van kapitein van Oijen 
(20 October) naar Tjinta Poerie oprukte. Na een marsch 
van zeven uren door alang-alangvelden en bosch, waarbij 



Digitized by VjOOQIC 



101 

men verpligt was ieder oogenblik het geschut te slepen door 
kleine riviertjes waarmede het terrein doorsneden was, moest 
er in den onversterkten kampong Tjinta Poerie Ketjil gebi- 
vakkeerd worden. Daar er voor het geschut geen opstelling 
mogelijk was, liet van Oijen den volgenden dag dadelijk 
stormloopen. De brave sergeant Sevenstern sneuvelde door 
een schot in het hoofd. Borel en luitenant Perelaer wierpen 
zich in de rivier, zwommen naar de overzijde en dreven den 
vijand op de vlugt. De kampong werd, tot straf voor de 
ondersteuning aan den vijand verleend en tot voorbeeld voor 
anderen, in de asch gelegd. 

Daar de AUalak-rivier door verscheidene soengej's gemeen- 
schap had met de Antassan Ketjil en met de Bandjermasin- 
rivier, had de vijand zich voorgesteld van Tjinta Poerie als 
uitgangspunt de hoofdplaats te kunnen bedreigen; door de 
vermeestering van dat punt werd derhalve zijn plan verijdeld. 
Tijdens het oprukken der kolonne van Oijen, had men alle 
waterwegen waarvan vele reeds vroeger versperd waren, 
zorgvuldig bewaakt; niettemin was de vijand na het gevecht 
spoorloos verdwenen. 

Yan dit tijdstip was de omtrek van Mataraman niet veilig; 
ook nabij Earang Intan hadden nog ontmoetingen plaats die 
den vijand steeds noodlottig waren. De rust, de vrije ge- 
meenschap van Bandjer met Martapoera zelfs konden niet her- 
steld genoemd worden; want nog in het laatst van October 
beproefde demang Lehman een aanslag op het leven van den 
kolonel Andresen. 

Vergezeld van zijn adjudant Adams, den tolk Wahlbeem, 
den waarnemenden onder-intendant van Haastert en 4 Euro- 
pesche soldaten, voer Andresen in de residents-praauw naar 
Bandjer terug. Ter hoogte van de soengej Kajoe Tanam waar 
de oevers met hooge glagak begroeid zijn, lag Lehman met 
een twaalftal der zijnen in hinderlaag. Plotseling knallen 
eenige geweerschoten ; verscheidene kogels slaan in de praauw, 



Digitized by VjOOQiC 



102 

alleen de flankeur Schafifroth wordt getroffen; de dertig roei- 
jers springen te gelijk over boord , de praauw dreigt om te 
slaan. Men roeit evenwel naar den oever, waar Adams met 
de manschappen aan wal springt; doch de vijand is reeds 
verdwenen. Toen het gevaar voorbij is, komev de roeijers 
van lieverlede weder aan boord. Tegen den avond bereikte 
men Bandjer. 

Andresen had op de hoofden van demang Lehman en 
Amin Oelah belangrijke premiën uitgeloofd, doch geen Ban- 
djerees dacht er aan die te verdienen. De toenmaals heer- 
schende veronderstelling dat het ook de wensch was van 
Hidayat, dien het volk blindeHngs gehoorzaamde, zich van 
hem te ontdoen, was onjuist. Had Hidayat dit verlangd, 
geen Bandjerees zou geaarzeld hebben den sluipmoord op 
zich te nemen. 

In September ontmoetten de voornaamste Hoofden en ook 
Djalil, den rijksbestierder te Kendangan in het landschap 
Amandit. Indien Hidayat er toenmaals nog aan dacht om 
naar Martapoera terug te keeren, zullen die zamenkomsten 
zijn voornemen voorzeker in duigen hebben doen vallen. 

Pangerang Antassari had de leiding der vijandelijkheden 
in de noordelijke streken van het rijk en in de Daijaklanden 
op zich genomen en hield zich in Augustus te Amoenthay 
op, vanwaar hij door middel van zijn vertrouweling goesti 
Napies, bevelen uitvaardigde om versterkingen op te wer- 
pen en versperringen aan te brengen in de wateren, die 
tot het gewest Benoea Lima toegang verleenden. Daarna 
begaf hij zich naar Teweh, om de Hoofden der Doesoen 
voor zijne plannen te winnen, en zond toen reeds enkele 
Daijaksche benden uit de Bo ven-Doesoen naar het sulthans- 
gebied. 

Terwijl Andresen, door middel der bajonetten, den op- 
stand met geweld trachtte te smoren en den vijand overal waar 



Digitized by VjOOQIC 



103 

hij hem kon bereiken , zonder zich te ver in het binnenland te 
begeven, liet uiteenjagen en zooveel mogelijk nadeel berok- 
kende, ging hij gelijktijdig op den ingeslagen politieken weg 
voort , om Hidayat tot terugkeer naar Martapoera te bewegen. 
Eiken dag, met iedere vijandelijkheid werd de kans van sla- 
gen evenwel minder; want, ofschoon Hidayat nu en dan den 
schijn aannam van het oor te leenen aan de schoone belof- 
ten van het tegenwoordige hoofd des bestuurs , kon hij echter 
bezwaarlijk het vroeger geleden onregt met die beloften over- 
eenbrengen, en onmogelijk aan de eerlijke bedoelingen 
van den kommissaris geloof hechten. De andere Hoofden 
van den opstand, die van een herstel der orde geen voor- 
deel verwachtten , hielden bovendien uit eigenbelang Hidayat 
van een verzoening terug. En Soeria Mataram , een der be- 
sturende pangerangs, die de hoop koesterde, zelf eenmaal 
tot de sulthanswaardigheid gekozen te worden , was de per- 
soon niet jiie den rijksbestierder goeden raad zou geven. 

Weken en maanden gingen voorbij in vruchtelooze pogin- 
gen om een langdurigen krijg en groote opofieringen te voor- 
komen, totdat de Indische regering een meer doortastende 
wijze. van handelen verlangende, den kolonel eervol onthief 
uil zijne betrekkingen van gouvernements-kommissaris en 
komraandant der expeditionnaire troepen (21 October) en tot 
zijn vervanger als gouvernements-kommissaris den resident 
Nieuwenhuijzen, en als kommandant der troepen en tevens 
waarnemend resident, den majoor ^der infanterie Verspijck, 
benoemde. 



Digitized by VjOOQIC 



HOOFDSTUK IX. 



INZIÖTBN VAN HET NIEUWE BESTUUR. — EERSTE BESCHIKKINGEN 

VAN VERSPIJCK. — TOÖT VAN BENSCHOP NAAR MOENINÖ. — 

DB ONRUST TE S. BESARAN ; SOELIL'S DOOD. — 

TWEEDE TOGT NAAR MOENING. — BEZOEK 

VAN DE TEWBH DOOR DE ONRUST. 

Voordat de beschikkingen , waardoor de leiding der poli- 
tieke zaken wederom in andere handen kwam , te Bandjer- 
masin bekend werden, had Andresen in het begin van Novem- 
ber den pangerang Sjerif Hoesin met eenige voorname 
ingezetenen der hoofdplaats nogmaals naar Amoenthay 
gezonden, om Hidayat tot terugkeer te bewegen. Drie dagen 
werd dit gezantschap aan de grenzen tegengehouden, en 
slechts door dringend aanhouden, gelukte het aan een ge- 
deelte der afgevaardigden tot den Mangkoe Boemi te naderen. 

Daèr zat hij, de rijksbestierder , te midden van het volk 
dat hem tot sulthan had uitgeroepen, aan het hoofd der prinsen 
van den bloede en der Hoofden van Benoea Lima die jagt maak- 
ten op nieuwe titels en waardigheden, en naast zijn halven broe- 
der, thans zijn rijksbestierder, pangerang Wira Kesoema. Daar 
zat Hidayat, — omringd van bijna twee honderd dweepzieke 
priesters die den heiligen verdelgingskrijg tegen de kaffirs 
preekten — nog altijd vriendschap voor de blanken te huichelen. 



Digitized by VjOOQIC 



105 

Daar zat hij , met woorden van trouw en gehechtheid op de 
lippen, omgeven door twee duizend strijdknechten, die op één 
teeken van zijne hand wachtten om zich te vereenigen met An- 
tassari's benden , die uit de Boven-Doesoen, oprukten om naar 
Bandjer te marcheren en zich op de bajonetten te werpen. 

Toen de gezanten ook nu weder onverrigter zake terug- 
kwamen, doch beladen met betuigingen van leedwezen van 
den weêrspannigen vorst, die beweerde door zijne om- 
geving belet te worden aan de inspraak van zijn hart te 
voldoen , oordeelde het nieuwe bestuur dat er langmoedig- 
heid genoeg was betoond en verdere toegevendheid strijdig 
was met de waardigheid van het nederlandsche gezag. Een 
geheel anderen weg kiezende , wilde het Hidayat toonen dat 
zijne ijdele beloften het geduld van het gouvernement hadden 
uitgeput; dat, hoe talrijk en opgewonden zijne legerbenden 
ook waren, de magt van het gouvernement groot genoeg 
was om hem het hoofd te doen buigen en zijne strijders te 
verslaan. 

Hidayat zou in zijn schuilhoek worden opgezocht, dat 
stond vast; verschillende redenen beletten evenwel, terstond 
hiertoe over te gaan. Eerstens moest de termijn van twintig 
dagen verstreken zijn, die het laatste gezantschap hem als 
ultimatum had gesteld; ten tweede behoorde Tanah Laut on- 
derworpen te worden voor dat men naar Amoenthay konde 
oprukken; en eindelijk ontbraken nog de middelen om krach- 
tig in het veld te kunnen verschijnen. 

Van de aanwezige krijgsmagt, — 780 infanteristen , 65 
sappeurs en 70 artilleristen sterk, waaronder een honderd- 
tal zieken , — had men noodig : 

53 man tot bezetting van het fort te Tabanio , dat de op- 
roerige bevolking van Tanah Laut van die zijde in toom hield. 

28 man in de schans van Thuyl, die de hoofdplaats 
tegen een aanval van den kant der Barito dekte en die rivier 
aan de zeezijde sloot; 



Digitized by VjOOQIC 



106 

38 man te Sampit , om die plaats voor een aanval van de 
Daijaks van Katingan te beschermen en rust in het geheele 
distrikt te bewaren ; 

48 man te Marabahan , om de gistende bevolking dier streek 
in bedwang te houden ; 

30 man Ie Poeloe etak, tot steun van ons gezag; 

430 man te Pengaron , waar de mijnwerken beschermd 
en de gemeenschap met Marlapoera open gehouden moesten 
worden ; 

150 man te Martapoera, de vorstelijke residentie, het 
uitgangspunt van alle militaire ondernemingen; en 

130 man lot bezetting der hoofdplaats Bandjermasin. 

Door deze noodzakelijke versnipperingen en door de opge- 
rigte posten te Mataraman en soengej Raya , was de over- 
blijvende mobiele magt te gering om er Hidayat te Amoen- 
thay mede aan te tasten. De nieuw benoemde chef der 
expeditie vond zich daardoor verphgt om , dadelijk na zijne 
betrekking te hebben aanvaard , een versterking van een 
half bataillon infanterie en een sectie 3ponders van Java aan 
te vragen. In afwachting daarvan, bezigde hij de beschikbare 
troepen op de volgende wijs. 

Er was tijding aangebragt, dat een aanzienlijke bende 
Moeningers te Soenkey zamengetrokken was met plan ofien- 
sief te ageren en in de eerste plaats een aanval op onzen 
post te soengej Raya te doen. Majoor Verspijck wilde den 
vijand voorkomen, en gaf last, dat de kolonne van ka- 
pitein Benschop — door kolonel Andresen reeds te Mata- 
raman vereenigd — sterk 100 bajonetten, eenige sap- 
peurs, één 3ponder en één mortier van 11] dm. met be- 
diening, en voorzien van tien dagen vivres , den 12«» No- 
vember zou oprukken over Tjinta Poerie naar Soenkey ; en 
dat verder een tweede kolonne onder bevel van kapitein 
Graas, sterk 70 bajonetten, eenige sappeurs, enéén3ponder 
en voorzien van vier dagen vivres , den 14«" van Pengaron 



Digitized by VjOOQIC 



107 

naar Soenkey zou marcheren, om zich daar met Benschop 
te vereenigen. Bij elke kolonne bevond zich een officier van 
gezondheid (Thall en Preager). 

Wanneer de vijand uit den omtrek dier plaats zou ver- 
dreven zijn, moesten de vereenigde kolonnes naar Moening 
doormarcheren en van daar Tambarangan, Benoea Pa- 
dang en andere kampongs bezoeken , die één dagmarsch 
van Moening waren gelegen. Soenkey, Bras Koening en Moe- 
ning, de bekende verzamelplaatóen der opstandelingen, 
moesten streng gestraft , met de andere kampongs naar be- 
vind van zaken gehandeld worden. Daar de juiste ligging 
dier plaatsen even weinig bekend was als de staat der wegen 
en de te verwachten wederstand , konden de beschikkingen 
tot den togt slechts in groote trekken gemaakt worden, en 
liet Verspijck het aan de kommanderende officieren over, om 
bij buitengewone omstandigheden of zware vermoeijenis , 
hunne kolonnes tijdig terug te voeren naar de posten van 
waar zij waren uitgerukt. 

Door een helder maanlicht begunstigd, ging de kolonne 
Benschop te i uur na middernacht op marsch. Nagenoeg 
zonder ophouden doormarcherende , bereikte zij tegen 40 
uur voor den middag Tjinta Poerie, De vijand had daar 
positie genomen in een sterk gepalissadeerde benting aan den 
rand van een digt bosch. Terwijl de troepen een oogenblik 
rust namen om zich op het gevecht voor te bereiden, maakte 
Benschop een verkenning , en ontwaarde dat de benting den 
vorm eener flêche had , met een sterke palissadering in de 
keel en een opening tot sortie. Het terrein vóór de benting 
was moerassig en hier en daar door verhakkingen ver- 
sperd. Behalve die versterking had de vijand den boschrand 
bezet. 

Benschop liet het kanon en den mortier een goede op- 
stelling geven en op 150 passen het vuur openen; hij ge- 
lastte den 4*^° luitenant van Schendel de linkerface der ver- 



Digitized by VjOOQIC 



108 

schansing met een peloton te naderen , en den ^^ luitenant 
Perné met een ander de regter aan te vallen. 

Van Schendel stootte in het bosch op een paar palissade- 
ringen, waar achter de vijandelijke tirailleurs zich bedekt 
hadden opgesteld en hunne geweren afschoten. Hij dreef ze 
terug naar den kant waar Perné aanrukte. Deze joeg hen 
zonder veel moeite op de vlugt. Op dit oogenblik liet Ben- 
schop den stormmarsch blazen. Van beide zijden liepen de 
soldaten op de verschansing aan, werkten zich door het moe- 
ras en over de verschansingen heen, en drongen naar binnen. 
De fuselier Saleh won het zijne makkers af; na hem waren 
van Schendel en Perné de eersten in de versterking. De 
verdedigers namen in allerijl de vlugt , sleepten hunne doe- 
den en verwonden mede en lieten slechts bloedsporen achter. 
Van onze zijde telde men drie ligt gewonden. Van Schendel 
had het leven te danken aan de koelbloedigheid van den kor- 
poraal Kroonkamp , die een vijandelijk schutter uit een boom 
schoot, juist op het oogenblik dat deze op zijn officier aan- 
legde. 

De borstwering bleek zeer sterk, op sommige plaatsen uit 
vier rijen palissaden zamengesteld te zijn; in het midden 
vond men een smoorkuil. Het peloton van Perné werd op- 
gedragen de verschansing te vernielen, terwijl een ander 
peloton een verkenning maakte in de rigting van Bras Koe- 
ning. Onderwijl werd het bivak opgeslagen, om de overige 
uren van den dag aan de rust te wijden. 

's Anderendaags marcheerde de kolonne naar Bras Koening 
zonder vijand te ontmoeten. Daar de kampongbewoners ge- 
vlugt waren en men nog eenige gewapenden in die rigting 
zag retireren, werd de kampong in de asch gelegd. Ver- 
der voortrukkende stootte de voorhoede onder van Schendel 
op een half voltooide benting , waaruit eenige geweerscho- 
ten vielen. Die benting was op den top van een heuvel 
gebouwd en reeds gedeeltelijk door een verhakking omringd. 



Digitized by VjOOQIC 



109 

De voorhoede-kommandanl liet zich evenwel daardoor niet 
ophouden, maar dadelijk den looppas aannemen. De bezet- 
ting wachtte den storm niet af en koos het hazenpad. Een 
padieschum* en eenige woningen achter de versterking wer- 
den aan de vlammen prijs gegeven, en daarop het bivak be- 
lrokken. 

In den vroegen morgen van den 44*" afmarscherende , 
bereikte Benschop zonder ontmoeting den kampong Soenkey. 
Tegen den middag kwam ook de kolonne Graas aan , en had 
de vereeniging plaats. Gezamenlijk trokken beide kolonnes 
nu, tegen één uur na middernacht, het land dieper in, in 
de rigting van Moening. Na een vermoeljenden marsch van 
bijna 9 uren, werd op een opene plaats in het woud het 
bivak opgeslagen. Toen de maan was opgekomen, werd de 
togt met vernieuwden moed voortgezet. 

Tegen 7 uur in den morgen van den 46*** naderde men 
een digt bosch. Volgens de verklaring van den gids moest 
dit doorgetrokken worden; later bleek het echter, dat dit 
oonoodig was geweest, daar men kampong Moening gemak- 
kelijker langs den boschrand had kunnen naderen. Welligt 
was de gids een verrader, die de kolonne in een hinderlaag 
wilde voeren; het vervolg der gebeurtenissen geeft althans* 
eenigen grond tot die veronderstelling. 

Eenige muitelingen, die bij het behoedzaam doortrekken 
van het bosch gezien en door het uitgezwermd peloton van 
den 2*° luitenant Munder werden verdreven, was alles wat aan- 
vankelijk van den vijand werd bespeurd. Toen men daarna 
deboucfaeerde op een vlakte door hooge alang-alang bedekt, 
rukte het tirailleur-peloton weder in , en formeerden de troe- 
pen het carré. 

De kampong Moening kon niet ver meer af liggen; geen 
enkele woning was echter zigtbaar. Van Schendel kreeg 
bevel den kampong te verkennen; hij rukte vooruit , en zond 
spoedig berigt dat op zijne nadering vele gewapenden uit 



Digitized by VjOOQIC 



110 

de huizen liepen en in de wildernis verdwenen. Kapitein 
Graas volgde nu aan het hoofd van het andere peloton de 
voetstappen van van Schendel, en geraakte weldra uit het 
gezigt. Op het onverwachts sprongen van een gansch tegen- 
overgestelde zijde dan waar men den vijand verwachtte, op 
hoogstens twintig pas van het carré, een honderdtal vijanden 
uit de alang-alang. De verschijning dezer geheel in het wit ge- 
kleede wezens , die als 't ware uit den grond verrezen en op 
hetzelfde oogenblik zich met een vreesselijk misbaar en ge- 
velde lans op het carré stortten, was zóó verrassend, dat 
er eenige verwarring onder de troepen ontstond. Vertrou- 
wende op hunne djimats (talismans) wierpen 's vijands voor- 
vechters zich in blinde woede op de gelederen en stootten 
eenige manschappen neder ; aanstonds hieven de koelies , die 
in of nabij het carré stonden, een groot geschreeuw aan, 
liepen ijUngs weg en vergrootten de verwarring. Een ge- 
deelte der troepen werd medegesleept en week terug in de 
rigting van Moening; een ander gedeelte verdedigde zich, 
doch in het terugtrekken; zonder bedekking stonden de ka- 
nonniers bij de stukken. Maas, adjudant-onderofficier der 
artillerie, vuurde den Sponder nog af, en moest toen ook 
met zijne manschappen teruggaan. 

Doch slechts één oogenblik stonden de stukken verlaten; 
want voor dat de vijand tijd gehad had om er zich meester 
van te maken, hadden de officieren hunne manschappen we- 
der in de hand en joegen , na een kort maar hardnekkig ge- 
vecht, den vijand terug. 

Graas, die op het alarm achter zich , onmiddellijk regtsom- 
keert had gemaakt en de kolonne te hulp was gesneld, had 
nog tijd de vlugtenden een paar kartetsschoten achterna te 
zenden. 

In het gevecht van man tegen man zou Benschop gevallen 
zijn , indien niet de hoornblazer Kadjang den Bandjerees had 
doorstoken , op het oogenblik dat deze den kapitein aan zijne 



Digitized by VjOOQIC 



111 

lans wilde rijgen. De lijken van negen voorvechters lagen op 
de kampplaats, naast die van zes onzer onderofficieren en 
soldaten; bovendien telden wij drie zwaargewonden. Onder 
de gevallenen, die de vijand in de alang-alang met zich sleepte, 
was ook een van Aling's neven, den zoogenaamden pange- 
rang Mangkoe Boemi Kasoema Widjaya. 

Moening werd verbrand en het bivak betrokken, nadat de ge- 
sneuvelden waren begraven. Nu echter bleek het dat verscheidene 
mandjes rijst van den medegevoerden voorraad bedorven waren. 
Zonder vivres kon men niet voortrukken , het land bezat geen 
hulpbronnen om de kolonne van levensbehoeften te voorzien ; 
men was dus verpligt den togt te staken en den volgenden dag 
den terugtogt aan te nemen. De vijand had in de verschil- 
lende ontmoetingen de scherpte van ons zwaard gevoeld; 
zijne versterkingen waren genomen , zijne kampongs verbrand 
en hij zelf was zoo ontmoedigd , dat gedurende den terug- 
marsch die twee dagen duurde , geen enkel muiteling meer 
gezien, geen enkel schot meer gewisseld werd. 

Gelijktijdig met de expeditie tegen Moening, verjoeg de Onrust 
(vóór Poeloe Petak gestationeerd) den vijand uit een nieuw op- 
geworpen versterking bij soengej Besaran. Na eenig kanonvuur 
waarbij een vijandelijke kogel den romp van het schip trof 
en een matroos werd gewond, debarkeerde men met de ge- 
wapende sloepen, en werden twee Sponders en eenige lansen 
uit de verlaten benting buitgemaakt. Door het springen van 
een dier ^tukken was de pembekkel Soelil doodelijk gewond. 
Toen de tijding van Soelil's dood en het verloop zijner bende 
bekend werd, keerde nagenoeg de geheele Daijaksche bevol- 
king naar hunne kampongs terug. De Onrust, bestemd om 
een togt naar Teweh te maken, werd daarna door de Cele- 
bes afgelost. 

Naar de inzigten van den chef der expeditie werden eenige 
wijzigingen gemaakt in het emplacement der troepen. Benschop 



Digitized by VjOOQiC 



112 

kreeg namelijk het kommando van Pengaron, dat bezet werd 
met een kompagnie van het 9« bataillon, één veldstuk met 
bediening, eenige sappeurs, en bovendien gewapend met 
twee stukken op cirkelaffuiten. Het gezag over de Europe- 
sche mijnbeambten en kettinggangers ging over op den mi- 
litairen kommandant. De mijnwerken werden gestaakt en 
de dwangarbeiders bij de mobiele kolonnes als dragers ge- 
bruikt. De post soengej Raya werd geslecht en de bezet- 
ting te Martapoera gelegerd, om bij de mobiele kolonnes 
gebezigd te worden. Van den kraton te Martapoera bleef 
slechts één punt bezet door 30 man en een berghouwitser. 
Van dat punt werden de dijken aan de west- en noordzijde 
bestreken en kon de vijand belet worden zich in de gebou- 
wen te nestelen. De hoofdbezetting ging over in het ver- 
sterkte residentiehuis , dat met twee Sponders gewapend en 
met een kazerne voor 300 man en een hospitaal voor 100 
man voorzien werd. De post te Poeloe Petak werd van 50 
op 30 man gebragt, en voorzien met twee 3ponders op 
cirkelaffiiiten. 

Door deze beschikkingen kon van Pengaron steeds een mo- 
biele kolonne van 50 of 60 bajonetten en een houwitser, 
van Bandjermasin een van 70 tot 80 man met twee veld- 
stukken, en van Martapoera een van 200 bajonetten met 
twee veldstukken worden uitgezonden. 

Met oogmerk zich ook bij het nieuwe bestuur voor on- 
schuldig te doen doorgaan, schreef Hidayat een welkomst- 
brief aan den gouvernements-kommissaris , waarbfj hij de 
hoop uitdrukte, dat de rust spoedig mogt worden hersteld. 
Men liet zich evenwel niet meer misleiden ; het tijdperk van 
onderhandeling was voorbij; met verdubbelden ijver werd 
er thans gehandeld. 

Volgens geruchten zou kiay demang Lehman met een 
bende van 70 man van Karang Intan naar Soenkey gaan. 
De kommandant van Mataraman kreeg last een gedeelte van 



Digitized by VjOOQIC 



113 

het garnizoen in hinderlaag te leggen om die bende te over- 
vallen. 

In de nabijheid van Moening zou de teruggeslagen maar 
niet verslagen vijand zich andermaal verzamelen; daartegen 
liet Verspijck onmiddellijk een andere kolonne opereren. 

Die kolonne was zamengesteld uit de eerste kompagnie 
(kapitein Schiff) en de derde (1« luitenant Magnin) van het 
9* bataillon infanterie, te zamen 200. bajonetten en zes offi- 
cieren; twee Sponders en een Coehoorn-mortier met bedie- 
ning (luitenant Borel), een detachement van tien sappeurs 
onder een sergeant, en honderd vijftig keltinggangers voor 
het transport. 

Den kapitein der infanterie van Oijen werd het kommando 
toevertrouwd; hij had in last den vijand op te zoeken tot 
op een dagmarsch benoorden Moening, en de kampongs 
Tambarangan en Benoea Padang in het lot van Moening te doen 
deelen, indien het mogt blijken dat zij vijandig gezind 
waren. 

Daar de kans groot was om den vijand aan te treffen, 
die voorzeker niet rekende op deze spoedige verschijning 
van bajonetten die naauwelijks het land hadden verlaten, 
begaf de kolonne zich met de schoonste verwachtingen op 
marsch. Haar moed zou evenwel ditmaal niet op de proef 
gesteld worden, want bij het naderen aan de eerste ben- 
ting , die op twee uren afstands aan deze zijde van Moening 
op een heuvel in aanbouw werd gevonden, kozen de arbei- 
ders het hazenpad, zonder eenige poging tot verdediging 
aan te wenden. Yan Oijen liet hier het bivak opslaan; door 
een geweldigen slagregen die tot 's morgens aanhield, genoten 
de troepen echter geen rust. Het water drong door de afdaken 
die men van alang-alang vervaardigd had, en doofde de 
bivakvuren uit. De vijand, nabij de puinhoopen van Moe- 
ning vereenigd, trok met veel geschreeuw terug naarmate de 
kolonne naderde, en vlugtte bij de eerste kartetsschoten. Men 

8 



Digitized by VjOOQIC 



114 

vond de lijken onzer gevallen soldaten opgedolven,' die des 
vijands zorgvuldig begraven. De hooger gelegen kampongs 
bestonden niet meer; hun lot voorziende, hadden de bewo- 
ners de huizen afgebroken en zich in de wildernis verscho- 
len of met den vijand gemeene zaak gemaakt en zich naar de 
algemeene verzamelingsplaats , Amoenthay, begeven. 

De teleurstelling was bitter ; de ontmoeting met den vijand 
zou een verpozing geweest zijn na de zware marschen; 
maar in stede van kogels, vielen dagelijks groote regendrop- 
pelen, die het marcheren nog moeijelijker maakten. Toen 
na zes dagen, de kolonne van Oijen te Martapoera terug- 
kwam , werd het noodig geacht haar eenige dagen volkomen 
rust te schenken. 

Wij hebben de ))Onrust'' kommandant-luit. ter zee 1« kl. 
van de Velde verlaten, op het oogenblik dat deze zich gereed 
maakte voor een togt naar de Teweh. Den luitenant der 
inf. Bangert, vroeger kómmandant van Marabahan, was de 
leiding der politieke zaken opgedragen. 

Door den hoogen waterstand had van de Velde de Barito 
kunnen opstoomen. Na onderscheidene soengej*s met gewa- 
pende sloepen onderzocht, veel kampongs aangedaan en de 
bevolking overal rustig gevonden te hebben , bereikte hij den 
93*° kampong Lontontoeor nabij de Tewehrivier. Tommonggong 
Soerapati, het Hoofd van Doesoen, verdacht met Antassari 
een verbond gesloten te hebben, werd toen schriftelijk uit- 
genoodigd aan boord te komen. Vier dagen daarna kwamen 
zijne twee schoonzonen namens Soerapati, — die voorgaf 
ongesteld te zijn — eenige kleine geschenken en een vrede- 
lievenden brief brengen en verhaalden dat Antassari inderdaad 
daar geweest was , om hun schoonvader over te halen tegen 
het Nederl. gouvernement op te staan ; maar dat zijne pogin- 
gen schipbreuk geleden hadden èn op Soerapati èn op den 
onwil der bevolking ; verder deelden zij mede dat toen Antas- 



Digitized by VjOOQIC 



115 

sari zijne oproeping herhaalde, Soerapati getracht had hem ge- 
vangen te nemen. Ofschoon deze laatste mededeeling niet geloofd 
werd, toonde de kalme toestand van het land evenwel de 
onjuistheid der geruchten van opstand. 

Van dien togt terugkeerende , kreeg de Onrust last een 
verkenning naar Benoea Lima te maken. Bangert, bekend 
raet de Hoofden en vergezeld door hadji Mohamad Taib , 
bevond zich weder aan boord, om berigten aangaande de 
gezindheid der bevolking in te winnen en tevens een blik 
op het terrein te slaan ter beoordeeling in hoeverre het ge- 
schiktheid bezat voor militaire operatiën. 

De antassan Amboekoe , zelfs voor de Onrust onbevaarbaar, 
v^as door paalwerk en een paar reusachtige boomen afgesloten. 
Nabij Alabioe had Antassari een paalwerk van honderd el 
lengte aangebragt om den doortogt te beletten; door den 
sterken stroom waren de middelste palen evenwel opgeruimd, 
zoodat de Onrust door de opening kon stoomen. 

Men vond de kampongbewoners rustig , de oevers der ri- 
vier overal moerassig, nergens geschikte ontschepingsplaatsen, 
nog minder paden die naar Amoenthay voerden. Daar het 
vaarwater boven Alabioe te smal werd, achtte de komman-- 
dant der Onrust het niet raadzaam verder te gaan, keerde 
terug en stoomde van Margasarie de Marampiouw op, waar 
het volk zich, evenals te Negara, vredelievend toonde. 



Digitized by VjOOQIC 



HOOFDSTUK X. 



TBKISSONG. — TOGTEN VAN VBRSPIJCK NAAR PLEIHARIB BN 
MOENGOB THAYOR. — ONZE VESTIGING ALDAAR. 

Uit het zuiden werd gemeld, dat de pembekkels Joessoep 
en Boeyasin een wachtpost van 50 k 60 man hadden opge- 
rigt te Tekissong, drie uren bezuiden Tabanio aan zee ge- 
legen. Verspijck wilde dien post opligten en beraamde daartoe 
het volgende plan. Met de Boni zou de luit. ter zee 2« kl. 
Dronkers met 30 matrozen en infanteristen naar Tabanio 
stoomen, 's avonds aldaar aankomende de infanteristen aan 
wal zetten, en met de matrozen per gewapende sloep naar 
Tekissong varen. Van Dam van Isselt geleid door denpost- 
houder Meijer, moest aan het hoofd der infanteristen over 
land Tekissong naderen. Begunstigd door de duisternis kon 
de wachtpost dan gelijktijdig van twee zijden overvallen 
worden. 

Bij de uitvoering van dit plan ondervond men evenwel 
tegenspoed. Het weder werd zoo onstuimig, dat de sloep 
niet langs het strand kon oproeijen; de geheele magt 
ging toen over land. Na eenige uren gemarcheerd te heb- 
ben, werd Tekissong ongemerkt bereikt. Nu moest er 
nog een rivier doorwaad worden. Behoedzaam nadert 
men den post, doch de vijandelijke schildwacht ruikt lont, 



Digitized by VjOOQIC 



117 

maakt alarm en geeft het teeken tot een algemeene ,vlugt. 
Het doel van den togt werd dus niet bereikt. Men onderzocht 
de huizen , vond nog verscheidene voorwerpen van den ver- 
moorden posthouder, en twee praauwen van het vernielde 
mijn-établissement te Kalangan. Daarna werd Tekissong ver- 
brand en keerde men terug naar Tabanio. 

Het was nu meer dan tijd geworden om Tanah Laut te 
zuiveren. De pogingen van Andresen om die afdeeling door 
overreding tot rust te brengen, hadden geleid tot het ver- 
moorden der afgevaardigden. Pleiharie was het middenpunt 
des opstands , en de pembekkel Joessoep, het Hoofd dier plaats, 
hadji Boeyasin van Siboghor en een vijftal andere Hoofden 
waren de raddraaijers , die het volk tot verzet aanhitsten , de 
Bandjersche kooplieden het terugkeeren naar hun woonoord 
beletten en 450 Chinesche handelaren te Pleiharie tot werke- 
loosheid doemden. 

Op last dier Hoofden waren aUe rivieren die aan het zui- 
derstrand uitwaterden, ook die van Tabanio en Maloeka ver- 
sperd, om den toegang te water tot Pleiharie af te sluiten. 

Aanvankelijk door de togten naar Moening, later door het 
ongunstig weder opgehouden, kon de chefder expeditie eerst 
den 40«n December zijn voornemen ten uitvoer brengen om 
Tanah Laut te onderwerpen. In groote trekken werd het 
plan gevormd om van drie zijden Tanah Laut in te rukken. 
Een kolonne zou van Martapoera naar Pleiharie , een andere 
over Talokh het land indringen, terwijl een gewapende bar- 
kas langs de rivier van Sawarangan zou opereren. 

Tot dat einde ging majoor Verspijck aan boord van de Boni 
met een kolonne, sterk 100 bajonetten (onder Graas), een 
Sponder en een handmortier met bediening (onder Borel), 
een detachement van 7 sappeurs en honderd kettinggangers 
(onder den voorman Koeler), 's Morgens om 8 uur onder 
stoom gegaan zijnde, kwam men tegen 2{ uur ter hoogte van 
Talökh. Zware branding en hooge zee maakten het ontschepen 



Digitized by VjOOQIC 



118 

echter ondoenlijk. Terug sloomende, debarkeerde de kolonne 
tegen 5^ uur te Tabanio en rukte door maanlicht begunstigd 
onverwijld langs het strand naar Talokh. De kampongs Pegattan 
Ketjil en Pegattan Besaar waren verlaten. Nabij Talokh ko- 
mende, (9} uur) zag men in een woning vuur branden ; het 
was bekend dat de vijand hier een wachtpost had. Verspijck 
zond een sergeant met tien man langs den boschrand voor- 
uit, om de woning te omsingelen, en liet tegelijkertijd 
luitenant Verstege aan het hoofd der voorwacht tot het- 
zelfde einde langs het strand oprukken, ten einde het ont- 
komen der vijandige bewoners te beletten. De insluiting was 
nagenoeg gelukt, toen een inlandsch fuselier door ontijdig 
te vuren alarm gaf, en de bewoners de vlugt deed nemen. 
Door ons kruisvuur bleven drie lijken op de plaats. Binnen 
de woning vond men eenige geweren, lansen en parangs, 
benevens een kleinen voorraad kruid en lood. 

Voorziende dat de vlugtelingen onmiddellijk te Pleiharie de 
nadering der kolonne zouden bekend maken, beproefde Ver- 
spijck dienzelfden nacht nog door te marcheren. De duisternis 
onder het zware geboomte en de drassigheid des bodems 
beletteden echter met den Sponder door het eerste boschje 
te dringen. Toen keerde Verspijck naar Talokh terug en 
liet daar bivakkeren. Den volgenden dag werd omstreeks 
10 uur Benoea Tengah en tegen 1^ uur Kalambayan be- 
reikt. Onder weg zag men talrijke kudden karbouwen doch 
geen vijand. Te Kalambayan bleven vier gewapenden de kolonne 
afwachten; een hunner die zijn geweer aanlegde, werd neer- 
geschoten , de anderen verdwenen. In beide kampongs werden 
publicatiën aangeplakt, waarbij de bevolking bevolen werd 
binnen drie dagen terug te keeren , daar alle ledige huizen 
door de terugkeerende kolonne zouden verbrand worden. 
Den 42«° marcheerde men langs een goeden weg, die hier 
en daar door hoog gezwollen soengej's doorsneden werd, van 
kampong Malta naar Pleiharie. Een breede en diepe zijtak 



Digitized by VjOOQIC 



119 

der Tabaniorivier belette het spoedig deboucheren op de gol- 
vende vlakte, zoodat de voortroep die den 3ponder moest 
inwachten, niet terstond op den kampong kon vallen. Inde 
verte zag men een menigte menschen met goederen beladen 
de vlugt nemen. Toen er opgerukt werd, vond men met 
uitzondering der Chinezen de plaats verlaten. 

Op tien minuten afstands stond geheel op zich zelf het 
sterke en ruime ijzerhouten huis van pembekkel Joessoep. 
Naar deze plaats, voor verdediging geschikt, liet Verspijck 
de kolonne trekken en de woning onmiddellijk onder leiding 
van Pfeiffer palissaderen en met een gracht voorzien. Immers 
totdat Tanah Laut geheel tot rust was teruggekeerd, moest 
de hoofdplaats bezet blijven. Alle goederen van Joessoep, 
Toean Said en hadji Boeyasin werden verbeurd verklaard, 
hunne huizen omvergehaald en de materialen tot inrigting 
der benting gebruikt. De kapitein Chinees kreeg last, men- 
schen uit te zenden om de karbouwen van Joessoep op te 
vangen, waardoor in de voeding der soldaten werd voorzien. 

De tweede kolonne van gelijke sterkte onder kapitein de 
Ra vallet had den 4 O*'" Martapoera verlaten en langs een 
goeden weg de Banjoe Irang bereikt, den 41^« maakte zij 
een hoogst vermoeijenden marsch door een moerassig woud 
van ^i uur lengte tot TitiBangkal, en kwam zonder ontmoe- 
tingen tegen 5 uur na den middag van den 12<^° op een 
half uur afstands van Heiharie, waar ze halt hield om den 
vlugtenden vijand den pas af te snijden. Daar de kolonne 
Verspijck evenwel reeds tegen 10 uur 's morgens te Pleiharie 
was gekomen, had de vijand gelegenheid gehad om weg te 
komen. 

Zoowel het Chinesche Hoofd als de Boeginesche handelaars 
van Pleiharie gaven de verzekering dat de bevolking weinig 
lust had betoond om Joessoep te ondersteunen. Verspijck 
stelde daarom al het mogelijke in het werk om de inwoners 
lot terugkeer naar hunne kampongs over te halen. Zijne 



Digitized by VjOOQIC 



120 

pogingen werden met den besten uitslag bekroond; binnen 
5 dagen was Pleiharie weder bevolkt. Door bemiddeling 
van hadji Abdoel Kabar, het Hoofd van Maloeka, liet hij 
de bewoners van Mantiwa en Panjarattan (aan de Tabanio) 
de versperringen in de rivier opruimen en de noodige praau- 
wen gereed maken voor het transport van vivres en zieken 
van en naar Tabanio. 

Sawarangan en Siboghor door Maleijers en Mohamadaansche 
Daijaks bewoond, stonden bekend als plaatsen die in den op- 
stand een hoofdrol hadden gespeeld. Sawarangan had den 
vijand van ingesmokkeld zout voorzien; Siboghor was zijn 
rijstschuur geweest. 

Graas werd (13 Dec.) met 75 bajonetten en een mortier 
uitgezonden om Sawarangan te tuchtigen. Van 's ochtends 5 
tot 's namiddags 4 uur marcheert hij langs een allermoeije- 
lijksten weg, een soort van karbouwenpad, vol diepe gaten 
en hier en daar geheel overstroomd; vindt Sawarangan ver- 
laten, vernielt den zoutvoorraad en legt een tiental net ge- 
bouwde huizen in de asch. Op dien zelfden dag vaart Jeekel 
met een gewapende barkas de Sawaranganrivier op, vindt 
een versperring die hij met moeite opruimt, en jaagt een 
dertigtal Daijaks uit drie versterkte huizen. 

Pembekkel Joessoep, zoo berigtte men, zou zich schuil 
houden te Batoe-Beagong, 2} uur van Pleiharie. In alle stilte 
vertrekt kapitein Epke (14 Dec.) met luitenant Beeckman en 30 
bajonetten derwaarts, om dat Hoofd op te ligten, maar vindt 
zijn woning verlaten. Twee dagen later begeeft dezelfde officier 
met 75 bajonetten en 1 mortier zich op marsch naar Sibo- 
ghor; die togt levert nog meer bezwaren op dan die naar 
Sawarangan. Het groote huis van hadji Boeyasin wordt met 
den geheelen kampong in de asch gelegd. 

Perné heeft met 50 man het vier uur verwijderde Kramean 
en de Ravallet (18) kampong Soekoe Teloe bezocht. Verspijck 
zelf heeft met een klein detachement den stand van zaken 



Digitized by VjOOQIC 



121 

te Mantiwa opgenomen. Geen kampong, hoe afgelegen ook, is 
onbezocht gebleven ; overal zijn de bajonetten doorgedrongen, 
de vijanden verjaagd, de wapens ingeleverd; overal is on- 
derwerping aangeboden en de orde hersteld. Verspijck in- 
specteert de troepen binnen de voltooide benting, betuigt 
zijn tevredenheid over de volharding waarmede zware ver- 
moeijenissen zijn doorgestaan ook zonder den vijand te ont- 
moeten, en laat daarna onder den kreet van «Leve de Ko- 
ning!" de vlag hijschen. Onder Epke (spoedig vervangen door 
den 4««^ luitenant Magnin) en Perné zullen 70 infanteristen , 
en 8 artilleristen tot bediening van een Sponder en i mortier, 
Pleiharie blijven bezetten om de behaalde voordeden niet 
te verliezen en de politiemaatregelen van den civielen gezag- 
hebber, van Tabanio naar het centrum van Tanah Laut ver- 
plaatst, te ondersteunen. De Ravallet geleidt daarna de ko- 
lonne over Talokh en Tabanio naar Bandjer; Verspijck de 
tweede kolonne van Titi Bangkal naar Martapoera. 

Naauwelijks was de togt in het zuidelijke landschap afge- 
loopen , of men vernam dat de vijand op den heuvel Moen- 
goe Thayor, niet ver van Moening, eenb enting had opgerigt , 
ditmaal zóó sterk , dat zij tegen de stoutste aanvallen bestand 
was. Amin Oelah^ demang Lehman, Antaloedin, Koessin en 
Ali Achbar waren daar vereenigd en zouden het heilige oord, 
door de priesters als noodlottig voor de blanken aangewezen, 
met hunne benden verdedigen. Demang Lehman zou de na- 
dering onzer troepen belemmeren door hen op verschillende 
plaatsen uit hinderlagen te bespringen. Zijn invloed en magt 
waren zóó groot , heette het , dat thans de geheele bevolking 
de wapenen aangegord en gezworen had die in het bloed des 
vijands te heiligen. Enkele vreesachtigen die den strijd ont- 
weken, waagden zich niet meer in de nabijheid zijner ge- 
duchte krijgers , en hielden zich zelfs voor hunne landslieden 
in de wildernis schuil. 



Digitized by VjOOQIC 



122 

Hoewel deze beriglen niet van overdrijving^ vrtj. te pleiten 
waren, vooral wat de sterkte des vijands betrof die door som- 
migen tot op 2000 man werd gebragt , achtte majoor Ver- 
spijck ze toch belangrijk genoeg om ijlings een nieuwe ko- 
lonne in het veld te brengen en die in persoon aan te voe- 
ren. Van Oijen kreeg order om te Martapoera het noodige 
tot zamenstelling der kolonne te verrigten en kettinggangers 
in voldoenden getale gereed te houden tot transport van zeven 
dagen vivres. 

In den nacht van 27 December Bandjermasin verlatende, 
stelde de chef der expeditie zich 's anderen daags aan 
het hoofd van twee honderd bajonetten te Martapoera aan- 
wezig (onder de officieren Schiff, Epke, Graas, van Schen- 
del, Pfeiffer, Verstege en dd. officier Goenen), van twee 3pon- 
ders en twee mortieren met bediening (onder Borel) en 
twaalf sappeurs ; versterkte zijne magt , bij aankonist te Mata- 
raman , met nog 25 infanteristen van Pengaron , en rukte naar 
Soengkey in de volgende marschorde : 

Voorhoede : kapitein SchifiF en dd. officier Goenen. Hierbij 
was ingedeeld het detachement sappeurs met een3ponder,die 
in het midden geplaatst was met een bedekking van keur- 
soldaten. 

Hoofdtroep : majoor Verspijck , de overige artillerie met be- 
dekking tusschen het eerste en derde pelotpn infanterie, en 
de koehes. 

Achterhoede : luitenant van Schendel met de overige man- 
schappen. 

Bij elke terreinhindernis die een oponthoud veroorzaakte , 
werd halt gehouden ; van den hoofdtroep , die in drie pelotons 
was verdeeld, werd door de onevene hnks, door het eveneregts 
front gemaakt, marcheerde elk peloton acht pas voorwaarts, en 
sloten de koelies met de bagage op in de opening die daardoor 
ontstond. De achterhoede maakte te gelijkertijd achterwaarts 
front. Wanneer het terrein het niet belette , marcheerden bo- 



Digitized by VjOOQIC 



123 

vendien op de *ilanken eenige rotten tot dekking. Dank aan 
deze veiligheids-maatregelen , werden Lehman's plannen tot 
verraad geheel verijdeld , en bereikte men ongedeerd Soeng- 
key , waar het bivak werd betrokken 

Den volgenden dag naderde de kolonne tegen het middaguur 
den heuvel Moengoe Thayor. De voorhoedekommandant rap- 
porteerde dat hij groote rookwolken in voorwaartsche rigting 
zag opgaan. Verspijck liet halt maken , begaf zich naar vo- 
ren en ontwaarde op eenigen afstand een benting waarop 
de vijandelijke vlag woei. Ongetwijfeld waren die rookwol- 
ken niet zonder beteekenis , en droeg de vijand reeds ken- 
nis van zijne nadering. Den marsch vervolgende door een 
boschrijke vlakte , zag hij kort daarna de positie van Moen-. 
goe Thayor op 800 pas voor zich. Op den top van een heu- 
vel, rijkelijk met alang-alang begroeid , stond een gebastion- 
neerde benting met facen van 25 pas lengte , zaraenge- 
steld uit boomstammen van 40 voet hoog. Een smalle rivier 
kronkelde zich door eenig houtgewas langs den voet des 
heuvels. 

Op 400 a 500 pas aan deze zijde van het riviertje werd 
halt gehouden , carré geformeerd , en weerden de koelies met 
bagage daarin opgenomen. Terwijl de manschappen derand- 
sels aflegden , de koelies nederhurkten en hun het zwijgen 
werd opgelegd , ontving de voorhoedekommandant last om 
de boschstrook aan den voet des heuvels te verkennen. De 
vijand gaf geen teeken van leven ; slechts een enkele voor- 
vechter stond met ontblooten klewang voor het bastion te 
tandakken. 

Aanstonds stelde Schiflf zich in beweging , bereikte zonder 
tegenkanting het bosch, drong tot aan het riviertje door, en 
doorwaadde het , toen Graas met het tweede peloton tot 
soutien was opgerukt. Verstege met het derde peloton werd 
te gelijkertijd links het bosch ingezonden om zoo bedekt mo- 
gelijk tot vóór den regterhoek der benting te komen en zich 



Digitized by VjOOQIC 



12é 

niet te vertoonen voor het signaal van aanval klonk. Ter^vgl 
de voorhoede tot aan de helling van den heuvel avanceerde , 
was de hoofdtroep haar gevolgd tot op ongeveer 350 pas van 
de benting. De met lansen gewapende koelies vormden met 
de achterwacht een carré om de bagage te beschermen. In- 
geval van een aanval in den rug , moest van Schendel dien 
met een bajonetaanval beantwoorden. 

Nu werd de artillerie gelast zich bij de voorhoede te voe- 
gen. Naauwelijks in batterij gekomen, barstte onder een 
vervaarlijk geschreeuw der bezetting het vuur uit de benting 
los; de drieponders en Coehoorn-mortieren beantwoordden 
dit onverwijld. Middelerwijl ging de kolonnekommandant 
het terrein op de regterflank verkennen en dirigeerde 
Epke met een peloton infanterie naar die zijde. liet opruimen 
der versperringen door Verst ege lokte een vernieuwd krijgs- 
geschreeuw der bezetting uit ; ditmaal zou hij dus de bestor- 
ming afwachten. Met groote juistheid beschoten de Spon- 
ders de voorface. Daar trof een kogel den vlaggestok; snel 
achtereen vielen de granaten in de binnenruimte en sprongen 
op het gewenschte oogenblik. Plotseling hield het vijandelijk 
vuur op. Graas maakte zijne kompagnie gereed om tegen de 
voor haar liggende face storm te loopen, en toen het signaal 
klonk, rukte hij en de pelotons Verstege en Epke in den loop- 
pas den heuvel op, en worstelde zich door de alang-alang 
naar boven. 

Het was te veronderstellen dat een doodend salvo de be- 
stormers aan den voet der palissadering wachtte ; daarom hield 
Verspijck een sterk peloton in reserve. De tweede kompagnie 
werkt zich het eerst naar boven, de fuselier Sotrowidjojo is 
reeds op de palissadering ,.... en ontwaart dat de vijand ver- 
dwenen is. De uitwerking van het geschutvuur , het bedaarde 
en geregelde ontwikkelen onzer magt, de kans om afgesne- 
den te worden door de omtrekkende pelotons, hebben den'moed 
der verdedigers in ontzetting veranderd; hebben die helden- 



Digitized by VjOOQIC 



125 

schaar de gelegenheid doen aangrijpen om begunstigd door 
de hooge waUen , op handen en voeten uit de benting te 
kruipen en langs de steile helling aan den achterkant af- 
glijdende, ongemerkt te ontkomen. 

Al te gemakkelijk werd 's vQands bolwerk in bezit geno- 
men ; een paar pelotons zetteden de vlugtenden na , doch zon- 
der hen, tot staan te krijgen. Na weinige oogenblikken was 
er geen vijand meer te zien. De achterhoede met koelies en 
bagage marcheerde daarop naar de benting, waarbinnen het 
bivak werd opgeslagen. 

Twee dagen later verklaarde een gevangene, dat Moengoe 
Thayor aanvankelijk door twee honderd man bezet was doch 
dat bij de dispositiên tot den aanval den meesten den moed 
ontzonk en deze de benting verlieten om zich daarachter op 
te stellen , gereed om in het hooge rietgras te ontvlugten. 

Slechts Antaloedin en een dertigtal getrouwen bleven de sterkte 
verdedigen. Bij de omtrekkende beweging der pelotons Yer- 
stege en Ëpke y had werkelijk het meerendeel dat zich bui- 
ten bevond , reeds de wijk genomen ; doch toen een kanon- 
kogel den arm van een der verdedigers wegnam , en nog 
vier man vielen, vlugtte alles. De voornaamste aanvoerders 
waren niet in de benting geweest ; zij bevonden zich in de 
omstreken , om het kampongsvolk tegen ons te wapenen. Zóó 
spoedig had men geen aanval verwacht; want ter naauwer- 
nood waren er eenige voorloopige maatregelen tot verdedi- 
ging genomen. 

Terwijl de kolonne (den 30<^°) uitrustte en den dag besteed- 
de met tijdelijke loodsen en wachthuizen op terigten, ging 
Verspijck met een detachement van 80 man intanterie en één 
stuk geschut op verkenning uit in de rigting van Benoea 
Padang. Het regende dien dag ongeloofelijk sterk; de beken 
werden rivieren, de rivieren stpoomen. Toch waadde men 
drie uren door den modder ; diepe , snelstroomende waters 
passeerde men over een enkelen glibberigen boomstam; men 



Digitized by VjOOQIC 



126 

marcheerde zóó lang door, tot dat alle geweren weigerden, 
en soldaten en koelies uitgeput geraakten. Verkleumd van 
koude kwam men op het bivak terug. 

Toen 's anderen daags de zon weer doorbrak , ontving 
Schiff order om met een kolonne van 140 bajonetten en één 
Sponder over Tambarangan naar den ongeveer vier uren noord- 
waarts gelegen kampong Benoea Padang te marcheren , daar 
te overnachten, en den volgenden morgen zijne magt in 
tweeën te splitsen , de eene helft onder Epke te zenden naar 
kampong Telok Pegat, gelegen op den weg vanKendangan, 
de andere in persoon naar het westelijk gelegen Benoea Alat 
te geleiden; met dien verstande evenwel, dat de kolonnes 
slechts een halven dagmarsch mogten maken, om zich 
's avonds weder op het bivak te Benoea Padang te kunnen 
vereenigen. 

Vroegtijdig rukte Schift uit ; hij ondervond echter ook moei- 
jelijkheden op weg, daar de soengej's zoodanig gezwollen 
wareil , dat hij 2 j uur noodig had om een in gewone tijden 
onbeduidend beekje over te trekken ; dien tengevolge kwam 
hy eerst tegen het middaguur te Tambarangan. Hier 
moest hij den Sponder achterlaten , en droeg de bewaking daar- 
van op aan Verslege. Toen van Schendel met de voorhoede 
een riviertje wilde overtrekken, ontdekte de spits onraad 
aan de overzijde; op hetzelfde oogenblik knalde er een ge- 
weerschot. De Sponder, op het punt de kolonne te verlaten, 
deed een kartetsschot op het geboomte, en daarop door- 
waadde van Schendel zoo snel mogelijk het vrij diepe riviertje, 
gevolgd door zijne manschappen , die de patroontasschen om 
den hals hadden gebonden. 

Aan de overzijde door het geboomte gedrongen , werd een 
twee gelederenvuur geopend dat nog verscheidene vijanden 
in het stof deed bijten en de overige op de vlugt joeg. 
Schift^ liet den kampong in brand steken en volgde daarop 
de voetsporen der voorhoede. 



Digitized by VjOOQIC 



127 

Steeds den vijand voor zich uitdrijvend, kvtram men tegen 
4} uur voor Benoea Padang. Die kampong lag in digt ge- 
boomte verscholen. De vijand betwistte de kolonne den toe- 
gang. Toen hij zijn vuur opende , marcheerde de voorhoede 
op, en liet de kolonne-kommandant het peloton van Epke 
den kampong omgaan , om het ontkomen moeijelijk te ma- 
ken. Na eenig vuur, van 's vijands zijde tamelijk onschadelijk, 
werd de bajonet geveld en met den looppas de boschrand 
bereikt. Demang Lehman's bende — want deze bestreed men 
heden — week terug en wierp zich gedeeltelijk in de armen 
van Epke's peloton , dat haar met een salvo ontving en eenige 
krijgsgevangenen maakte. 

Nadat de vijand verslagen was, zou het bivak betrokken 
worden. Het bleek evenwel dat de omtrek van Benoea 
Padang geen behoorlijk terrein daarvoor aanbood; overal 
stonden boomen en struiken, nergens vond men een plaats 
die voor overval vrij was. Aan de overzijde des kampongs 
stroomde een ondoorwaadbare rivier; om die over te trek- 
ken zouden er eerst vlotten moeten gemaakt worden, en 
daarvoor was de dag te ver gevorderd. Schiff besloot dus 
terug te gaan en nam zonder verwijl den marsch aan, 
in de hoop vóór de duisternis een geschikte bivakplaats te 
zullen vinden. Hierin niet slagende , achtte hij het raadzaam 
den nacht door te marcheren , en bereikte tegen den morgen 
van den volgenden dag het bivak van Verstege. Zeer ver- 
moeid wierp men zich op den grond en sliep eenige uren. 

Toen trok men gezamenlijk naar Moengoe Thayor terug, 
waar de kolonne tegen 4 uur na den middag aankwam. 

Verspijck kwam tot de overtuiging , dat het bijna onmoge- 
lijk was om gedurende den hevigen regen een kolonne over 
land van Telok Pegat naar Kendangan te zenden. Hij had gezien 
tol welke marschen de brave soldaten in staat waren ; doch 
juist daarom moest hij hen in waarde houden en niet aan 
uitputting en ziekte bloot stellen. En dit zou zeker het 



Digitlzed by VjOOQIC 



128 

geval zijn, wanneer hij te veel van hunne krachten vergde. 
Daarbij bestond er wreinig kans om den vijand onder de 
oogen te zien. De benting van Moengoe Thayor v^erd met 
twee cirkelvormige bastions voorzien, en bewoonbaar ge- 
maakt door het opriglen van een afzonderlijke ofBcierswo- 
ning en een tijdelijke kaserne voor een bezetting van 130 
man. 

Vóór de houten borstwering werd nog een gracht gegra- 
ven , en de omtrek van de alang-alang gezuiverd. Zoo spoe- 
dig doenlijk was er vivresvoorraad voor eenige weken aan- 
gebragt, zoodat de bezetting niet alleen aan alle aanvallen 
het hoofd kon bieden , maar er ook nog een kolonne van 80 
man beschikbaar bleef om bij het ophouden der regens te 
kunnen uitrukken. Na het bevel over Moengoe Thayor aan 
Schiff te hebben opgedragen , marcheerde Verspijck met het 
overige der kolonne (3 Januarij 1860) van Soengkey naar Ma- 
taraman terug. 



Digitized by VjOOQIC 



HOOFDSTUK XL 



TEOENSPOED OP DE BARITO. -— Z. M. STOOMSCHIP ONRUST TE LON- 

TONTOEOR AFGELOOPEN. — TOGT VAN Z. M. STOOMSCHIP 

MONTRADO. — VERKENNING S TOGT NAAR GADOENG, 

Zwichtte de dweepzieke opgewondenheid van muitende 
benden overal te land voor de kalme vastberadenheid onzer 
dappere troepen, te water gelukte het den vijand ons ge- 
voelige verliezen toe te brengen; de eerste maal door een 
kloeken aanval , de tweede maal door gruwelijk verraad. 

Hoewel de bevolking van Poeloe Petak meer en meer tot de 
orde was teruggekeerd, werd echter de Kapoeas nog steeds 
door muitelingen onveiUg gemaakt. Na Soelil's dood, had 
zijn schoonvader , zekere kiay Soeta of Wanga Nata , gerug- 
steund door Antassari, de leiding der vijandelijkheden op 
zich genomen. 

Een kruisboot voor Kwalla Kapoeas gestationneerd , werd 
in den nacht van 28 op 24 December door een SOtal Daijaks 
in djoekongs aangevallen. Nadat vier matrozen door lansste- 
ken gewond waren, ontviel den djoeragan (gezagvoerder) 
de moed ; hij gaf zijn pistool over en capituleerde. Een 3pon- 
der, twee draaibassen van } ffi, eenige geweren , pieken, sa- 
bels en klewangs, de gereedschappen en munitie, alles viel 
den vijand in handen ; vrees voor de komst van een stoomschip 

9 



Digitized by VjOOQIC 



130 

deed hem daarna afhouden en zich met den gemaakten buit 
verschuilen, tot dat de vloed zou veroorloven het vaartuig zelf 
bij Poeloe Kanamit te brengen. De djoeragan benuttigde deze 
gelegenheid om met de uitgeplunderde kruisboot langs de 
kleine DaLjakrivier en verder over zee naar Bandjer te ontko- 
men, waar hij voor den krijgsraad werd gebragt. De stoomboot 
van Os, versterkt met 15 infanteristen werd toen voor Kwalla 
Kapoeas, en een andere kruisboot met 10 infanteristen voor 
de monding der Mengkatiprivier gestationeerd. 

^Vroeger is reeds melding gemaakt van de zending der On- 
rust naar de Teweh , waar Antassari zich bij zijn bloedver- 
want, tommonggong Soerapati ophield, sedert hij Amoen- 
thay had verlaten. De geruchten van vijandige gezindheid 
der bevolking van Bekompay en Boven-Doesoen bleken toen 
overdreven, zoo al niet geheel ongegrond te zijn. Alleen het 
gerucht dat Antassari pogingen in het werk had gesteld om 
dat rijk tot zijn partij over te halen werd bevestigd toen de 
Montrado, Koetei bezocht. Ook vernam men dat de vorst 
van Passir, Antassari bijstand had beloofd. 

De gunstige uitslag der boven bedoelde zending naar 
den gevreesden tommonggong, die mert Antassari aan het 
hoofd van 15000 man — zoo luidden immers de geruchten — 
Bandjer bedreigde, gafaanleidingomdat stoomschip nogmaals 
te gebruiken, en te trachten dat Hoofd over te halen, door 
de uitlevering van Antassari, een blijk te geven van zijne 
trouw aan het nederlandsch gouvernement. Tot dat einde 
vertrok Z. M. stoomschip de Onrust den 14«" December van 
Bandjermasin, met den luitenant Bangert, aan wien de po- 
litieke leiding der onderhandelingen was opgedragen. Uadji 
Mohamad Taïb , die dezen officier in zijne eerste zending en 
reeds vroeger, tijdens hij met het civiele gezag te Maraba- 
han belast was, ter zijde had gestaan, werd ook ditmaal 
medegenomen. 



Digitized by VjOOQIC 



131 

Den 31*^" December kwam hadji Mohamad Taïb geheel alleen 
terug en deelde het. volgende mede: 

»Toen wij te Lontontoeor aan de Teweh kwamen, zond 
de luitenant Bangert mij met brieven naar Soerapati en 
Ariapati. Den volgenden dag kwam Soerapati met een 
gevolg van vijftien personen, familieleden en mantri's, in 
één groote en verscheiden kleinere praauwen zich aan- 
melden. 

^Ik maakte den luitenant Bangert opmerkzaam dat de praau- 
wen onoverdekt waren, 't welk aanduidt dat men vijandelijk- 
heden in den zin heeft , daar er in gewone omstandigheden 
onder een atappen dak gevaren wordt. 

^Soerapati werd echter aan boord toegelaten ; de praauwen 
met de roeijers moesten op eenigen afstand van de Onrust 
op stroom gaan liggen. 

•Soerapati met zijne zoons en een schoonzoon, vier of 
vijf personen te zamen, gingen in de kajuit en bleven er 
een half uur bij de H. H. Bangert en van de Velde. Ik 
bleef toen bij de overige tien man van het gevolg op dek; 
de andere officieren bevonden zich daar ook, spraken de 
mantri's toe en dronken met hen een glaasje drank. Sommige 
officieren waren ongewapend, eenige droegen den. ponjaard. 

•Inmiddels was het middag geworden; de matrozen ver- 
spreidden zich, de meesten gingen naar beneden. Slechts 
twee soldaten met geweren gewapend stonden regts en links 
van het schip op post. 

»Na afloop der conferentie, zag ik de H. H. Bangert en 
van de Velde boven komen gevolgd door Soerapati en zijne 
vier of vijf zonen. Bangert was ongewapend , van de Velde 
droeg een ponjaard. Men bood Soerapati aan, hem het schip 
te laten zien. Van de Velde brengt Soerapati bij een stuk 
geschut, Bangert geleidt Ibon naar het andere. Eensklaps 
trekt deze zijn klewang, schreeuwt amok en brengt Bangert 
een slag toe waardoor hij nedertuimelt. 



Digitized by VjOOQIC 



132 

ïOp hetzelfde oogenblik heeft Soerapati zijn geleider een 
klewanghouw toegebragt. Van de Velde trekt nog zijn pon- 
jaard, werpt zich op Soerapati, verwondt hem aan het voor- 
hoofd, doch wordt daarna afgemaakt. De officieren springen 
door de koekoek in den longroom ; de matrozen vlugten 
in den kuil. 

>0p het geroep van amok zijn de roeljers van de groote 
praauw die op stroom lag, snel naar het schip gekomen, 
enteren het en springen op het dek. In een oogenblik waren 
er wel 60 man op het schip. 

))Omdat ik mij buiten het gevecht wilde houden, vlugtte 
ik langs een ankerketting in mijne praauw, en roeide naar wal. 

])Een menigte praauwen deels in het gevolg van Soerapati 
medegekomen, deels achter Lontontoeor verscholen, voeren 
nu pijlsnel op de Onrust af. In een oogwenk bevonden zich 
vijf- zeshonderd man aan boord en plunderden naar hartelust. 
Ik hoorde geen enkel schot vallen. Waar de twee schild- 
wachten gebleven zijn, weet ik niet. 

ïNadat het plunderen eenigen tijd geduurd en ik mij ver- 
borgen had in een huisje op een rakit , zag ik vijf Europe- 
anen in het wit gekleed — welligt stokers uit de machine- 
kamer — , op het dek komen , hunne pistolen afschieten en 
overboord springen. Dadelijk werden ze nageroeid en in het 
water afgemaakt. 

ï>Later begon het schip te zinken; hoe dit kwam, weetik 
niet. Men bleef evenwel doorplunderen, tot dat het dek 
onder water was. Daarna roeiden de praauwen de rivier op. 

^Gedurende die gebeurtenis kwam er een vyeinig rook uit 
den schoorsteen, ik geloof van het vuur uit de kombuis. 

ïToen alles geëindigd was , ben ik spoedig de rivier af- 
geroeid om het ongeluk mede te deelen." 

Volgens denzelfden berigtgever zou de bediende van Wal- 
deck den moord ontkomen, doch gevangen genomen en pan- 
deling gebleven zijn. 



Digitized by VjÓOQIC 




Digitized by VjOOQiC 



ras REW YORK 
FUBUCUBRART 






Digitized by VjOOQiC 



133 

Een politieoppasser van Bangert, die zeer spoedig van boord 
vlugtte, kwam te Marabahan aan en rapporteerde nagenoeg 
hetzelfde. 

Het verhaal van het afloopen van de Onrust, zoo als Mohamad 
Taïb of Mataïb het mededeelde, is later volkomen bevestigd, 
door drie volgelingen van Soerapati die in November 1862 
aan de Tev^eh in handen van den chef der expeditie vielen. 
Verspijck het namelijk een vijftal gevangenen elk afzonderlijk 
verhooren. Drie hunner waren bij de noodlottige gebeurte- 
nis tegenwoordig geweest en deelden dezelfde bijzonderheden 
mede die Mataïb indertijd had gerapporteerd. Twee van die 
gevangenen verklaarden dat er geen schot gevallen was; de 
derde meende evenwel een paar schoten gehoord te hebben. 
Hij verhaalde nog dat zoodra de roeijers geënterd hadden, 
eenigen er van naar de stukken liepen en een slok water, 
van te voren in den mond genomen, op de zundgaten spo- 
gen. Toen de plunderaars in de kruidkamer kwamen, von- 
den zij verscheidene vaatjes opengeslagen en het buskruid 
op het dek gestort; het was toen evenwel al nat. Waar- 
schijnlijk hadden de laatstoverblijvenden te vergeefs getracht 
het schip in de lucht te doen springen. Eenige dagen later 
had men bij laag water de kanonnen aan vlothout vastgebon- 
den en toen daarna het water rees , het geschut zonder veel 
moeite aan wal gebragt. 

De luitenant ter zee 1® klasse kommandant van de Velde, 
Ie luitenant der infanterie Bangert, luitenants ter zee 2^^ klasse 
van Pestel, van der Kop en Braam, de officier van gezond- 
heid Dilg, de adjunct-administrateur Waldeck en de geheele 
bemanning, tezamen meer dan vijftig man , waren dus onder 
het verraderlijk staal van Soerapati gevallen ! 

Hadji Mohamad Taïb verdween den 4«° Februarij vanBan- 
djer, van waar hij zich op last van den chef der expeditie 
niet mogt verwijderen. 



Digitized by VjOOQIC 



134. 

Het was te voorzien dat het afloopen van de Onrust den 
moed des vijands opwekken en de uitwerking onzer over- 
winningen schaden zoude. Verspijck ijlde daarom naar Ban- 
djermasin, waar juist een versterking van drie kompagniën 
van het 7^ bataillon infanterie was aangekomen. 

Daar de Boni verschansing noch batterij had en dus , zelfs 
met een detachement infanterie versterkt, te zwak was om 
alléén een verren togt te ondernemen, werd bepaald dat de 
Montrado, door de Boni geholpen, de Barito zou opvaren en 
trachten tot Lontontoeor op te werken (omtrent de mo- 
gelijkheid bestond groote twijfel bij den kommandant der 
maritieme magt), ten einde het verraad van Soerapati te 
straffen en de Onrust te ligten. 's Anderen daags (5 Ja- 
nuarij) was Verspijck evenwel verpligt zijn plan tot wraak- 
neming uit te stellen en op een andere wijze over de stoom- 
schepen te beschikken. 

De stoomer van Os toch was in den avond van den 2«" 
van half zevpn tot één uur 's nachts door een menigte djoe- 
kongs bestookt geworden en had, na den vijand gedurende 
zes uren afgeweerd te hebben , het raadzaam geoordeeld , toen 
de maan was ondergegaan naar Poeloe Petak te stoomen. Nu 
kreeg de Montrado, kommandant de Haes, bevel, met 440 
bajonetten onder kapitein van Sternbach naar Poeloe Petak te 
stoomen — welke post ook weder bedreigd werd , — de be- 
zetting aldaar met twintig man te versterken, hetzelfde te 
Marabahan te verrigten , en daarna de Kapoeas zoover mogelijk 
op te varen, alle soengej's en kreken te onderzoeken, alle djoe- 
kong's te vernielen en alle gewapende inlanders over de kling 
te jagen. — Tot bewaking der Barito en Kleine-Daijak werd 
de Celebes gestationeerd aan de noordelijke monding der 
Mengkatip, in de Barito; de sleper van Os voor de monding 
der Kapoeas, en een kruisboot (n®. 21) aan de zuidelijke 
monding der Mengkatip. 

De Montrado had het ongeluk vast te raken te Moeara 



Digitized by VjOOQIC 



135 

Poeloe, aan de zamenvloeijing der Barito en Kleine-Daijak 
De kommandant de Uaes zond om hulp naar Bandjer en ont- 
bood tegelijkertijd de Celebes en van Os. Hierdoor lagen de 
riviermondingen zoolang onbewaakt en was de afsluiting ge- 
schorst; de Boni maakte bovendien een vruchteloozen togt 
daar de Montrado weder vlot was geworden. De Haes 
die alle soengej's onderzocht en op de voornaamste punten, 
die door moerassen niet ontoegankelijk waren, ontscheepte, 
volbragt zijne zending zonder den vijand te vinden , en kwam 
den 18^" te Poeloe Petak terug. Nu eerst , toen de honderd 
bajonetten van de Montrado weder beschikbaar waren, kon 
Verspijck op andere punten van het oorlogstooneel het initia- 
tief nemen. 

Tegen Amoenthay, het centrum der vijandelijke magt, de 
plaats waar Hidayat zijn zetel gevestigd had , zoude voorzeker 
dadelijk zijn geopereerd, indien de beriglen omtrent de on- 
genaakbaarheid dier plaats, gedurende de zware regens 
geheel onder water, hem niet hadden teruggehouden. In 
afwachting van gunstiger weder liet hij inmiddels Moengoe 
Thayor voor drie maanden van leellogt voorzien en stelde 
alle middelen in het werk, zoowel om ingelicht te worden 
omtrent den toestand van hel land, waarin hij eerlang wilde 
binnendringen, en omtrent de plannen en strijdkrachten des 
vijands, als om de onzijdige bevolking vertrouwen in te 
boezemen en de gistende gemoederen in toom te houden. 
Geruchten over Antassari's komst aan het hoofd van 10,000 
man werden niet bewaarheid, en een onrustige beweging in 
Kween werd door militaire vertooningen van het garnizoen 
der hoofdplaats onderdrukt. 

Te Martagiri in het landschap Tapin nabij Moening lag 
een vorstelijk jagthuis. Demang Lehman, had zich , aan het 
hoofd eener gewapende bende, derwaarts begeven, het jagt- 
huis verbrand en de bevolking gedwongen zijne partij te 



Digitized by VjOOQiC 



136 

kiezen. Een sterke patrouille onder van Schendel, op het 
ontvangen dier tijding naar Martagiri gezonden , vond geen 
vijand meer, doch vernam dat er een aanval op Moengoe 
Thayor werd beraamd. Verspijck achtte het raadzaam den 
nadeeligen invloed van 'svijands tegenwoordigheid in die 
streken zoo spoedig mogelijk weg te nemen. Door een tijde- 
lijk detacheren van 55 infanteristen uit de bezettingen van 
Pengaron en Mataraman en door de toezending van 50 ketting- 
gangers naar Moengoe Thayor , stelt hij Schiff in staat een 
kolonne zamen te stellen sterk 420 bajonetten en eenSponder, 
om daarmede het terrein langs soengej Tapin tot Gadoeng, 
en langs den weg naar Kendangan tot Taal , van vijanden te 
zuiveren. Een tweede kolonne van 70 man onder Beeck- 
man wordt op de Boni ingescheept , om te trachten Gadoeng 
over Marabahan , langs de Merampiouw^n Tapin, te bereiken, 
en wel in dier voege dat hij op denzelfden dag de kolonne 
ontmoet die van Moengoe Thayor is uitgegaan. Daar tot nog 
toe geen stoomschip verder dan Pebangan had durven gaan, 
en Verspijck zich met het terrein langs de Negara en hare tak- 
ken wilde bekend makfen; dewijl het doordringen in een land- 
streek, waar de bevolking zich achter hare onoverkomelijke 
moerassen veilig waande, van veel gewigt was, zoo besloot 
hij zelf den togt langs de Tapin te leiden. Den 18®" stoomde 
de Boni naar Marabahan en 's anderen daags naar Poeloe 
Petak, waar de Montrado toen juist van de Kapoeas terug- 
kwam. 

Hier werd bepaald dat, in afwachting der vaartuigen die 
tot een togt naar Lontontoeor moesten dienen, de Montrado 
voor de noordelijke uitwatering der Mengtakip , de Gelebes te 
Bandjer , en de kruisbooten no. 21 en 42, ieder versterkt 
roet 10 infanteristen voor de Kapoeas zouden stationeren. 

Met de Boni naar de Kapoeasmonding doorstoomende, ont- 
scheepte Verspijck aan den linkeroever , ten einde een ge- 
schikt punt te zoeken voor een post, die daar meer nut zou 



Digitized by VjOOQIC 



137 

doen dan te Poeloe Petak. Von Sternbach had reeds een punt 
aangewezen op den linkeroever der Kapoeas en den regieroever 
der Poeloe Petak. Het terrein was daar echter zóó laag, dat 
het vermoedelijk bij hoogen vloed zou onderloopen. Verspljck 
gelastte daarom aan den kommandant der nabijgelegen kruis- 
booten, om het bosch op bedoeld punt weg te hakken en de 
waterhoogte naauwkeurig waar te nemen. Teruggaande 
werd de tot nog toe onbekende Mengkatiprivier voor het 
eerst binnen gestoomd, op een berigt dat vier oorlogspraau- 
wen uit de Oeloe Doesoen in den kampong Mengkatip waren 
aangekomen om de bevolking tot een aanval op Poeloe Petak 
over te halen. Bij den kampong, die twee uren later 
bereikt werd, vond men evenwel geen rankas meer, terwijl 
de bevolking zich vredeUevend gedroeg en verklaarde 's vlj- 
ands voorstellen te hebben afgeslagen. 

In den morgen van 20 Januarij te Marabahan terugko- 
mende, stoomde de Boni, over Margassari en Baboengen, 
voorzigtig de soengej Tapin op. Alle djoekongs en praau- 
wen, die men tegen kwam, werden aangehouden en me- 
degevoerd , en tegen den ochtend van 21 Januarij de za- 
menvloeijing der Tapin en Belimouw bereikt. Daar de 
Tapin hier zeer smal werd, trachtte de kommandant ver- 
der over land Gadoeng te bereiken. Alle moeite om een 
pad te ontdekken was echter te vergeefs; het omUggend 
terrein bestond uit een ontoegankelijk moeras. Verspijck 
zond een zendeling vooruit, om de bevolking te waarschu- 
wen niet te vlugten , maar ten teeken harer goede gezind- 
heid witte vlaggetjes uit te steken; daarna liet hij Beeck- 
man met een gedeelte zijner magt overgaan op de kleine 
sloepen der Boni en de onderweg aangehouden djoekongs, 
en de rivier oproeijen. 3^. uur later bereikte Beeckman Ga- 
doeng, en vond de bevolking in den kampong met het tee- 
ken van onderwerping boven de deuren. Hij marcheerde 
den weg naar Benoea Alat op , doch keerde — de kolonne 



Digitized by VjOOQiC 



138 

Schiff niet ontmoetende — tegen den avond naar Gadoeng 
en 's anderen daags aan boord terug. 

Door het laat aankomen der koelies was Schiff genoodzaakt 
geworden een dag later (21 Januarij) dan bepaald was , van 
Moengoe Thayor op raarsch te gaan , had gebivakkeerd te 
Benoea Padang waar de bevolking zich vredelievend gedroeg, 
en bereikte den volgenden dag , over Koepang, Rantau en 
Benoea Alat, tegen 3 uur na den middag Gadoeng. 

Het kampongshoofd deelde mede dat eenige troepen Ga- 
doeng hadden bezocht, en des morgens verder waren geto- 
gen ; ook gaf hij een briefje van Beeckman over , dat zijne 
mededeeling bevestigde. Op weinige uren na, hadden zich 
dus de kolonnes langs twee zeer uiteenloopende wegen ver- 
eenigd. Door aanhoudende slagregens waren de rivieren 
zoodanig gezwollen dat Schiff langs een anderen weg , over 
Bakkinang en Walang, moest terug keeren. Te Benoea 
Padang bivakkerende , bleek de onmogelijkheid om met hèt 
toenemend getal zieken, door de onwaadbare soengej's, over 
Telok Pegat en Taal te marcheren. Te Tambarangan ver- 
toonden zich eenige gewapenden; daarom werden de huizen 
die vroeger gespaard waren, allen in de asch gelegd. 

Had men overigens overal vreedzame kampongs gevonden 
en Lehman noch Amin Oelah met zijne strijdbende ontmoet, 
had men met zware vermoeijenissen gekampt, — zonder nut 
was echter die gecombineerde togt niet. Van onze zijde toch 
was de kennis van het land, waar de ijverigste Hoofden des 
opstands zich ophielden , aanmerkelijk toegenomen ; terwijl 
de inboorlingen de overtuiging verkregen dat de bajonetten 
zich noch door moerassen , noch door ontelbare riviertjes 
lieten terughouden. 



Digitized by VjOOQIC 



HOOFDSTUK XII. 



TOGT NAAR SAWARANGAN. — EXPEDITIE NAAR DE BOVEN-BARITO 
TEGEN SOERAPATI. — VERMBBSTERING VAN LAHEY. 

In Tanah Laut was het grootste gedeelte der bevolking 
in onderwerping gekomen ; slechts van Sawarangan Damit 
kwamen minder gunstige berigten en te Assem-assem zou zelfs 
een kleine benting opgeworpen zijn. 

Ten einde de laatste hand aan de onderwerping van dit 
gewest te leggen , zond de chef der expeditie den kapitein 
Graas met 30 man naar Pleiharie. De 1^ luitenant militaire 
kommandant Magnin , kwam den 25^° Februarij onder zware 
regens met een kolonne van 65 bajonetten te Sawarangan 
aan, en dreef een uur lang eenige Daljaks met blaasroeren 
gewapend op een afstand voor zich uit. Digt bij den kam- 
pong zag men een twintigtal, met geweren en lansen ge- 
wapend. Magnin wilde het vergieten van onnoodig bloed 
voorkomen en zond een gids vooruit om hen tot onderwer- 
ping uit te noodigen; deze kreeg evenwel ten antwoord »dat de 
kommandant kon doen wat hij verkoos, maar dat er veel Boegi- 
nezen waren die hem achter Sawarangan zouden opwachten." 

Magnin liet nu een der brani's die zich bloot gaf, door een 
scherpschutter neerleggen en het peloton van den dienst- 



Digitized by VjOOQIC 



140 



doenden officier van Straten met gevelde bajonet op hen los- 
gaan. De Sawarangers kozen in allerijl het hazenpad; de 
kampong waar veel nieuwe huizen waren opgebouwd , werd 
in brand gestoken en de rijstschuren op de ladangs werden 
insgelijks vernield. Magnin keerde daarna over Boelin terug. 
Door de geforceerde raarschen waren zijne manschappen uiterst 
vermoeid. — De benting volgens geruchten door kiay Moha- 
mad Joessoep te Temingan opgerigt , lag naar men meende 
meer in het bereik van Martapoera; de kommandant dier 
plaats kreeg dus last om daartegen te ageren, wanneer 
het bestaan dier benting mogt worden bevestigd. Later bleek 
het dat die benting niet bestond. 

Door de komst van Z. M. stoomschip Suriname , luite- 
nant ter zee 1® klasse von Schmidt auf Altenstadt , op den 
48«" Januarij ; van het stoomvaartuig Bennett en een barkas op 
den 21 «'^ Januarij was men eindelijk in staat een magt naarLon- 
tontoeor te zenden om wraak te nemen over het verraad aan 
de Onrust gepleegd. 

De expeditie zou aangevoerd worden door den luitenant 
ter zee 1® klasse de Haes, belast met de leiding der maritime 
zaken , en was zamengesteld uit Z. M. stoomers Boni en Suri- 
name , een gewapende barkas , 3 ijzeren laadbooten , de 3^ 
(100 inlanders) en 6c (100 Europeanen) kompagnie van het 
7^ bataillon infanterie, onder bevel van kapitein Ravesteijn, 
twee houwitsers en een mortier van 11 1 duim met bedie- 
ning onder den 2«° luitenant Winter, een detachement van 15 
sappeurs, een- officier van gezondheid met de noodige ambu- 
lance en 70 kettinggangers voor het transport. Men voerde 
voor twee maanden vivres mede, insgelijks 20 ambachtslie- 
den, 6 duikers, den opzigter van den waterstaat Kuipers, 
en eindelijk de afgetuigde brik de Adrak , om den kolenvoor- 
raad op te nemen, en om bij het ligten der Onrust of zoo noo- 
dig als drijvende batterij te dienen. / 



; 



Digitized by VjOOQIC 



141 



De instructie voor den kommandant der expeditie hield 
den last in , om naar Lontontoeor te stevenen , de benting 
door den vijand aldaar opgeworpen te nemen, daarna alles 
te vernielen en te verdelgen wat langs de Boven-Barilo en 
hare lakken werd gevonden , en voornamelijk de onderdanen 
te straffen van Soerapati (te kampong Bahan aan deBarito), 
van tommonggong Roepa (te soengej Latai), en van Maas 
Anom (aan de Tewehrivier). Het afloopen der Onrust riep om 
wraak, het snood verraad van Soerapati eischte gebiedend 
een voorbeeldelooze tuchtiging. Had de wraak niet «onmid- 
dellijk op de misdaad kunnen volgen , zij zou daarom niet 
minder gevoelig zijn. 

Hoewel de bijzonderheden van het uitmoorden der Onrust 
nog in het duister gehuld waren , was het toch meer dan waar- 
schijnlijk dat hadji Mohamad Taïb zich in persoon aan boord 
bevond toen de moord begon , uit vrees om in de zaak betrok- 
ken te worden zich verwijderd en daarna een getrouw verslag 
van het gebeurde gegeven had. Het had zich bevestigd dat 
twee inlanders , een bediende van den administrateur van Wal- 
deck en een politieoppasser van Marabahan die den luitenant 
Bangert vergezelde, den dood ontkomen en door hadji Moha- 
med Taïb voor 60 gulden van de Daijaks uil gekocht waren; 
dat Taïb , beducht dat zij later tegen hem zouden getuigen , 
hen in een kampong iets beneden Lontontoeor had achter- 
gelaten. De Haes werd opgedragen geen middelen onbeproefd 
Ie laten om die menschen op te sporen. Tot dat einde w er- 
den hem twee getuigen, Boetalip en Jakal, medegegeven die 
tijdens het afloopen van de Onrust zich te Lontontoeor be- 
vonden, om den kampong aan te wijzen waar de ge- 
noemde inlanders waren achtergebleven. (Een dezer gelukte 
het te ontsnappen en kwam in het begin van den togt op 
de Suriname teregt.) Van meer dan eene zijde had men be- 
riglen ingewonnen omtrent het noodlottig einde der Onrust en 
allen kwamen daarin overeen, dat er geen enkel geweer- of 



Digitized by VjOOQIC 



142 

pistoolschot gedaan was en dat de officieren , die zich op dek 
bevonden zeirs niet gewapend waren. Goesti Omar, een zen- 
deling van Antassari, — die met 40 man bij Soeta Ono , het 
Hoofd van kampongSihong, kwam om hem te dwingen de wa- 
pens tegen het gouvernement op te vatten, en die eenige 
dagen te Sihong vertoefde. — goesti Omar vertelde, dat hij alle 
bijzonderheden van het afloopen der Onrust uit Antassari's 
eigen mond had vernomen en dat er bij die gelegenheid geen 
enkel man van den kant der opstandelingen was gebleven. 

Uit dit alles mag men afleiden dat de wacht niet onder 
de wapenen was, toen Soerapati met een gewapend gevolg aan 
boord kwam; dat er tegenover de meest verraderlijke han- 
delwijze van dat Hoofd, van onze zijde een onbegrensd , 
een blind vertrouwen heeft geheerscht , een vertrouwen dat 
helaas al te zwaar werd geboet. Heeft men werkelijk stoom 
op gehad, dan bestond er bij eenige voorzorg de gelegen- 
heid om daarvan partij te trekken, door het anker te laten sUp- 
pen en den aanval der praauwen te ontwijken ; heeft men 
geen stoom op gehad, dan pleit dit slechts te meer voor de zor- 
geloosheid. Daar Soerapati geen enkel man verloor, schijnt 
de aanval zoo onverwachts geschied te zijn, dat er zelfs geene 
poging tot het verzamelen van officieren en manschappen kon 
gedaan worden, dat geen verdediging hoegenaamd mogelijk was. 

Te 3 ure in den namiddag van 27 Junij inspecteerde de 
majoor Verspijck de expeditionaire magt en hield haar de ge- 
wigtige taak voor oogen die zij te vervullen had. 

ï>Het verraad van Soerapati eischte een bloedige wraak, 
het bloed hunner vermoorde makkers kon slechts door het 
bloed der moordenaars afgewasschen worden ; de straf moest 
zijn als de misdaad , geweldig , indrukwekkend. 

»Iedere Daijak of Maleijer die bewijs droeg van medephgtig- 
heid aan het misdrijf, moest zonder genade over de kling ge- 
jaagd , iedere kampong waarin eenig voorwerp van de On- 
rust gevonden werd, in de asch gelegd worden. Slechts 



Digitized by VjOOQIC 



143 

vrouwen en kinderen moest men sparen ; tegen zwakken en 
hulpeloozen werd geen krijg gevoerd. 

»Maar niet alleen het gevoel van wraak moest de expeditie 
bezielen ; de eer onzer wapens, door het verlies van een oor- 
logsvaartuig aangetast , moest hersteld worden. Door list en 
valschheid raogt het Hoofd , dat zich een vriend van het 
gouvernement noemde , er in geslaagd zijn Neêrlands vlag met 
voeten te treden , Neêrlands wapenen onschadelijk te ma- 
ken en Neêrlands dienaren wreedaardig om te brengen, 
die zege van een oogenblik moest hem duur te staan komen." 

Met een driewerf hoera werd die toespraak beantwoord en 
brandend van verlangen om den snooden Daijak onder de 
oogen te komen , gingen de troepen aan boord. 

Daar de Haes zich onderweg gedurig ophield met het ver- 
woesten der kampongs waarin sporen van deelneming aan 
de plundering der Onrust werden gevonden, had Soerapati 
gelegenheid zich op de komst der expeditie voor te berei- 
den en werd Lontontoeor eerst den 9*^" Februarij bereikt. 
Natuurlijk was de kampong verlaten, 's Anderen daags ont- 
dekte men de plaats waar de Onrust lag; door den sterken 
stroom , bij een diepte van 7 a 8 vadem water kon echter niet 
naar het gezonken vaartuig worden gedoken. 

Onderweg had men vernomen dat de SOponder van de Onrust 
door den vijand op een hoogte geplant was. Toen men dus, 
den 11«" tot kampong Laogong doorstoomende , een verster- 
king ontdekte op het oog half voltooid , en van dat punt 
gezien, slechts even boven den waterspiegel uitstekend, 
verwachtte men den 30ponder ddar niet. Dekommandantliet 
echter de flotille voor den kampong ankeren en stoomde 
met de Suriname door , om de versterking Lahey te ver- 
kennen. 

Nader bijkomende liet hij het kanonvuur openen ; de vij- 
and beantwoordde dit dadelgk en joeg , toen de stoomer in 
de vuurlijn van den SOponder was gekomen, met zoo veel 



Digitized by VjOOQIC 



144 

juistheid een kogel door het vaartuig, dat drie Europesche 
en zes inlandsche manschappen door het projectiel en de splin- 
ters buiten gevecht werden gesteld. Met volle kracht een 
500 el doorstoomende , beproefde de kommandant van daar 
het vijandelijke geschut te demonteren, doch slaagde er 
niet in. 

Gedurende den togt naar boven was het de gewoonte ge- 
weest met de stoomfluit het signaal tot debarkeren te ge- 
ven, wanneer er een kampong moest getuchtigd worden. 
Thans liet de Haes de stoomfluit weder werken; de afstand 
was evenwel te groot om het geluid over te brengen naar 
de plaats waar de andere schepen lagen; ook was het ge- 
zigt door een bogt in de rivier onderschept. De schepen lagen 
dus boven- en benedenstrooms van de benting, zonder onder- 
linge gemeenschap. Orders voor mogelijke gebeurtenissen 
waren niet achtergelaten; die te zenden door middel van een 
sloep , achtte de Haes ongeraden ; den nacht af te wachten 
om zijne beschikkingen voor den volgenden dag per sloep naar 
de flotille over te brengen, wilde hij ook niet; en daar het 
zijn wensch was om zich met de rest zijner magt te ver- 
eenigen, besloot hij tegen het vallen van den avond met de 
Suriname weder stroomafwaarts te gaan. 

Ter hoogte der benting gaf de stoomer nog eens vuur, 
en ontving andermaal een SOponds kogel in den romp , met 
dat gevolg dat de beide ketels doorboord werden , de machine 
stil stond , de machinist 8® kl. van Yiegen met 6 stokers 
door den ontsnappenden stoom deerlijk verbrand werden en 
men bovendien nog twee gekwetsten kreeg. Met den stroom 
afdrijvende, bereikte de Suriname aldus gehavend de plaats 
weder waar de Boni en de Adrak voor anker lagen. 

Had de kommandant vroeger het noodig geoordeeld, niet met 
sloepen en ook niet van de landzijde met troepen, maar met 
een stoomer te verkennen , omdat het hem van belang voor- 
kwam een blik in de benting te werpen, thans — na den 



Digitized by VjOOQIC 



146 

ODgunsligen afloop der verkenning — achtte hij zijne magt 
te gering om de benting aan te, tasten. Aan de Mengkatip 
lag de Montrado gestationeerd , om zoo noodig de expedi- 
tie bij te springen; een mandor met li2 kettinggangers en eenige 
inlandsche matrozen van de ijzeren laadschouwen werden tot 
dat einde (den 13^°) per djoekong derwaarts gezonden en 
bereikten den 45«" de Montrado. Ten 2 uur in den namiddag 
ging deze onder stoom. 

Terwijl aan het herstellen der Suriname gewerkt werd, 
begon het water te vallen. Vreezende voor een ontijdig 
lagen waterstand , waardoor de Suriname belet zou worden naar 
Bandjer terug te keeren , zakte de flotille de rivier af tot 
beneden Talot , vóór dat nog één poging was gedaan om de 
troepen onder Ravesteijn te ontschepen en de benting van 
de landzijde , zoo niet aan te vallen , althans te verkennen. 
Had dit laatste plaats gehad, men zou ontdekt hebben (het- 
geen uit de mars van de Suriname niet opgemerkt was), dat 
de versterking slechts uit een borstwering aan de rivierzijde 
bestond en van achteren geheel open was. 

Op den 17«n was een der ketels van de Suriname hersteld , 
en verkeerde men dus nagenoeg in den toestand van den 9*°. 

De Celebes, door Verspijck op kondschap uitgezonden, 
voegde zich den 21 «" bij de expeditie ; ook de Montrado was 
toen aangekomen. De Haes verkende met eerstgenoemden 
bodem andermaal de versterking , droeg zorg dat hij de benting 
niet passeerde, en liet eenige kanonschoten lossen, in de hoop 
daarmede het vuur van den SOponder uit te lokken en de 
juiste standplaats van dit stuk te weten te komen. De vij- 
and antwoordde evenwel alleen met lillavuur. (*) 

Om 4 uur 's morgens (22) ontscheepten eindelijk 180 infan- 



(•) De onzekerheid omtrent de standplaats van den 30ponder na twee 
schoten ontvangen te hebben, kan aUeen verklaard worden door de 
onderstelling dat het stuk in de laatste dagen was verplaatst. 

10 



Digitized by VjOOQIC' 



146 

leristen, 15 sappeurs, een mortier met bediening en 40 
kettinggangers. Te half negen stoomde de Montrado digt langs 
de benting en kreeg daardoor het projectiel van den 30pon- 
der , die op het midden der rivier gerigt was , zó6 hoog , 
dat het weinig schade aanrigtte; bovenstrooms positie ne- 
mende opende het vaartuig het vuur op de benting. De 
Suriname en Gelebes die benedenstrooms bleven , deden het- 
zelfde. 

In de grootste stilte was de ontscheepte kolonne onder Ra- 
vesteijn tegen 5i uur opgerukt in de volgende orde : 

voorhoede: de Jongh en van der Wijck met 4-8 bajonet- 
ten, de sappeurs en 40 kettinggangers met bijlen; 

hoofdtroep : 1® luitenant Schwartz en dd. officier Peters met 
85 bajonetten, de mortier onder Winter; 

achterhoede: Munters en de dd. officier Hollander met 47 
bajonetten. 

De marsch liep langs een goed voetpad , over een kleine 
soengej , en van daar door een heuvelachtig terrein dat , 
steeds digter begroeid was, hoe verder men doordrong. Het 
vuur der flotille, dat tegen 8i uur werd geopend, wees 
den kommandant der voorhoede verder den weg. Door den 
grooten omweg die genomen was en door de natuurlijke ter- 
reinhindernissen naderde men echter langzaam. Ruim een 
uur later, over een hoogen heuvel gaande, vlogen er een paar 
kogels van de Gelebes over de kolonne ; Ravesteijn gaf toen 
het overeengekomen signaal om het vuren der schepen te 
staken (marsch no. 1 met alle tamboers en hoornblazers). 

Tot nu toe had de vijand onverdeeld zijn aandacht geves- 
tigd op de verdediging van de rivierzijde ; van den achter- 
kant verwachtte hij geen aanval. De verrassing was dus niet 
gering, toen het geluid van trom en hoorn uit het bosch tot 
hem kwam ; de minst dapperen begonnen de benting reeds te 
verlaten; en toen de Jongh uit het hout deboucheerde en 
den stormmarsch liet blazen , — toen dacht niemand meer 



Digitized by VjOOQIC 



147 

aan verdediging en trachtte ieder een goed heenkomen te 
zoeken. Fiankeurs de Maker, de Jongh en van der Wijck, 
sergeant-majoor de Graaf, gevolgd door de rest van den 
voortroep , haastten zich den vlugtenden vijand eenige scho- 
ten na te zenden; doch deze wierp zich in de kleine soen- 
gej en was spoedig verdwenen. Toen de benting ontruimd 
werd, had de luitenant ter zee Bunnik zich in allerijl met 
de barkas naar de soengej begeven en nog een paar kartets- 
schoten gelost op de vlugtende bende. 

De borstwering met flank bestond uit een dubbele rij ho- 
rizontale boomstammen met openingen voor schietgaten ; 
daarachter waren gaten en kuilen gegraven, waarin de bezet- 
ting zich voor het vuur der schepen dekte; aan de regterzijde 
waren randjoe's geplant. Behalve de SOponder stonden er 
nog drie stukjes in batterij, 's Avonds was het werk geslecht 
en de kolonne weer ingescheept. 

Zonder een enkele gewonde of doode te hebben gekregen 
(slechts aan boord der Montrado had men twee gewonden) 
was dus het geschut van de Onrust heroverd en de vijand 
uit het veldwerk Lahey verjaagd. De bestraffing was even- 
wel niet in verhouding met de wraak die de Onrust eischte. 
Het verlies van vier man toch , wier lijken in de versterking 
werden gevonden schaadde Soerapati of Antassari weinig ; 
en ofschoon het aan te nemen is dat bij de vlugt over de 
soengej nog eenig verlies is geleden, was hier echter geen sprake 
van een gevoelige les , nog minder van een wraakoefening. 

Te oordeelen naar den uitslag van dit gevecht , had het- 
zelfde resultaat reeds op den 11«>> kunnen verkregen worden 
en wel met minder ontwikkeling van maritime magt. Een 
enkele oorlogstoomer , die met barkas en sloepen den vijand 
in front bezig houdt , een infanteriekolonne , die de benting 
omtrekt en in den rug aanvalt, — de gewone taktiek tegen 
indische vijanden — zouden voldoende geweest zijn. Wel is waar 
verkeerde men in het onzekere omtrent de magt des vljands , 



Digitized by VjOOQIC 



148 

doch gedurende den loop van den krijg had men reeds on- 
dervonden dat de berigten dienaangaande altijd zeer overdreven 
waren. Ook mogt de indruk van het gebeurde met de On- 
rust niet buiten rekening blijven ; dit gaf onwillekeurig tot 
groote voorzigligheid aanleiding , en deed elk gewaagde onder- 
neming , iedere kans om een nederlaag te lijden zorgvuldig ver- 
mijden ; doch ook hier werd even als te Tabanio te veel ge- 
steund op het scheepsgeschut , dat tegen vaste batterijen 
steeds in een ongunstige positie verkeert ; ook hier werd de 
magt der bajonetten te weinig gewaardeerd. Wantrouwde 
de officier der marine , belast met het komraando voor Ta- 
banio , de zelfstandigheid van een vijftigtal infanteristen te- 
genover een gelijk of geringer aantal vijanden , te Lahey 
werd de aanval met tweehonderd bajonetten niet eens be- 
proefd, toen één stoomschip buiten gevecht was geraakt. 

Met den hoogen waterstand bleek het vlotbrengen der On- 
rust niet doenlijk te zijn; daartoe moest het drooge jaargetijde 
worden afgewacht, en dan was Lontontoeor met de stoora- 
vaartuigen niet te bereiken. De Montrado en Suriname , beide 
van te grooten diepgang voor den wisselvalligen waterstand 
der Barito en Boven-Doesoen , werden (23) naar Bandjer 
teruggezonden, terwijl de Gelebes, Boni en Adrak met de 
landtroepen achter bleven om te beproeven den vijand, die 
hooger op in het binnenland was teruggetrokken, nog eenige 
afbreuk te doen. 

Met iOO man infanterie en een Sponder aan boord, stoomde 
de Boni (24 Februarij) de rivier verder op en kwam begunstigd 
door het hooge water, 's anderendaags te Bahan, het woon- 
oord van den verrader Soerapati. Vier zeer ruime huizen, 
gedeeltelijk door een ijzerhouten palissadering omringd en een 
tiental huizen op vlotten (rakits) maakten den verlaten kampong 
Bahan uit. Men stak er den brand in, stoomde terug naar 
de S. Laang, en ankerde aan hare monding, waar sporeiï 
waren van een geprojecteerde benting en waar een zwaar anker 



Digitized by VjOOQIC 



149 

van de Onrust gevonden werd. Soerapati was met zijn huisge- 
zin een paar dagmarschen binnen 'slands gevlugt. Eenige 
vlotten met rottan en dammar werden vernield , hier en daar 
een woning waarin men voorwerpen van de Onrust vond , ten 
vure gedoemd. Daarna (den ^1"") keerde de Boni naar Lon- 
tontoeor terug, bleef er nog één dag om de vernieling der 
vruchtboomen te voltooijen en nam toen met de andere sche- 
pen de terugreis aan. 

Een poging om den pembekkel van kampong Poening onder 
weggevangen te nemen, mislukte; daarentegen kwam de pem- 
bekkel Gama, een der invloedrijkste Hoofden der Doesoen 
Ilir, aan boord om van zijne goede gezindheid te doen blij- 
ken. Yan af Goenong Rantauw had het kampongsvolk witte 
vlaggen uitgestoken. 

Eenige dagen later schreef Antassari den volgenden brief 
aan den vorst van Koetei. 

)Hijne beide zonen Sehajoe en Kamar heb ik gelast naar u 
te gaan, om eenig buskruid van u te vragen. 

ïlk hoop dat gij het geven zult, of indien gij het niet 
bezit, gij helpen zult het zoo spoedig mogelijk te zoeken. 

•Voorts geef ik u kennis, omtrent den krijg die gevoerd 
wordt, dat ik de Hollanders in het stroomgebied der Barito 
bevochten heb. Zij zijn met een stoomschip den 2«'»Djoema- 
dilakir (27 December 1859) stroomopwaarts gegaan , bij welke 
gelegenheid zij allen, 43 man equipage en 50 soldaten , ver- 
moord zijn geworden, terwijl het schip gezonken is. 

»Den 16"» Radjab (8 Februarij 1860) zijn er weder 2 stoom- 
schepen, 5 ijzeren praauwen en 1 tjunia gekomen, waarop 
wij den 18"* dier maand (10 Februarij) te Moeara Lahey slaags 
zijn geraakt. 

>Een der stoomschepen is toen zwaar beschadigd geworden, 
terwijl daarbij 60 è 70 menschen van hunnen kant gesneu- 
veld zijn. 



Digitized by VjOOQIC 



150 

i>Maar wij zijn nog steeds aan het oorlogvoeren , om welke 
reden ik u het verzoek doe, om mij aan buskruid te helpen. 

»Door Gods hulp hebben reeds ongeveer 3000 Hollanders, 
sedert het begin van den oorlog tol nu toe, het leven verloren. 

»Help maar, door veel voor ons te bidden. 
^Geschreven, den 26«°Radjabl276" (ISFebruarij 1860). 



Wilden wij met al te groote naauwgezetheidaanteekening 
houden van alle troepenbewegingen , van alle orders uitgevaar- 
digd over het steeds uitgebreider oorlogsveld, van elke han- 
deling der maritime magt; lieten wij niet onvermeld de tal- 
rijke mutatiën in het personeel door terugzending naar Java 
van uitgeputte krijgslieden en het aanvoeren van anderen tot 
hunne vervanging, de vele maatregelen van bestuur om een 
bedwongen landschap te ordenen en den draad te vinden in 
den doolhof van tegenstrijdige berigten omtrent den toestand 
des vijands , de onvermoeide pogingen om flaauwhartige ver- 
raderlijke Hoofden tot hun pligt te houden; spraken wij ge- 
durig van al de bezwaren die de uitrusting van elke expeditie, 
detachement of patrouille ondervond, van de buitengewone 
werkzaamheden waarmede niet alleen de chef der expeditie, 
maar bijna ieder officier overladen was; hielden wij in oas 
relaas der krijgsverrigtingen ieder oogenblik op, om stil te 
staan 't zij bij een executie van veroordeelde moordenaars, 
hetzij bij de aankomst van een stoomschip van Java, hetzij 
bij het ontvangen van een verontrustend berigt van een ver- 
wijderd punt dat tot nieuwe dispositiën, tot orders en contra- 
orders aanleiding gaf, hetzij bij een der duizend storingen die 
slechts het talent en de geestkracht te meer doen uitkomen 
van den aanvoerder, die onwrikbaar op den ingeslagen weg 
voort bleef gaan, — wij zouden door die afwisselingen in dui- 
delijkheid winnen noch onze lezers aangenaam zijn. 

De gelijkvormigheid der meeste krijgsbedrijven, die de taak 



Digitized by VjOOQIC 



IBl 

van den schrijver reeds moeijelijk maakt, benadeelt nog meer de 
waardering van de heldhaftige, onbegrijpelijke volharding onzer 
land- en zeemagt. Bijna elke togt toch was een herhaling 
van den voorgaanden , wel op een ander maar doorgaans toch 
op een gelijksoortig terrein. De chef der expeditie for- 
meert een kolonne, voorziethaar van hel noodige; zij rukt een 
onbekend land in, een officier brengt den doorgeloopenwegin 
kaart; men doorwaadt rivieren en kreken, marcheert door 
bosschen en moerassen, over bergen en door dalen; men 
nadert den vijand, verslaat hem als hij stand houdt of men 
ziet hem vlugten ; een militaire post wordt opgerigt of da- 
delijk het bivak betrokken , en den volgenden dag begint 
op nieuw. Alleen uitputting , een zware ziekte , een vijande- 
lijke lans of kogel is voor menigen brave het einde van een 
leven vol opoffering, vol heldenmoed, vol zelfverloochening; 
doch onmiddellijk daarna wordt de ledige plaats aangevuld 
door een anderen, die even stout, even ondernemend, de on- 
voltooide taak opvat. 

Een opsomming van menige bijzonderheid — van groot be- 
lang voor den rigtigen loop van zaken gedurende den krijg 
maar overbodig voor een juist begrip der handelingen — ach- 
terwege latende, meenen wij evenwel een uitzondering te 
moeten maken met het plan van den krijgstogt naar Ama- 
wang. 

Den 26*° Januarij meldden zich de bewoners van Taal en 
Telok Pegat te Moengoe Thayor aan, om bescherming te erlan- 
gen tegen de bende van Amin Oelah en Lehman. De Hoofden 
van Tambarangan en Telok Pegat toonden geneigdheid om zich 
aan het Ned. bestuur te onderwerpen, en de bevolking dier 
streken bood hare diensten aan, zoo heette het althans, 
om voor ons een versterking op te rigten, waardoor hunne 
rust zou verzekerd worden. De aanwezigheid van Toean 
Said met zijne bende te Tjambooy, en van demang Lehman 
Ie Amawang was niet twijfelachtig meer en gaf den chef der 



Digitized by VjOOQIC 



152 

expeditie aanleiding om de volgende maatregelen te nemen: 
De bezetting van Moengoe Thayor zou op 250 man gebragt 
worden; van Oijen, met een kolonne van 160 inlanteristen, 2 
stukken, 15 sappeurs en 160 kettinggangers van Moengoe 
Thayor naar Amawang of Kendangan oprukken, dkkv een ver- 
sterking oprigten, en voor 14- dagen approvianderen. Van Ban- 
djermasin zou de Bennett met vivres beladen, weder langs de 
Merampiouw opstoomen tot aan de zamenvloeijing der Tapin 
en Belimouw, om verder per djoekong zich in gemeenschap 
te stellen met den nieuwen post. Ten gevolge dier maatre- 
gelen zouden er ook wijzigingen gebragt worden in de sterkte 
der bezettingen van de achtergelegen posten. 

De hooge waterstand belette evenwel aan dat plan uitvoe- 
ring te geven, en na de aankomst van Z. M. stoomschip 
Admiraal van Kingsbergen (31 Januarij) viel het geheel in 
duigen. 



Digitized by VjOOQIC 



HOOFDSTUK XIU. 



TOGT NAAR AMOBNTHAY. — VKROVBRINO VAN DJALIL'S VBR- 

STERKINÖEN. — OPRIÖTING VAN BEN MILITAIREN POST 

TB AMOENTHAY. — VLUÖT VAN SULTHAN KOBNINö; 

GEVECHT TE TJAMBOOY. — ONTMOETING MET 

DEN VIJAND NABIJ TAaL. 

Amoenthay was de plaats waar Djalil het gezag voerde. 
Het verlies van de Onrust en de noodzakelijkheid eener expe- 
ditie naar de Boven-Doesoen hadden tot nog toe verhinderd 
Hidayat's trouwsten aanhanger in zijne versterkte stelling op 
te zoeken; eindelijk echter brak de dag aan dat de Neder- 
landsche vlag ook dé&r geheschen, en de slaafsche bevolking, 
die den oproerling gewillig ondersteunde , van het kwellende 
juk bevrijd zou worden. 

In de eerste dagen van Februarij loonde een bijzondere 
bedrijvigheid onder de troepen die de bezetting der hoofd- 
plaats Bandjermasin uitmaakten, dat er andermaal een expe- 
ditie werd uitgerust. Van de naburige posten Martapoera, 
Mataraman en Pengaron kwamen kleine detachementen aan, 
die deels bestemd waren om vertrekkende kameraden te 
venangen, deels om zelven ingedeeld te worden bij de 
nieuw geformeerde kolonnen. Ongeveer tachtig bajonetten 
scheepten zich (i Februarij) in kleine vaartuigen in, dienaar 



Digitized by VjOOQIC 



154 

Schans van Thuijl afzakten ; een gelijk aantal volgde den an- 
deren morgen met de Kinsbergen. Waarheen was ditmaal 
de logt? Niemand wist het dan de majoor Verspijck, die 
zelf medeging. Doch wat kwam het er op aan , of men 
zuid- of noordwaarts ging, als men den vijand slechts vond; 
de kans scheen gunstig, want als de chef der expeditie 
zelf het kommando op zich nam, dan wisten de soldaten 
wei dat de onderneming belangrijk en de weerstand groot 
zouden zijn! 

Den 5*^" bevonden zich te schans van Thuijl : 

het stoomschip Admiraal van Kingsbergen onder bevel van 
den luitenant ter zee 4^ klasse van Gennep; de stoomer Ben- 
nett; de kruisboot n^. 21; een gewapende sloep die een 
houwitser voerde, onder den luitenant ter zee 2« klasse Jeekel; 
een tjunia-praauw en twee ijzeren praauwen. 

Op die flotille waren ingescheept: de kommandant, ma- 
joor Verspijck, de i^ luitenant-adjudant Pfeiffer, de ka- 
piteins der infanterie UUmann en Graas, de 1^ luitenants 
Prinsen en van Dam van Isselt, de 2*^ luitenant Verstege, 
de adjudant-onderoOicier dd. officier Middendorp met 165 
onderofficieren en manschappen van het 9^ bataillon infan- 
terie. Verder : de 4* luitenant der artillerie Borel met tviree 
3ponders en een mortier met bediening; de 1« luitenant 
der sappeurs Caspersz met 6 sappeurs, en eindelijk 70 ket- 
tinggangers met leeftogt voor 20 dagen. 

Nog denzelfden dag stoomde men naar Marabahan, met 
de kleine vaartuigen op sleeptouw ; den volgenden naar Ne- 
gara en den 7«° tot kampong Pandjang. De rivier werd 
hier zóó kronkelend en het vaarwater zóó eng, dat de be- 
manning der Kingsbergen een hoogst afmattenden dag had 
en het schip, in weerwil van allen ijver en inspanning, 
slechts langzaam kon avanceren. Verder dan tot kampong 
Alabioe bragt men het den 8*" niet; wat men ook in het 
werk stelde, de kronkelingen konden niet meer worden om- 



Digitized by VjOOQIC 



155 

gezwonken zonder het schip bloot te stellen met den voor- 
of achterboeg tegen den rotsachtigen oever te stooten. 

Nu was goede raad duur. De expeditie-kommandant be- 
dacht zich echter niet lang, ging zelf over aan boord van 
den stoomer Bennett, die door zijn mindere lengte nog 
bruikbaar was, en bereikte daarmede kampong Soengej Be- 
nar, op een uur afslands van Amoenthay gelegen. Het 
detachement ontschepen , de Bennett terugzenden om de 
ijzeren praauw en de kruisboot op te slepen, was het werk 
van eenige oogenblikken. Majoor Yerspijck zond onderwijl 
Pfeiffer op verkenning uit, om de plaats op te zoeken waar 
Djalil zich versterkt had ; men had vernomen dat aan de za- 
menvloeijing der Batang Balangan en soengej Tabalong een 
benting was opgerigt. Pfeiffer kreeg tot dat einde de ge- 
wapende sloep ter zijner beschikking en roeide daarmede de 
rivier op. Langs den oever marcheerde gelijktijdig een ver- 
kenningspatrouille van 15 bajonetten onder van Dam van 
Isselt, om den weg op te nemen die van de landzijde naar 
bedoelde benting voerde. 

's Avonds kwam de Bennett ten tweeden male te Soengej Be- 
nar, en kreeg order om den volgenden morgen nog eens 
naar de Kingsbergen af te zakken , en te beproeven die op te 
slepen, of anders het detachement bij zich aan boord over 
Ie nemen, met uitzondering van 45 bajonetten, die in geval 
van nood de equipage moesten versterken. Er bevonden zich 
derhalve (8 Februarij) omstreeks 90 man te Soengej Benar, waar 
gebivakkeerd werd in de nabijheid van Danoe Redjo's woning. 

Wij hebben met dat Hoofd reeds vroeger kennis gemaakt. 
Sedert 1858 had Danoe Kedjo zich te Bandjer gevestigd; 
tbans trok men partij van zijn haat tegen Djalil om door 
zijne verwanten het volk van Amoenthay voor ons te winnen. 
Danoe Redjo vergezelde met twee zonen de expeditie, die 
van de zijde der bevolking nu in het zuidelijke deel van 
Amoenthay geen tegenstand ondervond. 



Digitized by VjOOQIC 



156 

Tegen half zeven in den ayond kwamen de verkennings- 
patrouilles terug. 

Pfeiffer rapporteerde dat hij de versterking op de aange- 
wezen plaats had gevonden, en dat die bestond uit een groep 
huizen voorzien van een houten borstwering ; het geheel had 
geen indrukwekkend aanzien. 

Van Dam van Isselt berigtte van zijn kant het volgende: 
het pad langs den oever was slecht, liep over de hoogste 
punten eener zeer moerassige streek, was overal doorsne- 
den door sloten en greppels met en zonder loopplanken, en 
half versperd door stijlen van woningen en kleine bruggen 
die langs en over den weg waren gelegen. Naar men be- 
weerde , maakten die woningen een aanééngeschakelden kam- 
pong uit, die zich tot aan Amoenthay uitstrekte. Voor ar- 
tillerie achtte hij dien weg niet bruikbaar. De wildernis op 
zyde van den weg was nabij een missigit zeer digt, en dit laat- 
ste gebouw bovendien moeijelijk te genaken ten gevolge van ga- 
ten en begraafplaatsen die de weelderige begroeijing afwissel- 
den. Toen de patrouille de missigit naderde, waren eenige lans- 
dragers haar te gemoet gegaan; hun toeroepende dat zij de 
lansen zouden neerslaan, kreeg van Dam van Isselt ten 
antwoord : »brengt gij dan de geweren omlaag." Te gelij- 
ker tijd had men uit achtergelegen huizen alarm op den 
gonggong hooren slaan, van alle zijden gewapende mannen 
zien toeschieten, en had de patrouille-kommandant het ge- 
raden gevonden om de verkenning te staken. De order toch 
luidde: jzich in geen gevecht inlaten/' Zonder aangevallen 
te worden trok hij derhalve terug, zorg dragende steeds 
ter hoogte van de sloep te blijven, die insgelijks de rivier 
afzakte. De versterking van Djalil , van de sloep waargeno- 
men, had van Dam van Isselt niet kunnen zien. 

In den morgen van 9 Februarij kwam de Bennett te 
Soengej Benar en bragt het detachement infanterie van de 
Kingsbergen, sterk 62 bajonetten, mede. Was het nietmo- 



Digitized by VjOOQIC 



167 

gelijk geweest dat vaartuig voorbij Alabioe te brengen , toch 
besloot de expeditie-kommandant, om ook zonder de hulp van 
dat stoomschip, zonder langer verwijl voorwaarts te gaan. 
Hij nam de volgende beschikkingen voor den marsch : 

de gewapende sloep wordt versterkt met een onderofficier 
en tien man , en met de kruisboot door de Bennett op sleep- 
touw genomen; 

de Bennett zal ter hoogte blijven van de kolonne die 
langs den oever marcheert; 

een wacht blijft bij de vivres-praauwen te Soengej Benar; 

behalve de detachementen artillerie en sappeurs, volgen 
135 bajonetten den landweg; hiervan zal van Dam vanisselt 
met 25 man de voorwacht uitmaken; de hoofdtroep bestaat 
uit: een houwitser, een peloton infanterie van 40 man on- 
der UUmann en Prinsen, de overige artillerie, een peloton 
van gelijke sterkte onder Graas en Middendorp; en de ach- 
ternacht uit 14- bajonetten onder Verstege; 

bij het geschut worden de sappeurs en een zestal infan- 
teristen als speciale dekking ingedeeld, insgelijks denoodige 
kettmggangers; bij de vóór- en achterwacht ook eenige kel- 
tinggangers met lansen gewapend. 

Reeds bij het begin van den marsch bleek de moeijelijk- 
heid, om langs het moerassige pad vooruit te komen. Een 
gansch uur verliep om de eerste duizend schreden te ma- 
ken. Ten einde den marsch te bespoedigen, liet Yerspijck 
het geschut gedemonteerd aan boord van de sloep nemen, 
en later, in de nabijheid van Amoenthay, waar het pad meer 
begaanbaar werd, weder ontschepen. 

Tot de eerste huizen genaderd, kregen eenige rotten last 
om die te onderzoeken. Aanvankelijk ging dit goed; doch 
weldra trof men een paar gewapenden aan. Flankeur de 
Smets wordt eensklaps met een lans neêrgestooten; zijne 
makkers lossen de geweren op de voorste woning en jagen een 
paar Bandjerezen naar buiten. De een werpt zich met ge- 



Digitized by VjOOQIC 



158 

velde lans op de voorhoede en doorsteekt den fiiankeur Din- 
ger, die hem evenwel met een bajonetsteek riposteert; in 
blinde woede doorloopende, wordt hij door van Dam van 
Isselt met een paar sabelhouwen, door den fuselier Sidin 
met een bajonetsteek ontvangen, en deinst, met doodelijke 
wonden overdekt, in de wildernis terug. De tweede Ban- 
djerees verwondt den flankeur Potscher, doch maakt kennis 
met zijn bajonet en moet het onderspit delven. De gelede- 
ren sluiten nu weer op; men mag den verwoeden vijand 
geen gelegenheid geven in de rangen te dringen. Van drie 
zijden vormen de bajonetten een ondoordringbaar geheel; 
aan de vierde zijde marcheert het geschut. De gewonden 
zijn reeds door den officier van gezondheid Rombach ver- 
bonden en door de sloep van de Bennett afgehaald. Door- 
marcherende , ziet men nu en dan nog een dollen Bandjerees 
op de kolonne instormen ; van Dam van Isselt trekt die met 
een paar rotten te gemoet, en doet hen in het stof bijten. 
Van de gewapende sloep die eenige honderd ellen vooruit- 
roeit, wordt van tijd tot tijd een kartetsschot uit den hou- 
witser op de huizen gelost; het terrein op die wijze voor 
zich schoon vegende, bereikt de kolonne tegen half vijf 
de missigit. 

ÜUmann, ter verkenning vooruitgezonden, zendt berigtdat 
de nadering mogelijk, doch de missigit bezet is. Van Dam 
van Isselt moet beproeven de vijandelijke stelling aan de 
linkerzijde te naderen; spoedig rapporteert hij dat het hem 
gelukken zal. Graas staat op 100 pas afstands gereed, om 
aan de regterzijde aan te vallen. Het geschut vuurt gedu- 
rende eenige minuten op de missigit. 

Op het geschikte oogenblik laat Verspijck den stormmarsch 
blazen; het vuren houdt op, en de twee pelotons vallen 
van beide kanten aan. De onversaagde Graas bereikt het 
eerst de missigit en springt door een venster in de binnen- 
ruimte, te midden van dreigende krissen en lansen, 't Zou 



Digitized by VjOOQIC 



159 

met hem gedaan zijn geweest, als sergeant Dekker en fuse- 
lier Sowidjoyo hun kapitein niet op den voet gevolgd en de 
digtst opdringende vijanden afgemaakt hadden. Die niet viel 
door het zwaard onzer dapperen, week nu in allerijl terug 
in de wildernis of bezette de achtergelegen benting van 
Djalil, die thans zigtbaar werd. 

Uit deze sterkte werd inmiddels een levendig vuur ge- 
wisseld met de gewapende sloep en kruisboot, die op last 
van Verspijck door den stoomer Bennett tot op 150 pas 
van de benting waren opgesleept en de verdedigers met kar- 
tetskogels overstelpten. . Bij dit vuurgevecht verloren wij van 
onze zijde den matroos Hagart, en kregen een paar ge- 
wonden. 

Zoo als Pfeiffer reeds vroeger had gerapporteerd, bestond 
Djalil's versterking uit een groep huizen tot verdediging in- 
gerigt. Toen de missigit genomen was, bleek het dat die 
groep vier woningen bevatte, digt bij elkaèr gelegen en 
omringd door een nieuwen, doch dubbelen pagger van bam- 
boe-doerie en dadap; de ruimte tusschen den pagger en de 
huizen had een moerassig aanzien, en droeg nog de sporen 
eener overstrooming. Of de woningen behoorlijk versterkt 
waren, was niet te zien; van de twee naastbijgelegen had 
men de daken afgenomen. Uit het gebouw aan de zuidzijde, 
dat den rivieroever bestreek en twee andere gebouwen flan- 
keerde, werd een gelijkmatig geweervuur onderhouden. 

Verspijck liet nu de artillerie stelling nemen; de eenige 
plaats daarvoor was nog tamelijk ongunstig , en bood op 
120 pas slechts gedeeltelijke dekking aan de bedieningsman- 
schappen. In weerwil van den geringen afstand, ontwaart 
hij weinig uitwerking op laatstgemeld gebouw, dat — zoo 
als later bleek — voorzien was van een l{ el dikke borst- 
wering, zamengesteld uit horizontaal op elkander gestapelde 
balken, die niet met het voorhanden geschut van Hgt kaliber 
kan worden gedeerd. Hij zendt daarom van Dam van Isselt 



Digitized by VjOOQIC 



160 

met een peloton vooruit, om te stormen; het geschut zwijgt 
zoolang. 

Dit stormen bestond nu in koelbloedig, man voor man, 
langs een smalle loopplank de versterking te naderen. De 
voorste man stoot op den pagger, dien hij niet kan door- 
dringen. Men wil evenwel niet teruggaan; ieder blijft op 
zijn plaats staan en vuurt zijn geweer af, als er een hoofd 
boven de borstwering uitsteekt. De vijand gebruikt daarte- 
gen de list, nu en dan de wisschers van zijn lillageschut even 
boven de borstwering te vertoonen, om, als hij daardoor 
het vuur der onzen heeft uitgelokt, ongedeerd zijn schot te 
kunnen doen. 

De artillerie krijgt order om het vuur op de oostzijde der 
versterking te rigten, en daardoor den weg te banen voor 
het peloton van den kapitein UUmann, dat van dien kant 
moet naderen. Doch ook daar blijkt dit onmogelijk te zijn. 

Eindelijk gelast de kommandant dat de geheele hoofdtroep 
regts zal aanhouden, terwijl de voorhoede op de plaats 
blijft om de zuidzijde te bedreigen. Ullmann en Prinsen 
beproeven nu een aanval op den noordkant, en het gelukt 
hun daar binnen te dringen. Na eenige schoten door de 
bamboe-omwanding, springt het hoofd der bezetting', DjaliI's 
kloeke djoeroe-toelis Matias, naar buiten, valt onverschrok- 
ken den naastbijzijnden seldaat, den flankeur Smit, aan, ver- 
wondt hem in den arm, doch wordt door hem neergescho- 
ten. Smit dringt dadelijk daarop binnen de woning, wordt 
gevolgd door zijne makkers, en na weinige oogenblikken 
zijn de verdedigers over de kUng gejaagd en is de geheele 
versterking genomen. Zestien lijken bedekken den bodem; 
daaronder zijn die der twee zonen van het beruchte Hoofd 
Abdoel Gani, die zelf 'gewond was. Negen lilla's en een 
aanzienlijke voorraad draagbare vuur- en blanke wapens, kruid 
en lood, vallen den onzen in handen. De vlugtenden, die 
zwemmend of in kleine vaartuigen den overkant trachten te 



Digitized by VjOOQ IC ', 



161 

bereiken, krijgen het volle vuur van de gewapende sloep 
en kruisboot. 'sVijands verlies is groot, zijn nederlaag vol- 
komen. Te Kaloedan begroef men in de eerstvolgende dagen 
nog 44 lijken. 

Ongeveer op hetzelfde tijdstip dat Djalil's versterking in 
onze magt kwam, werd Verstege, die de achterwacht kom- 
mandeerde en met de dekking der stukken belast was, door 
een bende gewapenden aangevallen. Het was hem niet ont- 
gaan, dat de bezetting van demissigit, die aanvankelijk in de 
wildernis was gevlugt, een omtrekking maakte met oogmerk 
hem onverhoeds in den rug te vallen. Achterwaarts front 
makende, stond hij gereed haar te ontvangen. De vijande- 
lijke aanvoerders, ziende dat hunne manoeuvre ontdekt was, 
geven het voorbeeld tot een wanhopenden aanval. Als on- 
kwetsbare voorvechters loopen zij regt op de^achterwacht in, 
storen zich niet aan de kogels die korporaal Rotse en flan- 
keur SteinkuU hen door het ligchaam jagen , en vallen ein- 
delijk onder de sabelhouwen van Verstege en Caspersz. Toen 
eerst koos de bende het hazenpad. Verstege werd bij die 
gelegenheid ligt gewond. 

Dat de gewapende sloep, de kruisboot en zelfs deBennett 
aan een scherp vuur waren blootgesteld geweest, bewezen 
de menigvuldige projectielen die in boord waren geslagen; 
het atappendak van de sloep werd geheel weggeschoten. Dat 
de marine hier goede diensten had gedaan, bewezen de 
lijken der vijanden, die de rivier afdreven. 

Djalil's versterking en de aangrenzende kampong werden 
geheel verbrand ; de hoog opstijgende vlammen vertoonden 
den voortvlugtigen vijand , hoe volkomen zijne nederlaag was. 

Nadat de missigit tot bivak was ingerigt om de kolonne 
na zoo veel inspanning eenige uren van welverdiende rust 
te schenken; nadat weer nieuwe krachten verzameld waren 
op de plaats waar, één etmaal te voren, de vijand nog van 
overwinning droomde, werden de krijgsverrigtingen 's anderen 

11 



Digitized by VjOOQIC 



162 

daags (10 Februari)) vervolgd. Twee gewapende sloepen roei- 
den naar Batang Balangan, waar een groot huis van pange- 
rang Hidayat stond; de bevolking had in overijling de vlugt 
genomen en slechts weinige voorwerpen van waarde kunnen 
redden ; ook die kampong werd ten vure gedoemd. — Zende- 
lingen werden met een proclamatie naar Kaloewa gezonden , 
werwaarts Hidayat teruggetrokken zou zijn, om hem te her- 
inneren dat den 13^" het ultimatum verstreken was. — Op 
de puinhoopen van Djalil's versterking werd een gepalissa- 
deerde benting voor 150 man opgeworpen, waartoe de be- 
volking van Soengej Benar en het zuidelijk Amoenthay hout 
en bamboe leverde. 

Twee dagen later (12 Februari)) liet Verspijck 60 bajonet- 
ten onder Graas op de gewapende sloepen overgaan, teneinde 
den kampong Krias, waar Djalil een andere woning had, te 
tuchtigen. De bewoners zochten hun heil in de vlugt en 
vonden na het vertrek der troepen, hunne huizen niet meer. 

De voornaamste Hoofden uit den omtrek kwamen (den 13^°) 
te Amoenthay hunne onderwerping aanbieden. Verspijck nam 
die aan, onder beding dat zij al hunnen invloed zouden 
gebruiken om de bevolking van verdere vijandelijkheden te 
doen afzien, haar wijzende op het lot der kampongs die 
Djalil waren toegedaan. Hij deelde hun mede datpangerang 
Hidayat, de rijksbestierder, thans van zijne waardigheid ver- 
vallen was verklaard, en gelastte dat afschriften van de pro- 
clamatie daarop betrekkelijk in alle missigits zouden aange- 
plakt worden, opdat het den volke bekend werd, dat de 
man dien zij tot nu toe gehoorzaamd hadden, een vijand van 
het nederlandsch gouvernement was geworden. Kiay Adipati 
Danoe Redjo werd op denzelfden dag geïnstalleerd als Hoofd 
der Benoea Lima. 

Onder bevel van Graas bleven 135 infanteristen , 2 veld- 
stukken, één mortier en één 1 ponder met bediening, benevens 
4-0 gewapende kettinggangers, als bezetting voor de benting 



Digitized by VjOOQIC 



163 

te Amoenthay achter. Gaspersz met de sappeurs, de kruis- 
boot, de gewapende barkas, de tjunia en een ijzeren laad- 
boot zouden de plaats niet verlaten voordat de versterking 
voldoende was afgewerkt. De Bennett kreeg order om, met 
een ijzeren laadboot op sleeptouw, ten spoedigste vivres ten 
behoeve der kolonne te gaan halen. 

Verspijck keerde (den 14^") met de Kingsbergen naar Ban- 
djermasin terug; in alle kampongs wapperden witte vlaggen 
ten teeken van onderwerping. 

Toen Verspijck den togt naar Amoenthay ondernam, 
had hij den kommandant van Moengoe Thayor , kapitein 
Schiff, last gezonden om, indien de waterstand het toeliet, 
den 9*» of 10«» met 75 bajonetten een verkenning naar Taal te 
maken. Die beweging had ten doel om gelijktijdig met den aan- 
val op Amoenthay den vijand ook elders bezig te houden en 
hem te beletten zich met DjaliFs bende te vereenigen. Schiff 
had evenwel in het begin der maand door spionnen verno- 
men, dat sulthan Koening en Antaloedin zich te Tjambooy 
versterkt hadden en was den 5^" Februarij met 70 bajonetten 
derwaarts gerukt. Na een allervermoeijendsten marschdoor 
een zeer moerassig land, naderde hij tegen den middag den 
vijandelijken kampong en bespeurde op 250 passen het huis 
van sulthan Koening. In alle stilte honderd passen door- 
gaande , hielt hij halt , zond den 1«° luitenant Blondeau met een 
peloton in de rigting van het huis, en den adjudant-onder- 
officier Goenen links af in den kampong. Blondeau vond het 
huis versterkt en bezet, hetgeen Schiff noopte met den hoofd- 
troep op te rukken; Goenen verraste den vijand in den kam- 
pong, joeg hem op de vlugt en bragt hem door een twee- 
gelederenvuur een groot veriies toe. 

Toen Blondeau het huis omsingeld had, kwamen eenige 
verdedigers naar buiten en stortten zich met den moed der 
wanhoop op de onzen. Door twee lanssteken in de borst 



Digitized by VjOOQIC 



164 

getroffen, viel Blondeau stervende in de armen van den ser- 
geant van Dongen. De bezetting verdedigde zich manmoedig ; 
tot drie malen bestormden Coenen en sergeant Vermeulen de 
sterkte ; tot drie malen werd de storm afgeslagen. Eindelijk 
bij den vierden storm , drong men naar binnen en joeg een 
gedeelte der bezetting over de kling ; zij die hun heil in de 
vlugt zochten, werden nagejaagd. Bij die vervolging, meende 
van Dongen in een zwaargewonde die in zijn handen viel den 
sulthan Koening te herkenüen. In die meening werd hij nog ver- 
sterkt, omdat ook de vlag, het overkleed, de lans en pajong 
van den zoogenaamden sulthan werden buit gemaakt , en men 
tot aan het einde van den krijg nooit iets meer van hem hoorde. 
Drie en een half jaar later stelde zich echter een inlander 
vrijwillig in handen der politie, die verklaarde den dood ge- 
waande te zijn. Sedert het gevecht van 5 Febr., waar hij 
Blondeau doodde, had hij zich ruim eenjaar lang inde om- 
streken van Tambay Mekka opgehouden; door de rustelooze mar- 
schen der gouvernementstroepen was hij evenwel genood- 
zaakt , met achterlating van vrouw en kinderen naar Negara 
te vlugten , waar hij op een ladang achter kampong Beyaman 
van giften der bevolking leefde en zich met visschen bezig 
hield. Na twee jaren , toen het verlangen naar zijn gezin in 
dezelfde mate toenam als de giften tot zijn onderhoud vermin* 
derden, keerde hij naar het Moeningsche terug. Hoewel altijd 
bij tijds verwittigd van de nadering van patrouilles, werd 
zijn toestand toch ten laatste onhoudbaar. De troepen lie- 
ten die streek niet met rust ; de hier en daar verborgen padie 
werd door hen verbrand ; zelfs zijne familieleden lieten hem 
eindelijk aan zijn lot over, en toen zijn oom Asmoe ook 
was afgemaakt, toen zijne krachten geheel uitgeput waren, 
toen hij met zijn gezin sedert twee etmalen geen korrel rijst 
had kunnen deelen, besloot hij zich Kever op genade of on- 
genade aan het gouvernement over te geven, dan met de 
zijnen van gebrek om te komen. 



Digitized by VjOOQIC 



165 

Door het verslaan van den halfgod had Schiff den vijand een 
gevoelige les gegeven. Een veertigtal lijken die de vlugten- 
den op het slagveld moesten achterlaten getuigden van den 
hardnekkigen strijd. Tjambooy bestond niet meer, sulthan Koe- 
ning's kleindochter was levend gevangen genomen; Antaloe- 
din zelf zou zijn omgekomen. 

Zegevierend dus, maar uitgeput van vermoeijenis kwam 
Schiff te Moengoe Thayor terug. Voor een togt op den 9*^" 
schoten zijne krachten te kort. Benschop kreeg toen order 
dien te volbrengen. 

Aan het hoofd van 75 man rukt deze uit, marcheert door 
het moerassig land tot op anderhalf uur van Taal en stoot 
daar op een sterke bende, de kern van demang Lehman's 
strijdmagt. Van de 600 man, die de kolonne afwacht, zijn 
er 200 met geweren gewapend. Met gevelde bajonet bestormt 
Benschop twee heuvels, waarop de vijand zich versterkt heeft, 
doch ontdekt nu dat men hem tracht te omsingelen. Het is 
ongeraden tegen die overmagt het offensief te bewaren; daar- 
om trekt Benschop terug; zijn kloeke houding boezemt demang 
Lehman echter ontzag in. Eenige voorvechters, die te veel 
opdringen, worden door een welgerigt en bedaard vuur 
neergelegd. 

Benschop offert Telok Pegat aan de vlammen en keert met 
een verlies van slechts drie gewonden naar Moengoe Thayor 
terug. 



Digitized by VjOOQIC 



HOOFDSTUK XIV. 



AANVAL OP MARABAHAN. — BESCHOüWINa VAN DEN ALGEMEElïEN 

TOESTAND. — PLANNEN VAN DEN CHEF DER EXPEDITIE. — 

TOGT VAN GRAAS NAAR BALEH. — GECOMBINEERDE MARSCH 

NAAR AMAWANG. — BEZETTING DIER PLAATS DOOR DE 

RA VALLET. — SCHIFF TE MOENGOE MENARIS. 

Gedroegen de troepen in het binnenland zich voorbeel- 
dig , verduurden zij met de meeste zelfverloochening de 
grootste ontberingen en wisten zij, trots alle hinderpalen 
door den aard van het terrein en het ongunstig jaargetijde 
hun in den weg gelegd, van iedere ontmoeting een over- 
winning te maken, — ook aan de Barito hielden de jonge 
soldaten onder den voormaligen verdediger van Pengaron, 
den dapperen Beeckman , de eer onzer wapenen op. 

Soerapati, tuk op den grooten slag dien hij te Lontontoeor 
had geslagen, had een paar Hoofden Koessin en Tassin, met 300 
é. 400 strijders naar. de Beneden-Barito gezonden om de naau- 
welijks tot rust gekomen kampongbewoners op nieuw tot op- 
stand over te halen, en de militaire postender Nederlanders 
te belagen; de postpraauw die den 5*^" Februarij Marabahan 
verliet werd opgeligt , het fort zelf bedreigd. 

Juist was order gegeven om de kruisboot No. 59 versterkt 
met 10 man infanterie naar Marabahan te zenden, toen de 



Digitized by VjOOQIC 



167 

djaksa van Bandjer berigtte , dat men in den nacht van 8 op 
9 Febr. het kanon in die rigting had hooren bulderen. In de 
onzekerheid of de gemeenschap niet andermaal afgebroken 
was* en Marabahan welligt hulp noodig had , werd de Montrado 
derwaarts gezonden; doch 's avonds te elf ure ontving men een 
rapport van Beeckman dat hij een aanval had afgeslagen. In 
het holle van den nacht , te één ure , had een bende die slui- 
pend de versterking was genaderd , haar op het onverwachts 
aangevallen. Bij den alarmkreet der wacht , toen alles te 
wapen moest vliegen, was er één oogenblik aarzeling ge- 
weest; doch het voorbeeld van Beeckman, die met een paar 
inlanders de voorste vijanden terug sloeg en daarbij ligt ge- 
wond werd, zijn bedaardheiden krachtige stem van komman- 
do die vertrouwen inboezemde , herstelden onmiddellijk de orde. 
De vijand stootte zijn hoofd , moest met bebloede koppen af- 
trekken en zijne djoekongs opzoeken. 

Ook te Poeloe Petak verdubbelde men de waakzaamheid. 
Een paar postpraauwen die de gemeenschap met Bandjerma- 
sin onderhielden , werden onderschept en de politieoppassers 
gevangen genomen. Op de rivieren was men nergens veilig. 
De vijand verborg zich met zijne djoekongs in de talrijke 
soengej's ; eerst na de terugkomst der expeditie naar Lonlon- 
toeor zouden de middelen daar zijn , om hem op te zoeken. 

Slaat men de gebeurtenissen der laatste weken oplettend 
gade, dan valt het niet te ontkennen dat, in weerwil onze 
wapenen overal zegevierden , de toestand ingewikkelder werd 
en men zoowel door de uitbreiding van het operatieveld , als 
door de noodzakelijkheid om met een betrekkelijk geringe magt 
den vijand overal het hoofd te bieden , in een soort van crisis 
verkeerde. Niet slechts te Amoenthay maar ook teMartapoera 
was de vervallen verklaring van Hidayat openlijk afgekondigd , 
en ofschoon de besturende pangerangs van den nadeehgen 
indruk dier proclamatie op de bevolking' in den omtrek der 



Digitized by VjOOQIC 



168 

oude vorstelijke residentie het ergste vreesden, virerd er de 
rust evenwel niet door verstoord. Hidayat, die meteen lijf- 
wacht van Daijaks (Pari) zich in de wildernis schuil hield 
en al dieper in het land terugtrok naar mate onze troepen 
vooruitdrongen , scheen meer ontmoedigd dan ooit en schreef 
zelfs aan den resident dat hij te Martapoera wilde komen ; 
doch dit belette zijne veldoversten niet, voor eigen rekening 
den strijd door te zetten. 

Djalil had het overschot van zijne verslagen benden met die 
van Hidayat vereenigd en wierf op nieuw krijgsvolk onder de 
Daijaks. De geruchten die van Antassari's handelingen tot het 
hoofdkwartier doordrongen, waren geenszins van vredelieven- 
den aard. Demang Lehman stond met eene vrij talrijke bende 
in het veld en bedreigde zoo wel Moengoe Thayor als Amoen- 
thay. In Riam Kiwa had zeker hoofd Goena Widjaja, die 
voor een zoon van Antassari doorging en voorzien was van een 
tjap (lastbrief) van pangerang Hidayat, een bende bij kam- 
p'ong Baleh zaamgetrokken ; zelfs in Tanah Laut vereenigden 
zich weder vijandelijke troepen nabij Mengappan. Op de 
Kleine-Daijak en Beneden-Barito schuilden ongenaakbare vij- 
anden , en te Lontontoeor had Soerapati door het afloopen 
der Onrust en het opwerpeneenersterkte voldoende bewijzen 
van zijn gezindheid gegeven. 

Hoewel de gezondheidstoestand der expeditionaire magt 
niet ongunstig kon genoemd worden, geraakten de troepen 
door de onafgebroken zware dienst te velde, door de geforceerde 
marschen in een staat van uitputting ; hoewel de land- en zee- 
magt tegen een inlandschen vijand gebezigd, niet gering kon 
genoemd worden, voldeed zij niet meer aan de behoefte, 
nu het gold een land ten onder te brengen dat zich4<> van 
N. tot Z. en 2}° van 0. naar W. uitstrekte; een nagenoeg 
onbekend, nimmer in kaart gebragt land, overdekt met bos- 
schen en moerassen, doorsneden met tallooze rivieren, zonder 
communicatie, en bewoond door een vijandige bevolking die 



Digitized by VjOOQIC 



169 

aan den leiband ging van dweepzieke priesters en zedelijk diep 
bedorven Hoofden. Waren de hospitalen nog niet overvuld , 
gezond was bijna niemand ; de officieren vooral hadden veel 
geleden ; eenigen waren bedenkelijk ziek , anderen reeds naar 
Java geëvacueerd. Sommigen hielden zich nog alleen door 
geestkracht op de been , doch hunne krachten zouden bij lang- 
duriger inspanning noodwendig bezwijken. 

De expeditionaire krijgsmagt werd op de volgende wijze 
gebruikt : 

Tot bezetting van den post Ie Amoenthay 135, Martapoera 
160, Pengaron 70, Moengoe Thayor 130, Bandjermasin 150, 
Mataraman 40, Pleiharie 70, Tabanio 35, Poeloe Petak 50, 
Marabahan 70 bajonetten; 

voor den togt naar Lontontoeor 200 , op den Celebes, Mon- 
Irado en Suriname zamen 45, op de kruisbooten 80 infanterie ; 
terwijl ongeveer 200 man in de hospitalen lagen. 

Om de vruchten te plukken van de behaalde voordeden , 
ea den indruk dien het nemen van de Onrust op den vijand had 
gemaakt geheel uit te wisschen, in één woord om het rijk 
te onderwerpen, behoorde men offensief te blijven handelen, 
moest er zelfs geen oogenblikkelijke stilstand in deoperatiën 
plaats hebben. De chef der expeditie begreep dit , maar 
bezat geen voldoende middelen. 

Hoe zwaar de hem opgelegde taak was , valt zelfs bij een 
oppervlakkige beoordeeling van den toestand gemakkelijk te 
begrijpen. De strijd dien hij moest voeren , bezat geheel het 
eigenaardige kenmerk van een krijg tegen Indische volken: 
geen leger dat verslagen moet worden; geen kaarten, ter- 
reinbeschrijving ot statistieke opgaven , om volgens de regelen 
der strategie een operalieplan te maken, niets van dat al; 
maar een bevolking die heden vredelievend, morgen vijandig 
gezindis, die u 's morgens gastvrij ontvangt en 's avonds de 
verborgen wapenen opvat om u te bestrijden ; die naar rust ha- 
kende zich vrijwillig aan u onderwerpt, en even vrijwillig den 



Digitized by VjOOQIC 



170 

eersten dweepzieken priester of den eersten ondernemenden 
persoon ten strijde tegen u volgt; een land, zoo uitgestrekt 
als Nederland, waar de opstand overal smeult en broeit, 
waar nu en dan slechts een vlam uiislaat, maar vaak geen 
spoor van vuur, geen rook meer is t*e ontdekken , als men naar 
het punt ijlt om den brand te blusschen; een land zonder 
geregeld bestuur, met onkundige, onwillige, verraderlijke 
Hoofden , die ieder een eigen , vijandig doel beoogen en even 
dikwijls verwisseld moeten worden als men zelf verpligt is 
van rigting te veranderen ; geen eigenlijke brandpunten vau 
den opstand of, als ze er zijn en vermeesterd worden, da- 
delijk weder nieuwe brandpunten in een verwijderde streek; 
een vijand, die zich in kleine praauwen even gemakkelijk op 
de tallooze soengej's beweegt , als hij te voet met zijn ligte wa- 
penrusting door de digt begroeide wildernis gaat waarin hij ge- 
boren werd; een vijand van een tijgeraard, Iqerend, gluipend, 
zelden zigtbaar, die gewoonlijk u van achteren, bij verras- 
sing bespringt , en slechts een enkele maal — door den hon- 
ger gedreven — in dolle, Winde woede u in front aanvalt. 
Tot het bestrijden en ten onderbrengen van zoodanig volk 
moest men kracht tegen kracht, hst tegen list, geduld en 
volharding tegenover dweepzucht en opgewondenheid , over- 
leg en oordeel tegenover aangeboren sluwheid, grootmoedig- 
heid en eerlijkheid tegenover verraad en bedrog stellen; men 
moest den vijand slag leveren waar hij in zijn overmoed 
stand hield, hem zijne sterkten ontwringen, onverschillig 
waar hij die opwierp en zich meester maken van de hoofd- 
communicatielijnen , hoe gebrekkig die ook waren ; men 
moest langzamerhand een reeks van posten oprigten, waar- 
door de bevolking in toom gehouden, de vijand gedwongen 
werd om óf de wapenen neer te leggen óf het land te ver- 
laten. Werkte het bestuur in een onderworpen gewest, dan 
kon men zoo noodig den cirkel uitbreiden, eenige posten van 
ondergeschikt belang opheffen en de hoofdposten als steun- 



Digitized by VjOOQIC 



171 

punten laten beslaan. Op die wijze had de chef der expe- 
ditie reeds in den aanvang gehandeld met Soengej Raya dat 
hij , na het bezetten van Moeiigoe Thayor, als tusschenpunt 
van Pengaron had laten vervallen. Was er eens een post 
te Kendangan opgerigt , dan zou Malaraman opgeheven kun- 
nen worden en Moengoe Thayor veel minder bezetting be- 
hoeven. Stelselmatig en gestadig voortgaande , zooveel de 
omstandigheden het zouden toelaten, moest een beleidvol 
gebruik onzer wapenen ten laatste den opstand overwinnen. 
Nog een middel om het einde van den oorlog te bespoedigen, 
bestond in een zorgvuldige afsluiting der rivieren. Door be- 
lemmering der vaart moest alle toevoer van zout , rijst en 
oorlogsmateriëel ophouden. Den i2^" Februarij nog had een 
amerikaansch schip, met 80 stukken ligt geschut en 95 pi- 
kols buskruid in lading, getracht de Barito binnen te loopen. 
Van de marilime magt was zooveel mogelijk gebruik gemaakt 
om allen aanvoer te water te verhinderen. De chef der ex- 
peditie wilde evenwel verder gaan en , zoodra de Barito 
schoon geveegd was, de monding der Mengkatip door een 
paar vaartuigen doen sluiten Daar de Boven-Doesoen ge- 
meenschap had met de Kapoeas en men langs die rivier zich 
van het zoo onmisbare zout kon voorzien, wilde hij aan de 
zamenvloeijing der Kapoeas en Kleine-Daijak een post oprig- 
ten, die met een paar kruisbooten versterkt, de geheele 
afsluiting van die zijde kon daarstellen. ^ 

Ten einde in al die behoeften te voorzien en geen opont- 
houd in de krijgsverrigtingen te doen ontstaan, — dat de 
vijand ongetwijfeld voor krachteloosheid houden en zijn strijd- 
lust des te meer aanwakkeren zoude — waren er meer troe- 
pen noodig dan Verspijck beschikbaar had, en werd derhalve 
een nieuwe versterking van een half bataillon infanterie en 
eenig geschut van Java aangevraagd. 

Na de gevechten van 9 Februarij hadden, in den loop dier 



Digitized by VjOOQIC 



172 

maand, geene belangrijke ontmoetingen meer plaats. Door 
gebrek aan troepen moest de terugkomst der expeditie tegen 
Dontontoeor worden afgewacht, om nieuwe togten te kunnen 
ondernemen. 

Menig vonnis was reeds door den krijgsraad uitgesproken 
over de moordenaars van Kalangan, en gedurig ontdekte de 
politie nog andere schuldigen die zich tot nu toe hadden 
schuil gehouden. Zekere Markoesin, die te Kalangan een | 
hoofdrol had gespeeld, werd o. a. in hechtenis genomen en 
aan het geregt overgegeven; evenzoo de posthouder van 
Pamingir en Mengkatip , het Hoofd van Pleiharie dat aan den 
opstand had deelgenomen, en zelfs twee Bandjersche koop- 
lieden, Rabidin en Tamin, die buskruid aan Djalil hadden 
verstrekt. 

Dat de opstand niet onderdrukt was en de Hoofden alles 
in het werk stelden om den strijd te kunnen voortzetten, 
bleek uit de rapporten die dagelijks van alle kanten naar 
het hoofdkwartier werden gezonden. Van Amoenthay werd 
berigt dat demang Lehman den kampong Benoea Padang 
had geplunderd , en van plan was Martagiri hetzelfde lot te doen 
ondergaan om daarna Tambarangan te bezetten; de bevol- 
king had den postkommandant om hulp verzocht, doch deze 
was niet bij magte geweest een kolonne te doen uitrukken, 
daar de laatste togt naar Taal zijne manschappen te veel 
had afgemat. Verspijck achtte het van groot gewigt aan het 
beroep op bescherming gehoor te geven en vertrouwen 
in het nieuwe bestuur op te wekken; daarom peinsde hij op 
middelen om, het kostte wat het wilde, een kolonne van 
75 bajonetten zamen te stellen. Door de bezetting van Ma- 
taraman te verminderen en eenige manschappen uit de hos- 
pitalen uit te schrijven zou hij daartoe gekomen zijn, 
toen een later berigt, waaruit bleek dat demang Lehman 
naar Kendangan teruggetrokken was, den togt naar de be- 
dreigde kampongs onnoodig maakte. 



Digitized by VjOOQIC 



173 

Te Ampoeka waren acht djoekongs gezien, ieder mei 30 
Daljaks uit Boven-Doesoen die zich bij de opstandelingen voeg- 
den. — Van Marabahan vernam men, dat 15 lambongs 
(vaartuigen voor 15 tot 25 man) zich in de soengej's tus- 
schen Pamingir en Moeara Poeloe verscholen hielden, om 
een onzer posten tegen nieuwe maan aan te vallen. Dadelijk 
bragt de Kingsbergea een officier en vijftien bajonetten tot 
versterking naar Marabahan , terwijl den postkommandant 
van Poeloe Petak gelast werd om de twee kruisbooten, aan 
de Kapoeas gestationeerd, vóór zijn post te plaatsen, endaar- 
door te verhoeden dat die vaartuigen werden afgesneden. 
De manschappen, te Martapoera reeds bestemd voor den togl 
naar Benoea Padang, werden naar Bandjermasin terug ge- 
roepen. 

Den 22*^" Februarij meldden zich 22 van Pengaron voort- 
vlugtige pandelingen te Poeloe Petak aan, benevens een van 
Mataraman weggeloopen Javaansche kettingganger. Maas Bay 
genaamd, leder had /* 12 en een zekere hoeveelheid padie 
van goesti Sahman, een van Antassari's zonen, ontvangen 
om naar kampong Poeloe Petak te gaan en de bevolking tegen 
het gouvernement op te ruijen. Maas Bay moest daarenbo- 
ven opnemen waar de schildwachten in de benting waren 
geplaatst, hoe sterk de bezetting was, en wanneer de barriè- 
re geopend en gesloten werd. Was hij genoegzaam inge- 
licht, dan zou Antassari met een talrijke strijdmagt afkomen 
om de benting te nemen. De soengej Pamingir was bij Daman 
Pamingir door zware staketsels versperd, de woningen waren 
verlaten of opgeruimd. Te Kendangan, Djamboe, Wassaen 
Telok Pegat waren voorraadschuren van rijst en zout. Goesti 
Sahman hield zich te Wassa op, 12 a 15 uren N. W. van 
Pengaron, en was in gemeenschap met Lehman. Maas Bay wist 
zelfs, dat zekere pembekkel Malik van Benoea Padang van 
plan was om de troepen, die tegen demang Lehman zouden 
oprukken, tot gids te dienen en in een hinderlaag te geleiden. 



Digitized by VjOOQIC 



174 

Deze berigten kwamen vrij wel overeen mei hetgeen uit 
andere bronnen omtrent den vijand bekend was , zoodat den 
postkommandant van Moengoe Thayor van dit laatste werd 
kennis gegeven en gelast een poging te doen, om genoemden 
perabekkel in handen te krijgen. 

Toen Lehman naar Amoenthay was teruggetrokken, ver- 
nam men dat hij Ali Akbar te Bantar. Koelin in observatie 
had achtergelaten. Kapitein Eichelberg, die Graas had ver- 
vangen, werd daarom gewaarschuwd meer dan ooit op zijne 
hoede te zijn. — Daarna deelde een spion mede, dat de weg 
van Telok Pegat naar Taal onbruikbaar gemaakt was door 
randjoe's en in de alang-alang geplaatste bogen die , als men 
op het koord trapte, pijlen over den weg schoten; verder 
dat Hidayat zich te Tabalong ophield, zeven dagmarschen 
boven Amoenthay. — Een ander rapport hield in, dat Goena 
Widjaja reeds duizend man bijéén had, waarvan 250 met 
geweren gewapend ; en dat - hij met die magt eerstdaags 
Marlapoera of Pengaron zou aantasten. Ook boven Pengaron, 
in de omstreken van Mangkau, zoude zich het gedeelte van 
Djalil's bende bevinden, dat uit Amoenthay teruggeslagen 
was. Benschop, postkommandant van Pengaron, ontving 
daarom order den omtrek, een halven marschdag ver, te on- 
derzoeken zonder zich met een ovQf magtigen vijand in ge- 
vecht in te laten. De verkenning, tot dat einde naar Mangkau 
gemaakt , deed evenwel geen spoor van den vijand ontdekken. 

Nadat (24 Februarij) een detachement van het 9^ bataillon 
infanterie met de luitenants van den Vrijhoeff en Eypen van 
Java was aangekomen, liet Verspijck dadelijk een kolonne 
van 117 man formeren 'uit de bezettingen van Pengaron, 
Marlapoera en Mataraman, en gelastte Graas, die juist van 
Amoenthay teruggekeerd en, door ziekte van Benschop, het 
kommando te Pengaron voerde, daarmede den vijand in de 
rigting van Baleh op te zoeken. Na vier dagen marsch be- 
reikte hij die plaats. Eypen ging met 35 bajonetten den 



Digitized by VjOOQIC 



175 

kampong verkennen; hij trekt de soengej door, diedenkam- 
pong in drie wijken verdeelt , vindt de eerste huizen verla- 
ten en gaat een 150 voet lange brug van boomschors over. 
Naauwelijks zijn de voorste manschappen aan den overkant 
gekomen, of een tachtigtal Bandjerezen vallen hen met lans 
en klewang aan, Eypen, die vooraan gaat, raakt handgemeen 
en zou gevallen zijn, als korporaal Steenwijk en flankeur de 
Freijen hem niet hadden bijgesprongen. De kogels en bajo- 
netten maaijen de voorvechters weg en , nog voor dat Graas 
is toegesneld, heeft Eypen den vijand reeds met een verlies 
van twintig dooden en gewonden teruggeslagen. Een bende 
die in het struikgewas zich heeft opgesteld, wordt met een 
paar kartetsschoten verdreven. Een spion van Antassari, 
Toean Lewie, die belangrijke papieren bij zich droeg, viel 
Graas in handen. Door gebrek aan vivres genoodzaakt om het 
aanvankelijk plan tot vervolgen op te geven, kwam Graas 
na zeven vermoeijende marschdagen , doch zonder een man 
verloren te hebben (9 Maart) te Pengaron terug. Weldra 
kwamen verscheidene Hoofdeïi van kampongs nabij Baleh 
hunne onderwerping aanbieden , met verzoek zich onder kiay 
Sotoleksono en de bescherming der bajonetten nabij Pengaron 
te mogen vestigen. 

Door de terugkomst der expeditie naar de Boven-Barito 
(3 Maart) werd de chef der expeditie in staat gesteld wederom 
offensief te handelen. De grootste magt bevond zich onder 
demang Lehman, in een sterke stelling tusschen Taal en Te- 
lok Pegat. Daarheen wendde Verspljck het oog en, ten 
einde den vijand met de meeste kans van slagen aan te tas- 
ten, maakte hij de volgende beschikkingen. 

Te Bandjer worden (7 Maart) ingescheept aan boord van 
de Boni en Bennett — ieder met een ijzeren praauw op 
sleeptouw — 460 man van het T bat, infanterie (kapitein 
Ravesteijn, iMuitenants Munters en Sch wart z, 2^ luitenant van 



Digitized by VjOOQiC 



176 

der Wijck, dd. officieren Hollander en Peters), één drieponder en 
één mortier met bediening (2^ luitenant der artillerie Win- 
ter) , acht sappeurs , de officier van gezondheid van Leent , 
en 70 pengaronsche dwangarbeiders. Bij die magt worden een 
barkas , twee gewapende sloepen der marine , benevens eenige 
djoekongs gevoegd, om bij het ontschepen of tot overbrengen 
van rapporten te dienen. De kapitein de Ravallet, chef van 
den staf der expeditie, neemt het kommando hiervan op, 
tracht over Margasarien Baboengan, den 9^" Moeara Tabirouw 
te bereiken , ontscheept aldaar en marcheert naar Balandie of 
Kloempang, rukt den 40^" naar Amawang, den 4i«" naar 
Soengej Raya, en tast den 12^" de vijandelijke stelling aan. 

Zoolang de troepen ontscheept zijn, moeten de stoomsche- 
pen, versterkt met een onderotficier en 40 bajonetten van 
Marabahan, met opgestookte vuren de Tapinrivier bewaken. 
Om te beletten dat de vijand langs de Batang Koelor vlugt, 
zullen de gewapende sloepen en ijzeren praauwen, van 44 
tot 44- iMaart, over dag aan de uitwatering der soengej Koelor 
worden gestationeerd. 

Kapitein Schiff marcheert met een kolonne van 420 bajo- 
netten en 40 kettinggangers den 40®° van Moengoe Thayor 
naar Kendangan, ten einde den vijand tusschen twee vuren 
te brengen. Na zijne vereeniging met de Ravallet, zal (den 
43*^") naar Kendangan opgerukt en, nadat het omliggend terrein 
van vijanden gezuiverd is, aldaar een post van 430 manop- 
gerigt worden. De Admiraal van Kingsbergen , versterkt met 
46 bajonetten onder van Dam van Isselt en voorzien van een 
maand proviand voor den post te Kendangan, zal daarna zijne 
sloepen de soengej Amawang op zenden. Terwijl Schiff te 
Kendangan blijft, scheept de Ravallet zich den 46*^" weder op 
de Boni in, ontscheept den 47®" te Poeloe Gadoeng , bezoekt 
Benoea Alas en Benoea Padang en keert daarna langs den- 
zelfden weg naar Bandjer terug. 

In verband met deze beschikkingen ontving Graas bevel , 



Digitized by VjOOQIC 



177 

om den 42*^ met 70 a 80 man van Pengaron tot een halven 
dagmarsch voorbij Mangkau op te rukken en den vijand te- 
rug te drijven, die welligt langs die zijde wilde ontkomen. 

De Ravallet ging den avond van den 7*^» onder stoom en 
nam van Margas^rie en Baboengan gidsen mede, Toean 
Said, Hoofd van Belimouw, leverde een vijftiental djoekongs , 
die 's anderen daags te stade kwamen toen de kolonne de 
sloomschepen moest verlaten en op sloepen en djoekongs 
overging. Achter Üelimouw werd de rivier aanmerkelijk smal- 
ler, hetgeen den togt der flotille zeer vertraagde. Tegen 
11} uur voer men voorbij Belandi en omstreeks 4 uur werd 
Kloempang bereikt. Hier liet de Ravallet ontschepen en po- 
sitie nemen, tot dat Ravesteijn den kampong en van der Wijck 
den weg naar Amawang hadden verkend. Daarna werd het 
bivak betrokken. 

Den volgenden morgen (40 Maart) rukte de kolonne het 
land in : voorhoede , Schwartz ; hoofdtroep , Ravesteijn ; 
achterhoede , dd. off. Peters. Na drie uren marsch langs 
een moerassig pad dat door dik kreupelhout slingerde, 
kwam men nabij kampong Rantau. Plotseling knallen ge- 
weerschoten; twee flankeurs van de spits vallen door het 
vijandelijk lood getroffen. Er wordt halt gemaakt, en de 
wildernis onderzocht. Een voorvechter springt vooruit en 
verwondt een inlandsch sergeant en een flankeur met lans- 
steken; flankeur Bolteman jaagt hem een kogel door het 
hoofd; nu wijkt de vijand terug. Omzigtig voorwaarts gaande 
wordt de kolonne , eenige honderd passen verder , ander- 
maal door geweervuur verontrust ; twee koelies der voor- 
hoede vallen. Men ziet den kruiddamp opstijgen; de Ravallet 
laat een paar kartetsschoten uit den Sponder doen in de rig- 
ling van waar de schoten gekomen waren. De vijand heft 
een groot geschreeuw aan en wordt onmiddellijk daarop 
verjaagd door een peloton dat in den looppas op hem 
wordt afgezonden. Rantau wordt onderzocht, doorgetrok- 

42 



Digitized by VjOOQIC 



178 

ken en in de asch gelegd. Doormarcherend, bereikte men 
kampong Simpor; het kampongshoofd kiay Rano Manga- 
la treedt de kolonne als vriend te gemoet; de bewoners 
zijn voorkomend, en bieden den soldaten vruchten aan. Yan 
hier neemt de Ravallet een anderen gids mede , daar die van 
Kloempang verklaart den weg verderop niet te kennen. 
Kiay Rano Mangala heeft gezegd dat de kampong Wassa Wassa 
op een hardnekkige verdediging is voorbereid , want het Hoofd 
van dien kampong, Loera Djano, is een aanhanger van An- 
tassari. De Ravallet beveelt daarom den voorhoede-komman- 
dant de noodige voorzigtigheid aan. Op een paal afstands 
van Wassa Wassa houdt de kolonne halt ; de voorhoede avan- 
ceert pas voor pas, en tracht het ten*ein regts en Unks van den 
weg door kleine patrouilles te doen onderzoeken ; maar zóó 
begroeid is de omtrek, dat geen man door de struiken kan 
dringen ; zóó moerassig de bodem , dat men tot de borst 
daarin wegzakt. Flankdekking is hier onmogelijk ; er blijit 
dus niets over dan ongedekt door te marcheren. Gelijk ver- 
wacht werd opent de onzigtbare vijand, geplaatst in kuilen 
met alang-alang bedekt, weldra het vuur; een drager stort 
dood ter aarde , een artillerist krijgt een kogel door den arm. 

Dit vuur te beantwoorden zou de kolonne slechts nutteloos 
aan verlies blootstellen; daarom dringt de Ravallet onverschrok- 
ken door, en laat de flankdekking een poging doen om langs 
de achterzijde der huizen een pad te vinden. 'Aanvankelijk 
gelukt het deze, hier en daar eenige vijanden op te drijven 
en te dooden, maar spoedig stuit zij op onoverkomelijke 
hindernissen. 

Met kartetsschoten wordt de weg, met granaatworpen wor- 
den de afgelegen huizengroepen schoon geveegd ; iedere woning 
wordt onderzocht en in de asch gelegd , opdat de vijand er zich 
niet andermaal in nestele, elke vijand die zich bloot geeft 
met een kogel onschadelijk gemaakt. Eindelijk, na twee 
uren, is de kampong geheel doorgetrokken en vernield. 



Digitized by VjOOQIC 



179 

Een inlandsch soldaat Tronowarso is den heldendood gestor- 
ven, een ander gewond; maar de vijand heeft de verdediging 
van den kampong duur betaald, want verbergt hij al de lij- 
ken en gewonden in de wildernis, overal verft hun bloed den 
bodem. Behalve twee gevangenen heeft hij een viertal lijken 
moeten achterlaten. Pembekkel Djano zelf is doodelijk getroffen. 
Het was vier uur geworden. Van den kampong Wassa 
Wassa en zijne rijk voorziene padieschuren bestond niets meer. 
Om Kendangan dien dag nog te bereiken, was het te laat 
geworden.. Te Soengej Paring wordt geen vijand gezien; daar 
biedt zich een goede gelegenheid aan om te bivakkeren en, 
daar de dag vermoeijend genoeg geweest is, laat de Ravallet 
halt houden. Door de aanhoudende slagregens is de nacht- 
rust echter niet verkwikkend; een uur voor het aanbre- 
ken van den dag breekt men op en marcheert in de rigting 
van Amawang. Het pad is zóó doorweekt, dat vooral de 
artilleristen, met het vervoer van den Sponder belast, een 
zware taak te vervullen hebben. Tegen 40 uur bereikte men 
Amawang. Die kampong ligt voornamelijk aan de overzijde 
eener rivier, die hier een breedte van 50 a 60 el heeft. Vij- 
andig schgnt de bevolking niet te zijn, maar wel te angstig om 
met de kolonne in aanraking te komen. Daai' er geen vlot 
of praauw ligt om den overtogt te doen, en een tuchtiging 
altijd later kan plaats hebben als de bewoners in gebreke 
blijven zich te onderwerpen , marcheert de Ravallet door naar 
Kendangan. Ook die kampong wordt door een snel stroomende 
rivier doorsneden ; de huizen aan den linkeroever zijn verlaten, 
eenige zelfs half afgebroken ; er worden dus vijandelijkheden 
verwacht en men is op zijn hoede. Spoedig opent de vijand 
het vuur van den regteroever uit lilla's eü geweren en verwondt 
drie soldaten; de Ravallet laat de kolonne zooveel mogeiyk 
verspreid öivanceren, en beantwoordt het vuur met eenige 
kartetsscboten. De soldaten branden van verlangen om den 
vijand aan de overzijde op te zoeken ; maar de kolonne-kom- 



Digitized by VjOOQIC 



180 

mandant mag dit niet toestaan. Het daarstellen van over- 
gangsmiddelen zou te veel tijd vorderen; door de talrijke be- 
lemmeringen gedurende den marsch ondervonden was men 
reeds te dikwijls opgehouden, en tegen den 42*^° moest men 
te Taal zijn om met de kolonne Schiff de vijandelijke ver- 
sterking te vermeesteren of, als dit reeds aan Schiff gelukt 
was, den verjaagden vijand op te vangen. 

Zonder zich dus veel te storen aan de kogels die de vijand 
hem nog nazond, rukte de Ravallet verder. De regen stroomde 
onophoudelijk door. Verder dan tot hifer kende de gids den 
,weg naar soengej Raya niet. Op het kompas bereikte men nu 
tegen 4 uurdenkampongKliring; een paar gewapende mannen 
sprongen uit het kreupelhout en namen de vlugt zonder getrof- 
fen te worden door de kogels die men hen nazond. De veertig 
goed gebouwde huizen, waaruit de plaats bestond , werden tot 
straf verbrand; daarna marcheerde men door. Iets verder vielen 
wederom eenige schoten; kleine patrouilles, in de wildernis 
gestuurd, ontdekten evenwel geen mensch. Verder gaande snor- 
den andermaal eenige kogels door de kolonne , en doodden een 
koelie. Afgemat door de onafgebroken inspanning tegen een 
overval, door den onophoudelijken regen en door den bij- 
na onbegaanbaren weg, was rust hoog noodig geworden. 
Tegen 2 uur, aan een kleine opene vlakte komende, liet de 
Ravallet daarom het carré formeren , het terrein in den om- 
trek onderzoeken, eenige posten uitzetten, en daarna een 
half uur rusten. Verder gaande werd Djamboe doorgetrok- 
ken; andermaal werd een koelie door een schot van een 
verborgen vijand getroffen; eindelijk tegen i{ uur bereikte 
men soengej Raya. 

Dé&r betrok men het bivak in een groot huis aan den lin- 
keroever der rivier gelegen. Hoe groot de vermoeijenis ook 
was na een marsch van bijna 42 uren, voor dat men zich 
aan het genot der ruste kon geven, moest er eerst voor de 
veiligheid van het bivak zorg gedragen worden. Een ge- 



Digitized by VjOOQIC 



181 

deelte der manschappen bleef onder de wapens, een ander 
gedeelte maakte een palissadering, terwijl een derde afdee- 
ling den uitgestrekten , doch verlaten kampong verkende 
en den omtrek onderzocht. Slechts door één schot werd 
daarna de nachtrust gestoord. 

's Anderendaags begon de arbeid met een brug te slaan 
over het slechts 7 el breede, maar toch diepe riviertje, dat over- 
getrokken moest worden. Tegen 7 uur in den ochtend was 
men daarmede gereed en ging de kolonne opmarsch. Nage- 
noeg aanhoudend door moerassen trekkende, bereikte men, 
schier uitgeput, omstreeks 4} uur den kampong Taal. De 
Ravallet liet in carré opmarcheren en zond Schwartz en van 
der Wijck , ieder met een peloton van 30 man , in de rigting van 
Telok Pegat , ten einde de kolonne Schiff op te zoeken , wier 
kanonvuur in den loop van den dag reeds gehoord was. On- 
derwijl vlugtte een vijandelijke bende, door Schiff verjaagd, 
naar Taal en stootte onverhoeds op de kolonne. Door het 
geweervuur der onzen begroet, waardoor er eenige in het 
stof beten, verdween zij echter even spoedig. 

De verkenningen kwamen terug zonder een spoor van 
Schifl's kolonne ontdekt te hebben. Hoewel nu de order luidde 
om in dit geval door te marcheren, moest de Ravallet hier- 
van afwijken, daar de gewonden niet aan de vermoeijenissen 
van een langeren marsch blootgesteld mogten worden, en het 
roekeloos zou zijn op dit uur de kolonne door een terrein 
te geleiden waar vermoedelijk een versterking lag. Het bivak 
werd dus betrokken; een schot (het avondschot) een paar uren 
later gehoord, gaf de zekerheid dat Schiff niet ver af was. 

Vroeg in den morgen van den 43®° was men weder op 
marsch en tegen half negen had de vereeniging der beide 
kolonnes onder een hevigen slagregen plaats. 

Laat ons thans mededeelen wat Schiff sedert iO Maart 
verrigt had. 



Digitized by VjOOQIC 



182 

Vroeg in den morgen uilrukkende , had hij Benoea Padang 
len 3 ure bereikt, daér gebivakkeerd en een vlot gereed ge- 
maakt, om 's anderendaags de soengej Tapin over te trekken. 
Door den regen die gedurende den nacht aanhoudend gevallen 
was, ging de overtogt met veel moeijelijkheden gepaard en 
kwam hij eerst ten 10 ure voor de soengej Laboahan. Over 
die rivier moest een brug geslagen worden, hetgeen weder- 
om een uur ophield. Aan de andere zijde der soengej Ba- 
doeng vond hij een verlaten huis des vljands, en tegen 5 
uur werd Telok Pegat bereikt, waar twee soldaten door rand- 
joe's gewond werden. 

De rivier op wier oevers Telok Pegat gelegen is , werd den 
42«" gepasseerd over een brug , dié vooraf gemaakt moest 
worden; achter den kampong verliet Schiff den weg dienaar 
Taal voerde, en sloeg een pad in dat naar een hoogte liep. 
Op den top komende , ontwaarde hij een borstwering van 
40 el lang waarvoor voet- en buikrandjoe's geplant waren; 
eenige vijanden verlieten hunne legerplaats aan de regter- 
zijde der berghelling en trokken terug. Over den rug dier 
hoogte den marsch vervolgende, bespeurde men weldra den 
heuvel Menaris wiens top met zwaar hout was begroeid. 
Moengoe Menaris maakte de vijandelijke positie uit. Deze m. 
den rug te nemen , was ondoenlijk , dewijl daartoe een vallei 
moest worden doorgetrokken die in den volsten zin des 
woords ondoordringbaar was. SchiflF daalde dus noordwes- 
telijk af en kwam weder op den weg naar Taal; daar deze 
op 450 pas afstand langs het front der vijandelijke ver- 
sterking liep., was het niet raadiaam hem te volgen, wilde 
men althans de nadeeleh van een frontaanval vermijden. Hij 
doorsneed daarom den weg en bereikte, door moeras en 
sawah's , een hoog terrein op omstreeks 600 pas van vier 
versterkingen, die op den top der Menaris-hoogte waren 
aangelegd. 

Terwijl de Sponder het vuur opende, werd de achterhoede 



Digitized by VjOOQIC 

\ 



183 

door een vijandelijke bende aangetast , doch de aanval af- 
geslagen; en toen een hadji was afgemaakt die als voorvechter 
met de lans op de bajonetten inliep, was de hulp van van 
Ëmde, die met een peloton tot versterking toesnelde, reeds 
overbodig. Daar de 3pondskogels geen uitwerking deden, 
rukte SchifF een honderd schreden nader, om met kartetsen 
te kunnen vuren. Een flaauwe helling aan de noordzijde 
des bergs bood een geschikte gelegenheid aan om 's vijands 
regterflank aan te tasten; derwaarts werd een gedeelte der 
kolonne gerigt. De omtrekking gelukte volkomen. Met den 
stormpas wierpen onze braven zich op de eerste versterking 
en sloegen de verdedigers terug; met den stormpas drongen 
zij verder door en namen een tweede, een derde en eindelijk een 
vierde benting. De vijand zocht zijn heil in de vlugt; maar 
hoe snel hij ook in de wildernis trachtte te ontkomen, nóg 
sneller vlogen de puntkogels , die menig vlugteling in zijn 
vaart deden neértuimelen. Zij die het ontkwamen en een 
blik terugwierpen, konden de Nederlandsche vlag op Moen- 
goe Menaris zien wapperen. 

De versterkingen in den vorm van flêches aangelegd, be- 
stonden uit sterke, twee el hooge borstweringen van zware 
boomstammen, voorzien van de noodige schietgaten. 

Het was 3 uur geworden, toen men het kanonvuur van 
de kolonne de Ravallet in de rigting van Taal hoorde. 
Onmiddellijk verzamelde Schiff zijn kolonne en toog op marsch 
om zich met de Ravallet te vereenigen, doch daar de brug 
van soengej Taal was afgebroken en de avond inviel, was 
hij verpligt naar Menaris terug te trekken en aldaar te bi- 
vakkeren, 's Anderendaags bereikte hij Taal, had de ve»r- 
eeniging met de Ravallet plaats, en marcheerde men ge- 
zamenlijk naar Batang Koelor. De hevige slagregens hadden 
den omtrek bijna geheel onder water gezet, waardoor het 
overtrekken der rivier, waaraan deSse kampong gelegen was, 
met onbegrijpelijk veel zwarigheden gepaard ging. Tegen 



Digitized by VjOOQIC 



184 

1 uur echter was de overtogt geschied en werd in de ruime 
woning van demang Lehman het bivak betrokken. Tot nu 
toe had men geen plaats aangetroffen waar zooveel welvaart 
heerschte als hier; overal net gebouwde en goed ingerigte 
woningen; maar ook deze kampong, het woonoord van een 
der ijverigste opstandelingen , moest gestraft worden, en werd 
ten vure gedoemd toen men den 14«" naar s. Raya oprukte. 

Soengej Raya bestond uit een vereeniging van verschillende 
kampongs, te zamen minstens honderd huizen. Hier vond 
men patronen, daar lilla's en klein geweer, elders rand- 
joe's en lansen; de gezindheid der afwezige bevolking en 
het lot van den kampong waren dus niet twijfelachtig. Met het 
onderzoeken en verbranden der woningen was het laat ge- 
worden, en eerst den volgenden dag kon de marsch over 
Djamboe naar Kendangan worden aangenomen. Pembekkel 
Taras vervoegde zich bij den kolonne-kommandant en bood 
de onderwerping der bevolking aan. Kampong Djamboe bleef 
daardoor gespaard. 

Omstreeks 12| uur soengej Kendangan bereikende, werd de 
voorhoede door geweervuur van de overzijde begroet. Nadat 
dit tot zwijgen was gebragt, vervolgde men den marsch. Gedu- 
rig echter bestookte de vijand onze linkerflank „ hetgeen den 
marsch aanvankelijk vertraagde. Toen men eindelijk Amawang 
naderde, werd de kolonne niet meer verontrust, maar integen- 
deel door Aboe Kassim, den pembekkel van Margasarie en hadji 
Abdoel Madjid van Amawang vriendschappelijk ontvangen. Zij 
verklaarden dal, hoewel de bevolking gevlugt was uit vrees van 
te worden geprest door demang Lehman , zij toch niets liever 
wenschte dan in vrede met het gouvernement te leven en 
zijne bescherming te genieten. Schiff achtte het raadzaam 
den kampong aanvankelijk te sparen, in afwachting der hou- 
ding die de bevolking zou aannemen. In het midden van den 
kampong waar verscheidene huizen bewoond waren, werd 
halt gehouden en gebivakkeerd. Nu zocht men een geschikte 



Digitized by VjOOQIC 



185 

plaats om een sterkte op te rigten; men vond een punt in 
het midden van Amawang, aan de kromming der rivier, van 
waar beide kampongs, Amawang en Kendangan, bestreken 
konden worden. Zonder uitstel werd aan het tracé eener 
versterking met twee bastions begonnen, en Ravesteijn met 
70 man over de rivier naar Kendangan gezonden. De vijand 
was alleen moedig achter een rivier, want thans koos hij 
het hazenpad. Kendangan ontving zijn welverdiend lot; ook 
Hidayat's woning werd aan de vlammen prijs gegeven. Een 
andere patrouille ging naar Wassa Wassa, dat geheel verlaten 
was, en den 18<^° maakte van Emde met 60 bajonetten een 
verkenning langs de soengej Kiddeman, waarbij Kamban, s. 
Loerang, s. Koepan en s. Paring bezocht werden; hij vond 
alle kampongs bewoond, de bevolking overal vredelievend. 

Ook de bevolking van Amawang keerde uit de wildernis 
terug; binnen weinige dagen was er geen huis meer onbe- 
woond. Het oprigten van een post was een waarborg voor 
de rust waarnaar ieder scheen te haken, en waartoe dus 
gaarne ieder iets bijbragt. Voorzeker moest het voorbeeldig 
gedrag der soldaten de sympathie der inlandsche bevolking 
opwekken; voorzeker moest het de verwondering gaande 
maken dat de levensmiddelen , de vruchten die men immers 
slechts voor het nemen had, en die men als blijk van 
hulde den sterke ten geschenke aanbood, door de soldaten 
betaald werden! Weldra kwam men zelfs kebo's te koop 
aanbieden. 

Toen de benting te Amawang kon betrokken worden en 
voorzien was van vivres, met djoekongs van de Kingsbergen 
aangebragt ; toen het hoofddoel van den gecombineerden togt 
bereikt was, kon de Ravallet aan den terugtogt denken. De 
gewonden en zieken onder Andringa, de Sponder tot bewa- 
pening en Munters ter vervanging van van Emde tot het 
voltooijen der benting te Amawang achterlatende, marcheerde 
hij {19 Maart) over Wassa, Simpor en Rantau naar Kloem- 



Digitized by VjOOQiC 



186 

pang, zonder vijand te ontmoeten. D&ér lagen de noodige 
djoekongs gereed waarmede men tegen 2} uur de Boni be- 
reikte. Hadji Tamin , Hoofd van Gadoeng , kreeg bevel voor 
djoekongs te zorgen, waarmede de kolonne naar Gadoeng 
kon overgevoerd worden. Aan dien last werd voldaan; te 
5 uur in den ochtend van den SO»» scheepte men zich in, 
en kwam tegen 3 uur te Gadoeng. Nadat de noodige inlich- 
tingen over den te volgen weg verkregen waren, was hel 
te laat geworden om dienzelfden dag nog verder te gaan; 
doch den 21 «° marcheerde de Ravallet langs drassige sawah- 
velden naar de kampongs Paoel, Benoea Alat, Rantau en 
Koepang ; halverwege iedere plaats kwam het Hoofd met eenig 
gevolg de kolonne te gemoet om haar zijne hulde te brengen; 
de bevolking was overal onderdanig. Te Benoea Padang 
werd onder een hevigen slagregen op den passar het bivak 
betrokken; ook daar beloonde men zich vriendschappe- 
lijk gezind. Doelabah, de pembekkel van Benoea Padang, 
meende dat de naburige kampong Bakarangan den doorlogl 
der troepen zou betwisten. De Ravallet rukte er den 22"» 
heen, maar vond geen zweem van verzet; de pembekkel 
Arsin trad ïiem een eind weegs te gemoet en verzocht 
zelfs de kolonne naar Gadoeng te vergezellen. Tegen H ure 
in dien kampong aankomende, vond men er de pembekkels 
der omliggende kampongs vereenigd. De Ravallet hield een 
vergadering en maakte hen bekend met de bedoelingen van 
het gouvernement ]>dat slechts strafte waar misdreven was, 
maar dat de goede gezindheid wist te waarderen van hen, 
die geen gemeene zaak met den vijand maakten.'' Na het 
bespreken van de belangen der bevolking en na de kam- 
pongshoofden gelast te hebben, eenmaal 's weeks te Amawang 
bevelen te komen vragen, werd de terugreis naar de Boni 
en verder met dit vaartuig naar Bandjermasin ondernomen. 
Door de vermoeijende marschen onder zware regens , over 
een doorweekten bodem en gezwollen rivier, door een zwaar 



Digitized by VjOOQIC 



187 

begroeid, onbekend terrein, steeds in spanning gehouden 
door een loerenden vijand , die nu en dan met een verra- 
derlijk schot een man buiten gevecht stelde, vsraren de sol- 
daten zeer afgemat. Daarom had de Ravallet ook afgewe- 
ken van de instructie , die nog een marsch van Benoea Padang 
naar Moengoe Thayor voorschreef. 

Van den 9^** Maart toch had men nagenoeg geen rust ge- 
noten; de nachten onder piasregens op het bivak doorge- 
tn*agt , konden waarlijk niet als rust worden aangemerkt. Maar 
geen enkele klagt was aan één soldaat over de lippen ge- 
komen; met volharding had men uren en dagen gezwoegd 
«n ontbeerd, en de uren van gevecht waren de uren van 
ontspanning geweest. De gewapende sloepen van de Boni 
hadden onder kommando van van der Steen van 14 — 14 
Maart dagelijks aan de uitwatering der soengej Koelor post 
gevat, doch slechts handelspraauwen gezien van Belimouw, 
door het Hoofd van den kampong begeleid. Ook Graas, die 
aan het hoofd van 78 bajonetten van Pengaron naar Mang- 
kau was gemarcheerd, had niets van den vijand bespeurd. 

Van Gennep, kommandant der Kingsbergen was den 9» 
soengej Bajanan ingestoomd en, voorzien van twee lood- 
sen van kiay Mahan di Poera, tot Moeara Sangier genaderd. 
Slechts door den hoogen waterstand was de smalle kronke- 
lende rivier bevaarbaar , en konden de takken s. Pamangka en 
s. Amawang zelfs nu nog alleen met djoekongs bezocht wor- 
den. Daar de afstand van het punt waar de Kingsbergen zich 
bevond tot Amawang, volgens opgave der inlanders IS uur 
roeijens zou zijn, bepaalde van Gennep zich tot het zenden 
der gewapende sloepen tot op een uur afstand van den stoomer. 
Hij verzocht kiay Mahan di Poera een djoekong naar Ama- 
wang op kondschap uit te zenden, kreeg zoodoende berigt 
dat de kolonne de Ravallet Amawang doorgetrokken was, en 
ontving den 17«° van de Ravallet zelf tijding zijner aankomst. 
Daarop liet hij den medegenomen voorraad vivresoplödjoe- 



Digitized by VjOOQiC 



188 

kongs inschepen en onder geleide van den kiay naar Ama- 
wang vervoeren. Nadat de behoorlijke ontvangst vernomen 
was, keerde de Kingsbergen naar Bandjer terug. 

Het doel van den togt was dus bereikt. De landstreek, 
waar demang Lehman zijn willekeurig gezag uitoefende, be- 
zocht, onderworpen en in kaart gebragt; de ontoegankelijk- 
heid in den regentijd van dit door tallooze wateren door- 
sneden gewest, was gebleken voor onze kolonne niet te 
bestaan. Demang Lehman zelf was op het naderen onzer troe- 
pen teruggetrokken, zijne strijdbenden waren uiteengejaagd, 
zijne versterkingen stormenderhand genomen; de vijandige 
bevolking had een strenge tuchtiging ondergaan, de bevrien- 
de onder bescherming onzer bajonetten rust verkregen. Al 
weder was er dus een groote schrede voorwaarts gedaan. 



Digitized by VjOOQIC 



HOOFDSTUK XV. 



KRIJÖBVBURIGTINGBN IN TANAH LAÜT. — DB BALI OP DE 

KAPOBAS. — VBROVBRING VAN POBLOB KANAMIT. — 

MAART 1860. 

In Tanah Laut was inmiddels de opstand door eenige hadji's 
op nieuw aangewakkerd. De vijand , nergens in grooten ge- 
tale vereenigd, scheen de gemeenschap met Martapoera en 
Tabanio te willen afsnijden. Om dit te beletten zond Ver- 
spijck van den Vrijhoeff met twintig bajonetten (6 Maart) 
per kruisboot van Tabanio, ter versterking van Pleiharie. 

Er liepen geruchten dat een vijandelijke bende , als solda- 
ten verkleed, onze posten zoude trachten te naderen en 
atloopen. Bij elk berigt van een zamenscholing zond de 
1^ luitenant Magnin, militaire-kommandant van Tanah Laut, pa- 
trouilles uit. Op een verkenning naar Mariakin (5 Maart) 
stootte de dd. officier de Jonge op een vijandelijke bende ; 
twee onzer werden gewond. Den 9«° had een andere pa- 
trouille *sterk 4ö bajonetten een ontmoeting bij Tambaga , 
waarbij een inlandsch fuselier sneuvelde en een flankeur zwaar 
gewond werd. Een patrouille van gelijke sterkte bezocht den 
i2» de kampongs Tenipongan, Padang Pandjang en AtiAti, 
zonder vijand te zien; een tweede ging denl5«" naar Batoe 
Tongko, en een derde den 18«» naar Banjer Irang. 



Digitized by VjOOQIC 



190 

Van Straten geraakte den 26«" Maart slaags met een afdee- 
ling, die in een bosch nabij Ati Ati een versterking oprigtte. 
Den volgenden dag vond hij, op v^eg naar Tambaga, een bivak 
van den vijand, waarvan de toegang door randjoe's versperd 
was ; hij liet er den brand insteken. Den 28*° viel een veertig- 
tal vijanden een praauw aan, waarmede een gevangene onder 
geleide van vijf bajonetten naar Pleiharie werd gevoerd. Die- 
todjoedo , een inlandsch korporaal van het 9"^ bataillon infan- 
terie kommandeerde het detachement. Zijn dapper gedrag 
stelde zijne aanvallers zeer te leur ; want in plaats van zich 
over te geven, had Dietodjoedo besloten zich tot het uiter- 
ste te verdedigen. Bij het eerste salvo van den oever wer- 
den reeds twee man van het geleide getroffen; doch met 
woeker betaalde men het vuur , en elk schot van de praauw 
deed een vijand vallen. Hoewel er snel doorgeroeid werd, 
bleef echter de toestand van het konvooi gedurende eenigen tijd 
nog hagchelijk. Van alle kanten vlogen de kogels over de 
praauw; de gevangene werd tot tweemaal toe getroffen. Ein- 
delijk liet de vijand af, en zegevierend bragten de brave in- 
landers hun gevangene te Pleiharie. 

Na de aankomst van Z. M. stoomschip Bali te Bandjer (3 
Maart) werd die bodem naar de Kapoeas gezonden om de Mon- 
trado af te lossen. Wel is waar hadden drie Daijaksche 
Hoofden, Gawa, Gala en Mitak, zich onderworpen, en was 
Mawong , Hoofd van de Kapoeas Oeloe en een doodvijand 
van Soerapati door tommonggong Djaja Negara (Nicodemus) 
naar Bandjer geleid om trouw aan het gouvernement te zwe- 
ren; Soerapati's strijdbenden hielden niettemin de Daijaklan- 
den in opstand en bedreigden PoeioePetak, in afwachting van 
goesti Sahman, een van Antassari's opperhoofden, die bet 
gansche land te vuur en te zwaard zoude verwoesten. — De 
Montrado, tijdelijk onder den luitenant ter zee 2* kl. Dronkers 
en versterkt met 30 bajonetten onder den dd, officier Schip- 



Digitized by VjOOQIC 



191 

pers, bezocht met een kruispraauw op sleeptouw in het be- 
gin van Maart andermaal de Kapoeas en zag achter de 
Kanamit eenige praauwen vlugten, waarvan er een aan de 
uitgezondene sloepen in handen viel. Luitenant ter zee 
Gobee ging met 60 man aan wal om den omtrek van 
s. Kanamit te zuiveren , en verjoeg eenige gewapenden die 
zich in den vroeger vernielden kampong hadden genesteld. 
De s. Klampong, Boetoesoet en Kladang werden insgelijks 
onderzocht, doch tot kampong Toewana werd nergens een 
spoor van vijand ontdekt. 

Op de terugreis de Bah ontmoetende , keerden beide vaar- 
tuigen (14 Maart) terug, daar de kommanderende officier 
der marine van oordeel was, dat aan de Suriname de ver- 
dere uitvoering der instructie kon worden overgelaten. Onder- 
weg ontving hij echter berigt van het bestaan eenerbenting 
achter Poeloe Kanamit. Nu werden honderd man der equipage 
en een mortier ontscheept en onder den luitenant ter zee 1« 
klasse Buyskes rukte men daarmede het land in. Tegen tien 
uur voor den middag (ii Maart) stoot men op een gepalissadeerde 
versterking in den vorm van een lunette, die door een zestigtal 
Daijaks wordt verdedigd. Na de benting te hebben verkend , 
laat Buyskes voorwaarts gaan en een soengej doorwaden, om 
de versterking in den rug te vallen. De voorhoede nadert in- 
middels zoo bedekt mogelijk de flank van het werk , zonder 
eenige beweging te bespeuren. Eensklaps vertoonen zich de 
vijandelijke voorvechters en geven vuur. Doodelijk getroffen 
valt de sergeant-majoor Bausch. De stormmarsch wordt ge- 
blazen, de benting van twee zijden aangetast en de vijand op 
de vlugt gejaagd. Luitenant ter zee Thierens krijgt order 
met den mortier achter te blijven en de versterking te ver- 
nielen; Buyskes vervolgt den marsch naar den kampong 
die den vijand tot woonoord strekt. Doch na een marsch 
van anderhalf uur door een zeer moerassig land , besluit hij 
terug te keeren, daar hij ducht op den terugtogt door het 



Digitized by VjOOQIC 



192 

hooge water te worden overvallen. — Zeven inlanders , vroeger 
in handen van den vijand gevallen, herkregen bij die gele- 
genheid hunne vrijheid. 

Een tweede togt naar dien kampong werd niet ondernomen, 
maar 's anderen daags naar Poeloe Petak en van daar naar 
Bandjer doorgestoomd. Na de verovering dier benting, ver- 
eenigde zich de vijand met tommonggong Toendan te Panko, 
bewapende een zestiental praauwen en beraamde een aanslag 
op Tabanio of Sampit. De postkommandanten werden daarvan 
verwittigd en een paar vaartuigen, met 60 bajonetten ver- 
sterkt, de Barito opgezonden. 

Door de expeditie naar Poeloe Kanamit was de monding 
der Mengkatip, twee a drie etmalen langer dan noodzakelijk 
was, onbewaakt gebleven. Toen Verspijck dit vernam, gaf hij 
dadelijk bevel tot het zenden van een stoomschip , zwaar genoeg 
gewapend om des noods een aanval van Soerapati's strijd- 
magt (van wier komst gedurig berigten inkwamen) te weer- 
staan. Daar de Gelebes en Montrado naar Java waren vertrok- 
ken om te repareren, werd hiertoe de Suriname bestemd. Dit 
stoomschip vond (16 Haart) het posthuis te Pamingir verbrand, 
den kampong verlaten, en de bevolen versperring der Meng- 
katip niet aanwezig; eerst nadat de Hooiden der nabu- 
rige kampongs aan boord ontboden waren en strenge be- 
velen hadden ontvangen, werd de rivier versperd. Daarna 
vatte de Suriname post nabij Djambaran, aan de uitwatering 
van den tak, die de soengej Sihong met de Barito vereenigt. 

Kiay Adipati Danoe Redjo, Hoofd van Amoenthay , berigtte 
(6 Maart) dat demang Lehman, Djalil, Amin Oelah eneenige 
andere Hoofden zich met 500 man te Kroesan in zijn gebied 
ophielden; daar hij van plan was om zijn volk, dat reeds 
naar Djamboe teruggetrokken was, ter hulp te snellen, vroeg hij 
eenigen voorraad van buskruid en lood aan. De dubbelzinnige 
rol die bijna alle Hoofden speelden, gaf Ëichelberg aanleiding 



Digitized by VjOOQIC 



193 

dit verzoek te weigeren. Het scheen evenwel , dat Danoe Redjo 
ditmaal opregt was , want eenige dagen later rukte hij wer- 
kelijk naar Kaloewa, waar hij een benting naar het model 
der versterking te Amoenthay had laten bouwen en zijne 
zonen het bevel liet voeren. Den volgenden dag zond de 
vijand een paar hadji's naar Kalöewa, om den kiay te 
bewegen hunne partij te kiezen ; doch toen die poging mis- 
lukte , werd het lillavuur op de benting geopend. De kiay 
rukte daarop met twee honderd man en twee drieponders 
uit en leverde den vijand slag met dat gevolg, dat deze na 
een gevecht van 3j uur het veld ruimde. Hoe bloedig die 
strijd was , kan nagegaan worden als men in aanmerking 
neemt dat beide partijen gebrek aan munitie hadden en men 
zich tot een vuurgevecht bepaalde, waarbij van den kant des 
kiay's het verlies uit één gewonde bestond. — Den 28" Maart 
voerde de Bennett 70 man van het 7« bataillon met de luitenants 
de Jongh en Beijens naar Amoenthay, om een gedeelte der 
bezetting te vervangen. Verspijck gelastte Eichelberg van die 
tijdelijke versterking gebruik te maken, om DjaliFs bende 
noordwaarts van Kaloewa met een kolonne op te zoeken, en 
daarna een tweede kolonne naar AUei te zenden, waartoe 
Schiff, van Amawang uitgaande, zoude medewerken. 

In de nabijheid van Martapoera werd zekere Djamal gevat, 
berucht wegens het werkdadig deel dat hij in den moord van 
Kalangan had genomen. — Antaloedin bevond zich nog aan 
de Alalak te kampong Padang ; alle pogingen om hem te ar- 
resteren , mislukten. Eenige personen die hem van rijst en 
zout voorzagen, vielen der politie evenwel in handen. — Den 
S*^" Maart werd het doodvonnis aan Singa Bradja, zwager van 
pangerang Amin Oelah , en vijf andere inlanders voltrok- 
ken. Door den grooten aanhang van Singa Bradja was 
een poging tot bevrijding der veroordeelden niet onwaarschijn- 
lijk; daarom versterkte Verspijck de bezetting van Marta- 

13 



Digitized by VjOOQIC 



194 

poera met 75 bajonetten. De strafoefening liep nu rustig af. 
Roemde de chef der expeditie te regt den goeden geest 
der troepen die, in weerwil der vermoeijenissen van die 
eindelooze jagt op een telkens vliedenden vijand, bij iedere 
gelegenheid op nieuw uitblonk; waren de Ambonesche sol- 
daten vroeger te Martapoera bestand geweest tegen het goud, 
waarmede de vijand hen had willen omkoopen ; gaven de 
Zwitsers , oproerig in het garnizoen op Java, in het veld blij- 
ken van moed en trouw en hadden zij daardoor de smet die 
op hen kleefde reeds lang uitgewischt; toonden de Javanen 
die de oranjecocarde droegen, op nieuw hunne gehechtheid 
aan het vaandel waaronder zij dienden ; — een enkel voor- 
beeld van ontrouw , en verraad deed zich evenwel voor bij de 
bezetting van Moengoe Thayor. De fuselier Lasarada poogde 
zijne makkers tot verraad, tot amokmaken over te halen. Reeds 
te Mataraman had hij geld uitgestrooid om de bezetting tot 
opstand te verleiden ; toen had men zijn schandelijk voorstel 
met verachting afgeslagen, doch het voor den kommandant ver- 
zwegen. Thans duldden de verontwaardigde soldaten den ver- 
rader niet langer in hun midden. Sappa en Djalatie klaagden 
hem aan, en Lasarada werd aan den krijgsraad overgegeven. 

Na het vertrek der kolonne de Ravallet voltooide Schiffde 
nieuwe versterking te Amawang. Hoewel de berigten over 
demang Lehman zeer uit één liepen, was het echter waar- 
schijnlijk dat hij in noordelijke rigting, te AUei, zijne troe- 
pen zamentrok; zeker was het, dat hij door gewelddadige 
middelen, door moorden zelfs, de aan het gouvernement onder- 
worpen bevolking wilde dwingen om zijne partij te omhelzen. 
De toestand der bezetting van Amawang veroorloofde echter 
niet, om een kolonne op kondschap uit te zenden. Vele man- 
schappen lagen ziek, allen ontbrak het aan schoeisel. De togt van 
Moengoe Thayor naar Kendangan was reeds blootvoets gemaakt. 

Den 1«" Maart namelijk, op het oogenblik van uitrukken, 



Digitized by VjOOQIC 



195 

bemerkte Schiff eenige ontevredenheid bij zijne manschappen; 
er werd geprutteld. »H Was lederen dag uitrukken, zich dood 
loopen, slecht eten krijgen; dat alles beteekende nog niets. 
Maar met bloote voeten , evenals koelies te marcheren , levens- 
lang kreupel te gaan door in een randjoe te trappen, daarvoor 
had men niet geteekend !" Schiff hoorde dit aan en vond dat 
de soldaten gelijk hadden; doch wat kon hij doen? Hij zelf 
heeft nog schoenen aan. Voor het front der kompagnie trekt 
hij ze uit, slingert ze ver van zich over de borstwering , en 
zegt: »als gij lieden geen schoenen hebt, dan kan ik ze ook 
missen." De soldaten schamen zich , roepen: »leve de kapitein 
Schiff! leve de Koning!" en gaan welgemoed op marsch. 

Weinige dagen later brak echter te Amawang de koorts uit , 
die het gevolg was van te veel inspanning. Een derde der bezet- 
ting lag ziek ; Schiff moest den zijnen toen wel de onontbeerlijke 
rust schenken. Maar nu achtte demang Lehman het oogen- 
blik geschikt om een slag te slaan. In het geheim verzamelt 
hij zijne strijdbenden , deelt haar mede dat de bezetting 
uitgeput , geheel weerloos is ; men heeft slechts zijne bevelen 
naauwgezet op te volgen, en de overwinning zal schitterend 
zijn. Vroeg in den ochtend (31 Maart) is Munters met 60 
man en een 3ponder de rivier overgegaan om S. Paring te 
bezoeken. Demang Lehman verneemt dit te Kendangan, en 
besluit nog dien zelfden dag de versterking aan te vallen. 
Te. twee uur na den middag valt er een schot in de nabijheid 
van hadji Abdoel Madjid's woning, binnen Amawang gelegen. 
Op dit signaal wordt de versterking als door een tooverslag, 
door 300 vijanden omringd en uit honderd geweren bescho- 
ten. Op het alarm vliegt de zwakke bezetting te wapen. 
Twee hadji's , die van den dag onzer vestiging zeer behulp- 
zaam waren en verzocht hadden in de benting te mogen 
blijven, maakten tegelijkertijd amok; doch Schiff had het 
oog op hen en maakte ze onschadelijk. HQ draagt den dd. offi- 
cier Serquet op, met eenige manschappen het bastion te 



Digitized by VjOOQIC 



196 

verdedigen, dat door het uitrukken van Munters ongewa- 
pend is. Hij zeir plaatst zich op het andere bastion en leidt 
de bediening van den houwitser. In de grootste orde wor- 
den zijne bevelen uitgevoerd; van de dertig zieken, nemen 
er achtentwintig deel aan de verdediging. Zij die te zwak 
zijn om te gaan, slepen zich naar de borstwering en houden 
zich aan de palissaden vast. Op zooveel tegenstand heeft 
Lehman niet gerekend; de kogels der benting treffen met 
verwonderlijke juistheid ; gedurig draagt men dooden uit den 
strijd. Ook het Hoofd Tamboeroe is gevallen. Tot storm 
loopen kan Lehman zijn schare niet bewegen. Hij overziet 
het gevecht uit een boom ; twee man zijner lijfwacht, onder 
dien boom gezeten, worden getroffen, nu begrijpt de de- 
mang dat het tijd wordt zich uit de voeten te maken. 
Snel laat hij zich naar beneden glijden, kruipt op handen 
en voeten in de alang-alang en verdwijnt van de kampplaats. 
Daar komt Munters in den looppas van Simpor terug; op 
den terugmarsch het vuren gehoord hebbende, ijlt hij de bezet- 
ting te hulp, en valt den vijand in den rug. Tusschen twee 
vuren gebragt, denkt deze aan geen verdediging meer, maar 
slaat op de vlugt. Munters zendt hem een paar drieponds- 
kogels achterna en vervolgt hem tot Kendangan. 

Uit Riam Kiwa vernam men, dat Goena Widjaja te Maihi 
een bende vereenigde om op kampong Riam af te gaan, de 
woonplaats van Sotoleksono die ons op den togt tegen Baleh 
had bijgestaan. 

Te Bandjermasin waren in de tweede helft der maand Maai't 
de 1* luitenant Bakker en de 1^ luitenant Cavaljé van Java 
aangekomen, ieder met een detachement suppletietroepen. 
Ook de majoor der infanterie Koch werd bij de expeditie ge- 
plaatst en hem het kommando der troepen te Martapoera opge- 
dragen. Twee kompagniën van het 13* bataillon kwamen bo- 
vendien (34 Maart) de expeditionaire magt versterken. 



Digitized by VjOOQIC 



HOOFDSTUK XVL 



AANVAL OP AMAWANG. — GEVECHT VAN TABEHIB. — TOGT NAAR 
ALLEI EN ONZE VESTIGING TE BARABEI-IE. — APRIL 1860. 

Toen de tijding van den aanval op Amawang te Bandjer 
kwam, liet Verspijck 60 bajonetten van Martapoera naar 
Moengoe Thayor oprukken om de bezetting af te lossen, 
die onder van Dam van Isselt onmiddellijk naar Amawang 
moest marcheren. In drie dagmarschen bereikte van Dam 
van Isselt de plaats zijner bestemming, waardoor de bezet- 
ting van Amawang op 200 man was gebragt. Door den 
buitengewonen hoogen waterstand en de onophoudelijke 
zware regens kon evenwel in de eerste dagen weinig ver- 
rigt worden. Een paar verkenningen naar den vijand kwa- 
men althans onverrigter zake terug. 

Deraang Lehman, Amin Oelah, Toewan Saïd en Antaloedin 
stonden vereenigd op 1 a 1^ uur van Amawang, te s. Koe- 
pang en Tabehie. ledere patrouille in die rigting uitgezon- 
den, werd door geweerschoten begroet. Van Dam van Isselt 
legde zich (18 April) aan de Kedawang-rivier met een handvol 
manschappen in een hinderlaag en joeg een vijandeltjke pa- 
trouille van 25 man met een moorddadig tweegelederenvuur 
uiteen. 

De chef der expeditie had bevolen, om den 22«" April met 



Digitized by VjOOQIC 



198 

100 man en één stuk geschut uit te rukken en zich in 
verbinding te stellen met den majoor Koch , die in AUei was 
gerukt. 

Vroeg in den morgen ging Schiff met de kolonne op marsch, 
hield den regteroever der Kendangan- en Koedoeng-rivier, en 
stootte spoedig op een vijandelijken voorpost, die hem met 
lillavuur ontving. Met een paar kartetsschoten zijn baan 
schoonvegende , vervolgde SchilT den marsch, doch werd op 
de flanken onophoudelijk bestookt. Tabehie naderende , kreeg 
van Dam van Isselt last, om op een geschikt punt de rivier 
over te gaan. Het hevig geweer- en lillavuur waarmede de 
voorhoede ontvangen werd , gaf Schiff de overtuiging dat de 
vijand aan de overzijde te Tabehie opgesteld, vrij talrijk 
was. Hij versterkte onmiddellijk de voorhoede, rukte daarna 
zelf met de geheele kolonne op , nam post en het , ook van 
achteren bedreigd, de ambulance opsluiten. Ongeveer een 
uur hield de vijand stand, en trotseerde in zijn bedekte 
stelling het tweegelederen- en kartetsvuur der onzen. Reeds 
was van Dam van Isselt doodelijk getroffen, — de dappere 
van Dam, die in de laatste maanden zooveel bewijzen van 
volharding had gegeven , — reeds was een kanonnier gesneuveld 
en telden wij bovendien nog vijf zwaar gewonden, toen 
er nog slechts twee kartetsen over waren. Ten einde dit 
voor den vijand te verbergen , liet Schiff met kogels door- 
vuren ; het toeval wilde dat het eerste kogelschot een groote 
uitwerking deed, want dadelijk verhief zich een gejammer 
en gekerm, zweeg het vuur van den overkant en trok de vij- 
and af naar S. Boeton. Schiff bleef nog il uur in zijne po- 
sitie en keerde toen naar Amawang terug; bij het geleden 
verlies en het gebrek aan artillerie-munitie achtte hij het 
ongeraden den togt voort te zetten. 

Op het vernemen van het gebeurde zond Verspijck (27 
April) een tweede versterking naar Amawang van 65 infante- 
risten en één Sponder onder kapitein Riesz, met last om 



Digitized by VjOOQIC 



199 

Lehman andermaal met kracht aan te tasten, en zich daarna 
in gemeenschap te stellen met de troepen in het landschap 
Allei. 

Hidayat, het hoofd des opstands, die even weinig geneigd- 
heid toonde om een werkzaam deel aan den oorlog te ne- 
men als zich openlijk tegen het gouvernement te verklaren, 
maar die zijne onderhoofden in den krijg zond en zelf na 
elke nederlaag dieper in het binnenland terugtrok; Hidayat, 
die van zijne betrekking als rijksbestierder vervallen en later 
een vijand van het gouvernement veAlaard was, hield zich 
thans in het landschap Allei op. Nu men berigtte dat een 
aanzienlijke magt zich te Barabei-ie vereenigde en men 
in staat was een kolonne van ± 300 man in het veld te 
zenden, draalde Verspijck geen oogenblik om den pange- 
rang op te zoeken en het tot hiertoe onbekende gewest ten 
onder te brengen. 

Aan den majoor Koch werd het bevel der expeditie opgedragen. 
Den 17«" April ging de navolgende magt te Bandjer scheep: 

Infanterie : 240 bajonetten van het 43^ bataillon met de 
kapiteins Bode en Rhode, 4^ luitenants Strengaerts en Bol, 
2« luitenants Hojel, en adjudanten dienstdoende officieren 
van der Horst, Goevoet en Regenwortel; — 40 man van het 
7' bataillon onder den 2^" luitenant van der Wijck , en 40 man 
onder kapitein Graas van het 9^ bataillon. 

Artillerie : 20 artilleristen met een houwitser van 45 duim, 
een 3ponder en een handmortier van 44^ duim, onder den 
1^« luitenant Borel. 

42 Sappeurs; de noodige ambulance met de officieren van 
gezondheid 2^ en 3^ klasse, Bernhard en Bakker, benevens 
440 kettinggangers. , 

De vaartuigen daarbij gebruikt, waren Z. M. stoomschip 
Suriname, een gewapende barkas en een sloep onder de 
luitenants ter zee Jeekel en Visser, de particuliere stoo- 



Digitized by VjOOQIC 



200 

mers Boni en Bennett, twee ijzeren laadpraauwen en een tju- 
nia met vivres. 

In den avond van 18 April Negara bereikende, berigtte 
kiay Mangon di Poera dat de soengej Ilir Pamangkee sedert 
eenigen tijd versperd was; uit angst (?) had hij de tijding 
niet naar Bandjer gerapporteerd. Kocb gelastte hem, om 42 
djoekongs en 100 koelies tegen betaling te leveren, die bij 
het opruimen der beletselen in de verschillende soengej's noo- 
dig waren. De Suriname waagde het (19 April) niet verder 
dan soengej Manta-as op te stevenen; de Boni ging door tot 
Moeara Sangier, en de Bennett maakte driemalen de reis , om 
achtereenvolgens de kleinere vaartuigen op te slepen. Men vond 
(den 20^°) de Ilir Pamangkee inderdaad versperd en ging 
dadelijk aan den arbeid om een doortogt té banen ; dien dag 
bragt men het z66ver, dat djoekongs, barkas en sloep door 
de opening konden. Koch met een bedekking van 8 man 
onder van der Wijck de rivier per sloep verder oproeijende, 
komt aan een tweede versperring, uit zware boomstammen 
vervaardigd , en zet daar tan der Wijck met zijne manschappen 
aan wal om den weg naar Pamangkee op te sporen. Deze 
ontdekt in de nabijheid den vijand, die een boschrand bezet 
heeft en eenige schoten met hem wisselt. 

Terwijl 's anderendaags (den 21 «°) aan de opruiming 
voortgewerkt werd, debarkeert Graas met de voorhoede, 
(sterk 50 bajonetten onder Hojel, een 3ponder onder Borel, 
en 10 sappeurs) aan een sawahveld en avanceert, opgehou- 
den door den Sponder^ langzaam tot aan een uitgestrekt 
djagonveld. De vijand is kwistig met zijn kruid, doch rigt 
de geweren te hoog, waardoor zijn vuur onschadelijk is. 
Nadat Borel gelegenheid heeft gehad een kaï'tetsschot telos- 
sen, jaagt de tirailleurlinie den vijand terug. Iets verder 
verzamelt deze zich in een pisangboschje en vuurt nu met 
lilla's en donderbussen. De tirailleurs, versterkt met 10 man 
onder Hojel, stormen met den looppas op dat boschje en ra- 



Digitized by VjOOQIC 



201 

ken handgemeen. De bajonetten moeten beslissen; het kost 
twee keursoldaten het leven, van 'svijands zijde valt o. a. 
hadji Sarodin. — Graas rapporteert dat de 3ponder niet 
verder kan volgen. Tot vervanging krijgt hij eën mortier, 
rukt nu door, en bereikt zonder veel tegenstand tegen 5 uur 
Pamangkee waar hij het bivak betrekt. 

Den volgenden morgen vroeg (den 22«") gaat Rhode 
met 75 man en twee ijzeren laadschcoiwen op marsch 
naar Pamangkee, en daar er nog een dam van 130 
voet lengte moest doorgeworsteld worden, daar de oevers 
onder water stonden en de moeijelijkheden ontelbaar waren, 
kwam hij slechts door inspanning van alle krachten aan. Toen 
de voornaamste versperringen opgeruimd waren , liet Koch de 
djoekongs met vivres volgen. Te 3 uur werd Hojel met 35 
bajonetten uitgezonden om den oever der rivier naar Walan- 
koe en Kassarangan te verkennen. Op een half uur afstand 
stoot hij op een zware bamboeversperring die door honderd 
man verdedigd werd. Onmiddellijk debarkeert Hojel met de 
zijnen op den linkeroever, valt den vijand stoutmoedig aan, 
drijft hem terug en vervolgt hem met zooveel drift, dat men 
andermaal handgemeen wordt. Hojel zelf kruist de sabel met 
den klewang van een hadji; hij heeft reeds een slag op zijn 
arm afgeweerd en den hadji een houw op het hoofd toege- 
bragt, maar struikelt tegelijkertijd. Reeds heeft de hadji den 
voet op Hojel's borst en wil hem aan zijn zwaard rijgen, 
toen de bajonetten van Latapoe en Boddie , twee brave keur- 
soldaten, den priester neêrstooten. 

Te 7 uur (den 23^°) was de voorhoede Graas opgerukt naar 
Kassarangan , Rhode met 35 man naar Djatoh op verkenning 
uitgezonden, en Koch zelf de rivier opgeroeid om den oever 
op te nemen, terwijl het biyak te Pamangkee zoo goed mo- 
gelijk versterkt werd. 

Na twee uren roeijens kwam Graas aan een punt waar 
de soengej zich in twee takken verdeelt. Aan den noordelijken 



Digitized by VjOOQIC 



202 

lag Walankoe midden in de moeras; daar die kampong bo- 
vendien verlaten was , werd de oostelijke tak gevolgd en aan 
den linkeroever gedebarkeerd. Spoedig vertoonde zich de 
vijand. Yan der Wijck trok op zijn regtervleugel, Hojel op 
den linker aan , zonder zich veel te storen aan het overigens 
onschadelijke geweervuur des vijands. Met zijn gewone on- 
stuimigheid wierp Hojel zich weer op de tegenpartij en ge- 
raakte ten derden male handgemeen; een zijner braven, de 
fuselier Batjo werd met een lans doorstoken, maar deerlijk 
gehavend deinsde de vijand af. Het peloton van van der 
Wijck geraakte ook slaags en was spoedig meester van het 
terrein, toen een onkwetsbare hadji, in de eene hand een 
kind, in de andere een koran houdende, zijn stoutheid met 
het leven geboet had. 

^oodra Koch vernam , dat Graas zonder verderen tegenstand 
te Kassarangan het bivak had betrokken, liet hij een voorraad 
vivres derwaarts voeren , gelastte Bode met de hoofdkolonne 
naar Pamangkee op te rukken, en zond de Boni naar Negara 
terug om twee ijzeren Sponders op cirkelalTuit van de Suri- 
name over te nemen. Daarna begaf hij zich naar Kassaran- 
gan , en vernam dat te Djerani en Pantey Hambawang verster- 
kingen opgerigt waren. Daar Djerani moeijelijk te naderen 
was , besloot hij eerst Pantey Hambawang te nemen , om later 
Djerani in den rug te kunnen vallen. 

Rhode werd (26) met 60 bajonetten en één mortierlangs 
den oever uitgezonden om een weg naar Pantey Hambawang 
te zoeken; Graas met 50 man in djoekongs ingescheept om 
de rivier op te nemen, de kampongs Tengal en Toeban te 
verkennen, en de gemeenschap met Rhode te onderhouden. 

Voorbij Toeban vond Graas een zware versperring ; hij hoort 
Rhode in actie met den vijand, oritscheept dadelijk en ver- 
eenigt zich met hem. Rhode is gestooten op den vijand, 
die achter twee onafgewerkte bentings, regts en links van 
de soengej Toemonggong die hier in de s. Laboean Mas 



Digitized by VjOOQIC 



203 

uitloopt, hem den overtogt over de soengej wil beletten; 
Hojel heeft echter dadelijk een zeer voordeelige stelling in- 
genomen, waaruil hij de verdedigers der bentings met vrucht 
beschiet. Na de vereeniging, neemt Graas het kommando 
der beide kolonnes op, en laat eenige granaten werpen. 

Een bende tracht de onzen om te trekken, maar wordt 
door Bol verjaagd. Nu krijgt Hojel vergunning om op de 
benting aan den regteroever af te gaan. De vijand hem 
ziende naderen, ontruimt de versterking. Hojel jaagt hem 
na, doorwaadt de rivier en valt met twee of drie man in 
den rug der tweede versterking (een lunette). De vijand ver- 
baasd over zooveel stoutheid , vlugt niet , maar zal die roeke- 
loozen neerleggen. Toen echter de rest van het peloton, 
die Hojel in zijn wilde vaart zoo spoedig niet kon volgen, 
ook komt aanstormen, verliest hij den moed, vuurt de ge- 
weren af en ontkomt over de borstwering. 

Na de verovering van Pantey Hambawang, dat door 75 
man bezet werd, was de standplaats der troepen op dien 
dag als volgt: 

te Kassarangan, de hoofdkolonne onder Koch; te Pamang- 
kee. Bode met 60 bajonetten; op de Boni, de achterwacht, 
sterk 30 bajonetten onder den 4^° luitenant Schwartz. 

's Anderen daags rukte Koch op naar Pantey Hambawang en 
liet van der Wijck, aan het been gewond, te Kassarangan 
achter, werwaarts Bode dien dag zou marcheren, als Schwartz 
Ie Pamangkee zou zijn aangekomen. 

Zware inspanning kostte het om overland Pantey Hamba- 
wang te bereiken; nu eens moest het geschut door sawah- 
velden getrokken worden, waarin men tot aan den buik door 
het water baggerde , dan weder moest men een weg door hoog 
kreupelhout kappen. De sappeurs en kettinggangers, die de ver- 
sperring in de rivier opruimden, werden om 2 uur aange- 
vallen, doch de bedekking sloeg dien aanval onmiddellijk af. 
Een half uur later beschoot de vijand het bivak te Pantey 



Digitized by VjOOQiC 



204 

Hambawang doch werd even spoedig door een tirailleurlinie 
verdreven. Bij aankomst te Pantey Hambawang gelastte 
Koch klappahout te vellen om tot palissaden te dienen voor 
een op te rigten redoute van 13,50 el face; een baraboevlot 
stelde de gemeenschap daar met den anderen oever, waar 
de vijandelijke flèche werd geslecht. 

Gedurende de twee volgende dagen (27 en 28) rees het water 
zoo snel, dat men moeite had de vivres en munitie op drooge 
plaatsen te brengen. Bode kreeg last naar Pantey Hamba- 
wang op te komen. In een uitgehoolden boomstam, met 
slechts twee inlandsche soldaten tot bedekking, vaart hij 
zes uren achtereen langs de brandende kampongs, doch komt 
gelukkig tegen 10 uur 's avonds op de plaats zijner bestem- 
ming. Van der Wijck die met 30 bajonetten te Kassarangan 
stond, kreeg order hem te volgen zoodra alle vivres voor 
de kolonne in den op te rigten post aangevoerd waren. 

De arbeid aan de redoute werd inmiddels met kracht voort- 
gezet en toen een kettingganger, die na zijn ontvlugting in 
dienst van Hidayat was geweest, het berigt bragt dat Leh- 
man zich te Doerian Gantang bevond met 4000 man waarvan 
60 met geweren gewapend, besloot Koch hem den volgenden 
dag op te zoeken. Bode kreeg het kommando over de bezet- 
ting der redoute, zamengesteld uit 90 bajonetten (luit. Stren- 
gaerts en Goevoet), 5 sappeurs, 6 artilleristen, één ijzeren 
Sponder op cirkelalTuit en één houwitser, de officier van 
gezondheid Bakker , en 20 kettinggangers. Terwijl de ko- 
lonne zich op den togt voorbereidde, werd een patrouille 
van 50 man en één mortier onder Bode en Strengaerts uit- 
gezonden om den weg naar Barabei-ie te zoeken. 

Het gelukte evenwel die patrouille niet , dien weg te vin- 
den; wel raakte zij bij Benoea Kapayang slaags, deed een 
hadji in het stof bijten, rukte voort tot Batang Bankalang, 
en kwam zonder verlies 's avonds te 7[ uur terug. 

In den morgen van 30 April meldden zich drie met ge- 



Digitized by VjOOQIC 



205 

weren gewapende overloopers aan. Het bleken vroegere kelling- 
gangers te zijn die Lehman verlaten hadden, toen hij den 
vorigen nacht naar Barabei-ie retireerde. De weg naar Barabei-ie 
liep eerst langs de rivier, en daarna door modderige rijst- 
velden; kleine soengej's met steile oevers, en diepe ravijnen 
moesten met onbeschrijfelijk veel moeite en krachtsinspan- 
ning worden doorgetrokken. Tegen 12 uur kwam de kolonne 
Koch nabij Patjoekoe-an. Het kampongshoofd meldde zich 
aan als vriend, en toen hij vernam dat niemand leed zou 
wedervaren, kwamen weldra de bewoners uit de wildernis 
te voorschijn en boden den soldaten alles aan wat zij be- 
zaten. Even als men in den voormiddag slechts nu en dan 
een schot hoorde dat op de voorhoede Graas werd gelost, 
ging het ook later; zonder tegenstand werd tegen 4 uur 
Barabei-ie bereikt. De voorste huizen werden naauwkeurig 
onderzocht, doch de plaats droeg alle blijken van kort te 
voren in groote haast te zijn verlaten; in het zoogenaamd 
sulthanshuis stond de gekookte rijst op de bali-bali; Hi- 
dayat zelf had het dien morgen verlaten en was met vrou- 
wen en gevolg naar Aioewan geweken, terwijl Lehman 
slechts een half uur geleden in diezelfde rigting was afge- 
trokken. De plaats voor het bivak werd bepaald en eenige 
posten uitgezet, toen er weder geweerschoten knalden en 
Graas een schampschot in den linkerschouder ontving. De 
weinigen die zoo heldhaftig waren, om op grooten afstand 
hunne vuurwapens af te schieten , kozen nu ook het hazen- 
pad. Zoo viel de hoofdplaats van het afgelegen landschap 
Allei, sedert maanden de zetel van Hidayat, bijna zonder 
slag of stoot in onze handen. 

Was de togt naar het geheel onbekende Allei een ge- 
waagde onderneming, waren de vermoeijenissen en zor- 
gen groot geweest, de uitslag mogt schitterend genoemd 
worden. Het verlies van Barabei-ie was voor Hidayat onbere- 
kenbaar. Daar had hij als sulthan geleefd, en zich veilig 



Digitized by VjOOQiC 



206 

gewaand achter de honderde soengej's en moerassen. Maar nu 
de troepen in den regentijd tot in het hart der binnenlanden 
doordrongen, waar moest hij thans zijn schreden rigten? 

Het Hoofd van Patjoekoe-an verzekerde den majoor 
Koch, dat de bevolking van Allei slechts uit angst den pan- 
gerang gehuldigd en van al het noodige voorzien had; 
dat de mees ten uit dwang de wapens hadden opgevat, maar 
inderdaad gelukkig waren door de komst der troepen van 
dat juk ontslagen te zijn. Koch hield zich alsof hij daaraan 
geloofde en droeg hem op om zorg te dragen dat alle Hoofden 
tegen den 5®" Mei te Barabei-ie kwamen om bevelen te vragen. 

Den volgenden morgen (4 Mei) ging van der Wijck met 
35 bajonetten en een ploeg kettinggangers per djoekong 
op Djerani af; hij vond er een sterke stelling: aan beide 
oevers borstweringen van drie dubbele rijen klappaboomen , 
voorzien met schietgaten en flanken die tot aan de rivier 
reikten, waarvoor een breede gracht was met randjoe's geplant ; 
de rivier zelve had men met bamboe-doeri afgesloten. Daar de 
vijand ontvloden was en de bevolking zich vriendschappelijk 
betoonde, kostten het slechten der bentingsende opruiming 
der versperring weinig moeite. 

Van daar (2 Mei) naar .Pamangkee roeijende, vond men 
hier en daar nog beletselen aangebragt; doch ook dezen 
werden zonder tegenkanting opgeruimd; zoodat de ijzeren 
Sponder van Pamangkee afgehaald en nog dienzelfden dag Ba- 
rabei-ie bereikt werd. 

Intusschen hield men zich daar onledig met het terrein 
rondom het bivak open te kappen en een redoute van 16r 
el face met twee cirkelbastions te traceren, terwijl Graas 
en Hojel met 70 bajonetten en 4 mortier uitrukten in de 
rigting van Lampehon, met het doel met Amoenthay in ge- 
meenschap te komen. Deze kolonne trok door 'een viertal 
kampongs, waarvan de bewoners haar als vriend ontvingen; 
door den hoogen waterstand was men verpligt te Djara- 



'Digitized byVjOOQ IC 



207 

boe Allei aan de Batang AUei te bivakkeren. Daar het land 
in den omtrek den volgenden dag (4 Mei) nog overstroomd 
bleef, werd er naar Barabei-ie teruggemarcheerd. 

Het Hoofd van Djerani kwam zijne onderwerping aanbieden; 
hij gaf voor dat de bevolking gedwongen was geweest Hi- 
dayat te gehoorzamen en die versterking te bouwen; daarom 
vroeg hij vergiffenis. Verschillende Hoofden der omliggende 
kampongs volgden zijn voorbeeld. 

Den 14^" werden Schwartz 45. man toegezonden tot ver- 
vanging zijner zieke soldaten; ook te Barabei-ie nam het aantal 
zieken toe. Van der Wijck verkende het terrein tot Kahakan , 
en ontdekte dat bij Aioewan de soengej zelfs voor djoekong's 
niet meer bevaarbaar was. 

Op weinige uitzonderingen na kwamen de kampongshoofden, 
hadji's en mantri's uit het district op den bepaalden dag 
Ie Barabei-ie hunne onderwerping aanbieden. Koch hield hun 
hunne verpligtingen voor oogen; wilden zij die vervullen, 
en hunne goede voornemens bezweren met een eed van trouw 
aan het Nederlandsche gouvernement, dan nam hij — maar 
alleen onder die voorwaarde — hunne onderwerping aan 
en schonk hun vergiffenis. Allen herhaalden dat zij bereid 
waren de belangen van het gouvernement te behartigen; daarna 
legden zij in handen van de voornaamste hadji's den eed af. 
Vervolgens stelde Koch den Hoofden voor, om de kampongbewo- 
ners langzamerhand te gewennen hunne koopwaren te Barabei-ie 
ter markt te brengen; hij stond er voor in dat alles behoor- 
lijk betaald zou worden. Kiay Mangon di Poera en de 
djaksa van Negara waren bij deze vergadering tegenwoordig 
en vroegen om vergiffenis voor de kampongs Pamangkee, 
Walankoe en Kassarangan. Ook dit verzoek werd toegestaan, 
onder bepaling, dat de bewoners dadelijk zouden terugkeeren 
en de verbrande huiaen weer opbouwen. Pantey Hambawang 
was volgens bewering van den djaksa , weder bewoond en de 
soengej Toemonggong geheel opengemaakt. 



Digitized by VjOOQiC 



208 

Eichelbergs verkenning, (zie pag. 193) die zich een dag- 
marsch oostwaarts van Kaloewa uitstrekte, ging zonder ont- 
moetingen met den vijand gepaard. Op een togt (4 April) 
langs de Batang Balangan tot Lampehon, tastte hij Djalil's 
bende aan en sloeg haar spoedig op de vlugt. Niet vervolgd 
wordende, vertoonde Djalil zich weldra weer in Tanah Abang, 
in de nabijheid van Amoenthay, en dwong de bevolking zijne 
partij te kiezen. Eenige dagen verkeerde men te Amoenthay 
in een zorgvoUen toestand, en maakte de bevolking zich 
gereed om in de wildernis een goed heenkomen te zoeken, 
indien Djalil werkelijk daar kwam. Warga Kesoema, zoon 
van Danoe Redjo, meldde dat hij in de benting te Kaloewa een 
aanval had afgeslagen; dat de bevolking geneigd was 's vijands 
zijde te kiezen en dat hij zelfs zijn broeder tommonggong 
Djaja Negara en zijn oom Ngabie Mangon Joeda wantrouwde. 
Daar de kiay Adipati zich juist te Bandjer bevond, beval 
Verspijck hem onmiddellijk naar Amoenthay terug te keeren 
en zond bovendien (den 26^°) de Bennett met 40 man ver- 
sterking onder den 1«° luitenant de Jongh derwaarts, opdat 
de omtrek van Amoenthay gezuiverd kon worden. Verder was 
Koch opgedragen om, eens meester van Barabei-ie, zich met 
Eichelberg in verbinding te stellen. 

Op een paar verkenningen in den omtrek van Pengaron 
gemaakt, gelukte het luitenant Eypen een in het woud 
verborgen voorraad van levensmiddelen te verbranden. Naar 
aanleiding van de tijding dat demang Lehman een gewapende 
bende naar dit gewest had afgezonden om het volk tot op- 
stand te dwingen, en op verzoek der goedgezinde bevol- 
king ora bescherming, vertrok (den 24 «°) Benschop met een ko- 
lonne van 75 man en een houwitser naar Baleh om er een 
kleinen post van 60 man op te rigten. — Te Pengaron nam 
het aantal zieken zeer toe. 



Digitized by VjOOQIC 




Digitized by VjOOQiC 



vxta flijw VORC 



■Digitized by VjÖOQIC 



209 

In den toestand van Tanah Laut kwam weinig verandering ; 
doch de krachtige maatregelen tot onderdrukking van dien 
opstand genomen, de ijver en volharding door de troepen 
aan den dag gelegd, beloofden eerlang een goed einde. Ver- 
spijck zond 70 man versterking naar Pleiharie om den guerilla- 
oorlog met kracht te kunnen voortzetten ; hij versterkte Plei- 
harie met een kruisboot en stationeerde twee anSere booten 
aan het zuiderstrand om den invoer van wapens te beletten. 
In geen gewest was de vijand zoo ruim van vuurwapens 
voorzien als in Tanah Laut ; ze werden verschaft door de nabu- 
rige leenroerige rijkjes Pagattan en Sembamban. Daarom zond 
Verspijck de Bali langs de oostkust , om overal tot aan Passir 
bekend te maken , dat het verstrekken van buskruid , wape- 
nen en lood aan den vijand als een vijandige daad zou be- 
schouwd worden. De Bah bragt van de reede van Pagattan een 
vaartuig op, dat 442 geweren en eenige lilla's geladen had. 

Door ziekte van Magnin werd luitenant Prinsen naar Plei- 
harie gezonden en kapitein Ravesteijn met het kommando 
dier landstreek belast. 

Rusteloos werd de vijand opgespoord, bijna dagelijks werden 
patrouilles uitgezonden, wanneer eenig berigt van het aanwezen 
des vijands inkwam. Van Straten had eenmaal het geluk e§n 
vijandelijken wachtpost tot op 40 pas te naderen en verschei- 
dene opstandelingen neer te schieten; een andermaal (4 April) 
maakte hij zes gevangenen ; den 7en zou hij den vijand te Liang 
Salang overvallen hebben, maar een kind belette het hem door 
aan een tali te trekken, dat in den kampong alarm maakte. Even- 
wel maakte hij zich daar toch nog van een groote hoeveelheid 
rijst en van 14 kebo's meester. Schippers marcheerde (den 9*^") 
vruchteloos naar Kalambayan en in den nacht van den 40*^" naar 
Tambaga ; Prinsen toog met 80 bajonetten en 50 Chinezen naar 
Tantangan; Perné was een geheelen dag met den vijandin aanra- 
king, en kreeg vijf gewonden, toen hij (den 42«") met 76 man 
naar Sebohor oprukte en die plaats verbrandde ; den48«°werd 

44 



Digitized by VjOOQIC 



de vijand door 50 man van Boeloe Lombok verdreven, en 
loen het gerucht dal de vijand op den 23^° zich had verzameld 
en Pieiharie aanvallen zou, niet bevestigd werd, ging Rave- 
sleijn met een kolonne op marsch, om te Sebohor een post op 
te rigten , terwijl kapitein Boudier van Martapoera hem zoo lang 
te Pieiharie verving. Immers alleen door in de brandpunten van 
den opstand zich te vestigen , door met den vijand in beweeg- 
baarheid te wedijveren, door hem zijne middelen van bestaan 
te ontnemen en hem zoo doende uit te putten, kon hij ten onder 
gebragt worden. Het natte jaargetijde, waardoor zoo. menige 
marsch belet werd, spoedde ten einde, en reeds van eenige dis- 
trikten was de bevolking den krijg moede en haakte zij naar rust. 

Tot een tweeledig doel zond Verspijck in het begin van 
April de Kingsbergen en Boni de Barito op, 1 ^. omdat het be- 
stuur van het landschap Doesoen Ilir geregeld en 2o. omdat, 
wanneer de waterstand het toeliet, Soerapati's gebied ander- 
maal en krachtiger getuchtigd moest worden. Van het oogen- 
blik dat kampong Riong d. i. Boven-Doesoen bereikt was, 
zou de kommandant van het stoomschip, van Gennep, het kom- 
mando der expeditie voeren. 

Den 2^»^ April verliet de Kingsbergen de hoofdplaats, met de 
gewapende barkas onder Jeekel op sleeptouw. Aan boord van 
den stoomer bevonden zich kapitein Beeckman , militair en ci- 
viel gezaghebber van Bekompay en Doesoen, 2^ luitenant 
van der Wijck, 60 man infanterie, 4 inlandsche duikers en 
kiay demang Wangsa Negara met gevolg. De Kingsbergen 
ankerde (den 4^") voor kampong Batang , waar verscheidene 
Hoofden zich kwamen aanmelden, en stoomde daarna door 
naar Latok Manok , waar Beeckman 's anderendaags een con- 
ferentie aan wal hield. Bij kampong Baroe bouwden de be- 
woners hunne woningen weer op; ook hier werd eenige 
oogenblikken gestopt; insgelijks op drie andere plaatsen. Te 
Talian Oesang ging Beeckman aan wal om verscheidene Hoof- 



.....y 



211 

den te installeren, en den loerah Bangsa van Melioumedete 
nemen ; te P. Bayor werd de bevaarbaarheid der soengej onder- 
zocht, en kampong Tahdjong Djawa bijna verlaten gevonden. 
Hier werd gedebarkeerd ; men vond er randjoe's geplant en zes 
Dayaks, die de wapens dadelijk neerlegden ; toen de Boni daar 
later passeerde, vielen er evenwel een paar geweerschoten. Van 
Gennep besloot daarop dadelijk terug te keeren, liet Beeckman 
met 40 bajonetten ontschepen en geen mensch vindende , den 
kampong verbranden. Van der Wijck ging met 30 bajonetten op 
de Boni over. Te Matjoenkow werd (den 9«°) gedebarkeerd ; de 
kampong was voor een gedeelte verbrand , volgens zeggen van 
den loerah door de rauitelingen ; toch waren de inwoners onzigt- 
baar. 's Avonds ankerde men te Troessan, na eenige geweerscho- 
ten gelost te hebben op elk gesloten huis, dat men voorbijvoer. 
Den 10" werd Lontontoeör gepasseerd ; het water was hoog, 
de stroom zoo sterk dat zelfs van het zoeken naar de Onrust 
door middel van loodsen werd afgezien. De meerdere koking 
van het water op de plaats door den loerah aangewezen, 
was echter duidelijk zigtbaar. Men ankerde voor de s. Te- 
weh , stoomde den volgenden dag voorbij de vernielde ben- 
ting Lahey, doch zag niets dan een praauw die dadelijk 
verdween. Daar de officier belast met de leiding der ma- 
ritime middelen bepaald had dat de stoomschepen den 15" 
Ie Bandjer terug moesten zijn, was van Gennep verpligt 
terug te keeren zonder iets te hebben verrigt. Door het be- 
palen van een termijn werd zelfs het hoofddoel van den togt, 
tuchtiging van het volk dat de Onrust afliep, niet bereikt, de 
geheele togt nutteloos , ja schadelijk gemaakt. Volgens bewe- 
ring der gidsen hadden de meeste vijandige Hoofden, ook Soe- 
rapati en Antassari, hunne woningen langs de Teweh. Met de 
Kingsbergen tot reserve had de Boni met de gewapende barkas 
de soengej kunnen opstoomen, en zonder veel te wagen dood 
en verderf op den oever kunnen aanbrengen. Nu moest van 
Gennep evenwel den steven wenden, den verraderlijken Soera- 



Digitized by VjOOQIC 



812 

pali ongemoeid lalèn, en onverrigter zake lenig sloomen langs 
de heillooze plek waar de laatste noodkreten van zoo vele 
braven weergalmd hadden. 

Aangezet door zendelingen van Antassari , Weefde bevolking 
aan de Kapoeas in gisting. Er liepen weder geruchten van plan- 
nen om de kruisboot aan de monding der Kapoeas en Poeloe Pe- 
tak aan te vallen. Verspijck gelastte nu, een stoomboot derwaarts 
te zenden; de l*' luitenant der genie Caspersz zou daarmede 
vertrekken, om de versterking van Poeloe Petak op den hoek 
der Kapoeas (linkeroever) over te brengen. De kommandant der 
Bali tot dat einde de Kapoeas opstoomende, kon echter door 
den lagen waterstand Towana niet bereiken , maar verbrandde 
een kampong , opgerigt door de vereenigde bewoners van 
het vroegere Poeloe Teloe. Hij doorzocht daarna de Kleine 
Dayak, de Troessan en Kwalla Lopek , zonder vijand te zien. 

Verspijck zond aan de bevolking der Kapoeas een proclamatie, 
waarbij hij haar met een rustelooze vervolging bedreigde, 
indien er geen einde aan de vijandelijkheden kwam; doch 
daarentegen vergiffenis beloofde, wanneer men zich voortaan 
vreedzaam gedroeg. 

Binnen den rayon der versterkingen was de bevolking overa^ 
gehoorzaam ; op vele plaatsen werden de wegen aanmerkelijk 
verbeterd en legden de Hoofden reeds zekeren ijver aan den 
dag. Sommigen begrepen nu al, dat het sulthansbestuur nimmer 
zou hersteld worden. Hield de regen op met het aanstaande 
drooge jaargetijde , dan verloor de vijand veel van de voor- 
deden van het terrein en was het te voorzien , dat de troe- 
pen hem uit zijn meest verborgen schuilhoeken zouden verja- 
gen. Daarentegen schenen na het einde der poeassa vele meer 
verwijderde kampongsbewoners zich aan den krijg te wijden, 
daar de sterkte der vijandelijke benden op de meeste plaat- 
sen veel hooger dan vroeger werd opgegeven. 



Digitized by VjOOQIC 



HOOFDSTUK XVII. 



SERGEANT KAMIDIN. — MARSCH NAAR LAMPEHON. — TOaT NAAR 

TABALONQ. — OPRiaTINa VAN EEN POST TE BALEH. — MAR- 

SCHBN EN GEVECHTEN IN TANAH LAÜT. — TOMMONa- 

GONG TOENDAN. — OPRIGTING VAN EEN POST AAN 

DB KAHAYAN. 

De kolonne Riesz per Kingsbergen tol Moearia Tabirouw ver- 
voerd (zie pag. 198), was den 29^" April te Amawang aange- 
komen. Even als dit vroeger had plaats gehad, werd het 
opzenden der vivres met djoekongs aan de bevolking der 
goedgezinde kampongsKloempang en Belimouw overgelaten. Het 
eerste konvooi geraakte echter door het verraad van een 
karapongshoofd in handen van den vijand; en toen Schiff 
(den 30«") 's morgens de djoekongs met vivres niet zag opda- 
gen, zond hij Coenen met 35 bajonetten langs de soengej 
Kendangan naar Simpor. Maar ook daar was niets aange- 
komen; over soengej Paring lerugkeerende, geraakte Coenen 
in een klein gevecht , waarbij hij twee gewonden kreeg. 
Toen de vijand verdreven was, vond hij een groot gedeelte 
van het konvooi in den kampong , en zond hiervan rapport 
naar Amawang. Een versterking van 65 man met een 3pon- 



Digitized by VjOOQIC 



214 

'der en de beschikbare koelies onder den i^^ luitenant Boers 
rukte onmiddellijk uit , kwam op haar beurt in gevecht met 
den vijand, die van lilla's voorzien aanvankelijk stand hield, 
maar evenwel spoedig op de vlugt sloeg , zoodat de vivres be- 
houden in de versterking aankwamen. 

Het tweede konvooi 20 djoekongs sterk, waarbij een bedui- 
dende hoeveelheid munitie was , had intusschen de Kingsber- 
gen verlaten, onder dekking van den inlandschen sergeant 
Kamidin met 5 inlandsche fuseliers van het iSebataillon infan- 
terie, en nabij soengje Oelin op een versperring gestooten. 
Kamidin liet dadelijk- aan de opruiming daarvan beginnen, maar 
de vijand , die aan beide oevers kwam opdagen en al meer en 
meer opdrong naar mate hij talrijker werd, maakte 't hem 
moeijelijk. Door eenige goedgerigte schoten houdt hij hem 
aanvankelijk op een afstand; hij gelast de opvarenden al het 
mogelijke te doen om slechts zoo veel op te ruimen, dat 
de djoekongs er een voor een door kunnen. Maar de opva- 
renden zijn vreesachtige kahipongsbewoners en denken alleen 
aan zellbehoud. Toen er schoten van den oever vielen, 
wilden zij door zwemmen het gevaar ontwijken. Kamidin 
bedreigt den eersten die zich verroert, met den dood. Het 
konvooi te Amawang brengen , kan hij in deze omstandighe- 
den niet; maar hij kan een poging doen om het te behouden. 
De Kingsbergen ligt vier uren achter hem ; daarop zal hij te- 
rugtrekken. Zijn bedaardheid, zijne duidelijke bevelen geven 
vertrouwen aan de opvarenden , doen den moed zijner fuse- 
liers ten top stijgen. 5)Geen schot lossen, zonder zeker te 
zijn van een man neer te leggen," zoo luidt zijn order, 
en geen schot werd er ook gelost of het trof doel. De 
overmagtige vijand, zich zijner lafheid schamende, drong wel 
telkens weer op, maar week ook telkens weer terug als Ka- 
midin naar den oever roeide en den voorsten man neerschoot. 
Ja, meermalen liet hij, waar het terrein het veroorloof- 
de, een paar fuseliers langs den oever gaan om het kon- 



Digitized by VjOOQIC 



215 

vooi te dekken. Gedurende ruim twee uren werd op die wijze 
geretireerd, toen de vijand eindelijk afliet. Ieder man had 
bijna 40 patronen verschoten, ieder man had zijn pligt ge- 
daan, en ongeschonden kwam het konvooi bij de Kings- 
bergen terug. , 

Riesz, die inmiddels het kommando van Amawang had over- 
genomen, was (i Mei) met 80 bajonetten onder Munters, 
een veldstuk en de beschikbare ketlinggangers uitgerukt, om 
het tweede konvooi te gemoet te gaan en Soengej Paring te 
straffen. Zonder moeite bereikt hij Simpor, wacht daar te 
vergeefs op Kamidin, en keert onverrigter zake terug; on- 
derweg zendt de vijand hem nu en dan een paar schoten 
na, en begroet hem op een half uur afslands van Amawang 
met een levendig doch onschadelijk lilla- • en geweervuur , 
dat hij evenwel spoedig tot zwijgen bragt. 

In de versterking aangekomen (6« uur 's avonds) laat hij 
dadelijk een tweede verkenning doen onder de dienstdoende offi- 
cieren Coenen en de Reussy en het konvooi te gemoet gaan. 

Deze patrouille ontdekt eindelijk de versperring en begrijpt 
nu waarom de djoekongs niet zijn aangekomen. De rivier 
was onderwijl zóó hoog gestegen, dat de soldaten reeds tot 
aan de heupen in 't water stonden ; onmogelijk langer 
kunnende stand houden, keerde de patrouille tegen midder- 
nacht naar Amawang terug. Gedurende den opmarsch had 
de vijand hier en daar randjoe's op het pad geplant, waar- 
door nog één man werd verwond. 

De derde verkenning onder Boers, in den morgen van den 
2«n Mei uitgezonden, slaagde evenmin; doch den 3*^, toen 
van Gennep tijding had ontvangen dat het konvooi onder geleide 
van een gewapende sloep (van den Burgh) andermaal zou op- 
gezonden worden, werd het eindelijk veilig overgenomen door 
de kolonne, door Riesz tot dat einde derwaarts gestuurd. 

Lang had de nieuwe kommandant dus niet behoeven te 
wachten om de moeijelijkheden aan zijne betrekking verbonden 



Digitized by VjOOQIC 



216 

I te ondervinden. Door al die marschen was het aantal zieken 
zoo toegenomen, dat er handen ontbraken om hen naar Simpor 
te vervoeren, van waar de sloepen van de Kingsbergen ze 
konden afhalen. Amawang was een half hospitaal, en werd 
bovendien 's nachts nog dikwijls door den vijand verontrust. 

Spoedig had de bezetting zich echter van de uitputting her- 
steld en was zij in staat een togt te doen naar Tabehie, de plaats 
waar van Dam van Isselt sneuvelde, en de vijand zich weder 
versterkt had. Gedachtig aan de wenken door den chef 
der expeditie gegeven, om namelijk den vijand met een 
kleine magt in het front bezig te houden en hem met de 
hoofdmagt, de soengej Kendangan en Amandit omtrekkende, 
in de regterflank te vallen, nam Riesz (7 Mei) de volgende 
maatregelen. 

's Nachts om i uur laat hij sergeant Vermeulen met 42 ba- 
jonetten op een djoekong de soengej Kendangan in alle stilte 
opvaren, en gaat op hetzelfde uur aan het hoofd van 130 
bajonetten en 1 houwitser langs den oever naar Kendan- 
gan. Daar wordt Goenen met 30 man aan den regteroever 
gezet, met last de rivier tot aan soengej Koedoeng te vol- 
gen en daar positie te nemen tot dat Riesz bij Moeara Banta 
de rivier overgegaan is. Terwijl de hoofdmagt den reg- 
teroever der s. Koedoeng houdt, marcheert Goenen verder 
langs den linker. 

Ten 6^ uur bevindt men zich ter bestemder plaats ; Goenen 
had eenige vijanden verdreven en één gevangene gemaakt. In de 
rigling van Moeara Banta voortrukkende , wordt de kolonne 
met een hevig vuur ontvangen, en terwijl dat vuur met een paar 
kartetsschoten wordt beantwoord, gelukt het Vermeulen een 
tali (touw) over de rivier te spannen en de djoekong naar 
den overkant te zenden. Munters versterkt met de voor- 
hoede (30 bajonetten), ontscheept de manschappen , verdrijft 
den vijand en neemt een hadji gevangen. Van tijd tot tijd 
door verborgen vijanden beschoten, marcheert men langs beide 



Digitized by VjOOQIC 



217 

oevers voort lot op 1200 pas van Tabehie. 's Vijands ver- 
sterking, uit zware boomstammen zamengesteld en voorzien 
van wolfskuilen, wordt nu zigtbaar ; een paar granaten daarin 
geworpen zijn genoeg om de verdedigers te verjagen. De 
kolonne slecht de open benting, verbrandt de huizen op 
den regteroever, ook de woning van demang Lehman, volgt 
de soengej Bakarang om te zien of ook daar nog verster- 
kingen zijn aangelegd, maar niets vindende keert zij na 12 
uur te hebben gemarcheerd , over s. Kiddeman naar Ama- 
wang terug. 

Na de nederlaag te Tabehie geleden, bleef de vijand zich 
achter de s. Koedoeng en langs de Antinang en Amandit 
ophouden. VerspLjck had gelast hem dag en nacht bezig te 
houden met kleine patrouilles. In den aanvang kon geen pa- 
trouille uitrukken zonder beschoten te worden door onzigtbare 
vijanden. Aan den 1«° luitenant van Emde gelukte het (19 
Mei) met 90 bajonetten, door een nachtmarsch den vijand te 
Doerian Rebong te overvallen, en hem een goede les te geven. 
Boers, die hem tv^ee dagen later te S. Raya en den 27*^° langs 
de s. Koedoeng hoopte te overrompelen, vond echter niets, en 
de 1® luitenant Smagge die den 23®" naar de zijde van Han- 
kakety ging, was niet gelukkiger, 't Gebeurde meermalen dal 
de kampongsbewoners onze hulp inriepen. Tot zelfverdediging 
ontbrak hun de moed ; liever braken zij hunne woningen 
af en zochten een schuilplaats in de wildernis. 

Toen de versterking te Barabei-ie genoegzaam voltooid was 
(zie pag. 207), ging Koch met 100 man, een 3ponder en 
een mortier den 7«° Mei onder een hevigen slagregen op marsch 
naar Lampehon, en bivakkeerde te Telang. Den 8®° vervolgde 
hij door kreupelhout en alang-alang valden zijn weg en over- 
nachtte te Mantimin. Vroeg in den ochtend van den 9^ 
trachtte de vijand, die zich tol nu toe had verscholen, het 
bivak te overrompelen; eenige muitelingen wierpen zich met 



Digitized -by VjOOQ IC 



218 

lansen op onze gelederen, hetgeen een fuselier en een ket- 
tingganger het leven kostte. Ofschoon men diendag vele verhak- 
kingen vond, vertoonde zich echter geen vijand en werd Lampe- 
hon zonder gevecht bereikt. De vereeniging met Eichelberg, op 
last van Koch, die op denzelfden dag met 80 bajonetten en met 
den kiay Adipati met 200 gewapenden derwaarts was gemar- 
cheerd , had nu plaats. Koch liet de Hoofden van Lampehon 
voor zich verschijnen , vernam dat Djalil naar Tabalong ge- 
retireerd was, gelastte hun een bamboe vlotbrug te doen 
aanmaken voor de gemeenschap der beide oevers van de 
Batang Balangan — hier 400 voet breed — en den wegnaar 
Mantimin op een breedte van twee ellen te brengen. 

De bevolking van Allei hield zich overigens rustig; zij zelve had 
nu en dan van vijandelijke siroopbenden te lijden, ofschoon 
er dagelijks van Barabei-ie patrouilles uitgingen om het land 
te doorkruisen. De bewoners van kampong Pamangka ver- 
joegen zelven den vijand die hen tot afval van het Gouvernement 
wilde dwingen ; zegevierend bragten zij het hoofd van een der 
door hen verslagenen naar de versterking. Vier soldalen 
die, tegen het consigne, de s. Pantey Hambawang overgin- 
gen, werden vermist. Het lijk van een hunner werd gevon- 
den in een kampong, waarin men nog de sporen eener 
bloedige worsteling aantrof; die kampong werd verbrand. 

Toen Amóenthay een versterking onder de Jongh ontvan- 
gen had, beproefde Eichelberg ingevolge bekomen bevelen 
zich met Koch in verbinding te stellen. Op 1 Mei rukte hij 
met 400 bajonetten en een veldstuk uit in de rigting van 
Lampehon*; de Jongh voerde de voorhoede aan en de d.d. 
officier Middendorp de achterhoede. 

Na een marsch van i\ uur liep de weg in sawahs uil; 
Eichelberg begreep dat de gidsen, bevreesd voor den vijand, 
hem van den goeden weg albragten ; eerst nadat hij den tom- 
monggong Mangon Joeda daarover onderhouden had, werd 



Digitized by VjOOQIC 



219 

een bosch aangewezen en daarop afgegaan. Eensklaps opende 
de vijand , die zich in den boschrand en achter een versperring 
in hinderlaag had gelegd , een levendig vuur; hierdoor kreeg 
de voorwacht twee gewonden. Terwijl de hoofdtroep car- 
ré formeerde en het stuk riglte op den vijand, die den 
boschrand begon te verlaten om met de blanke wapens de 
kolonne aan te tasten, liet de Jongh tirailleurs uitzwermen; 
daarna verzocht hij de bajonet te mogen gebruiken , en nadat 
Eichelberg hem met een sectie versterkt had , werd de storm 
geblazen. Fluks week de vijand weer in het bosch terug, waar 
hij de voorwacht met een moordend salvo ontving. Twee man- 
schappen vielen en ook de brave de Jongh. Door twee kogels 
doodelijk getroffen, stortte hij voor de versperring neer. Dit was 
oorzaak dat men den boschrand niet nam, maar terugtrok 
op het carré waar de gekwetsten verbonden werden ; de vij- 
and, nu weder opdringende, werd eerst met kartetsvuur in 
bedwang gehouden en daarna met de bajonet teruggedre- 
ven. De inlandsche Hoofden die de kolonne vergezelden en 
met geweren gewapend waren, hadden zich gedurende het 
gevecht werkeloos gehouden en op de vraag Dwaarom zij 
toeschouwers bleven" geantwoord, ï>dat zij bang waren!" 

Al vechtende, bereikte men langs een smal padTanaha- 
bang. Hier stuitte men op de ondoorwaadbare soengej Batang 
Balangan en daar de troepen uitgeput waren van vermoeije- 
nis en er gebrek was aan transportmiddelen, moest de ver- 
volging gestaakt , de verbinding met de kolonne vooreerst 
opgegeven en de terugtogt aangenomen worden. 

Op den 2*^*^ Mei trokken tommonggong Djaja Negara en 
Ngaby Joedo met 200 gewapenden naar Kaloewa , alwaar door 
Djalil, Saman (een volgeling van Hidayat) en de kampongs- 
hoofden van Tabalong, Djaboe en Passente in de nabijheid 
der versterking van onzen bondgenoot den kiay Adipati, een 
benting was opgeworpen. 

Den volgenden dag nam Warga Kesoeraa die benting, en 



Digitized by VjOOQiC 



220 

bragt den vijand een gevoelig verlies toe. Kaloev^a's bevol- 
king hield zich bij die gelegenheid onzijdig, doch v^apende 
zich tegen volgende vijandelijke aanrandingen; zij was ver- 
billerd op den vijand, die eenigen hunner had afgemaakt, 
en daardoor meer dan ooit geneigd om onze partij te kiezen. 

Aan Danoe Redjo was opgedragen de Hoofden tot een alge- 
meene vergadering op te roepen ; Koch gelastte daarin om bin- 
nen 15 dagen den weg van Amoentliay naar Lampehon tot eea 
breedte van 4 el te brengen, en te zorgen dat binnen 7 dagen de 
kampongs Tan^habang en Lampehon weder bewoond waren. 
De Hoofden van Kaloewa, die toegelaten hadden dat de vijand 
een benting nabij hun kampong opwierp, zouden ditmaal nog 
volgens de adat des lands gestraft, maar bij herhaling als 
vijanden van het Gouvernement behandeld worden. Daar de ver- 
eenigde Hoofden de verzekering gaven dat de rust in de Benoea 
Lima niet zou weêrkeeren vóór dat de distrikten Tabalong 
en Balangan onderworpen waren, werd in diezelfde verga- 
dering besloten een togt derwaarts te ondernemen; hiertoe 
moest echter de terugkomst van de Boni worden afgewacht, 
die zieken en geblesseerden naar Bandjer vervoerde. 

Met 15 man bedekking ging Hojel (den 1:2^") een verkenning 
maken van de soengej Balang AUei ; hij vond de rivier op vele 
punten zwaar versperd, bivakkeerde te Ilong, roeide naar 
Karoebang en kwam den IS'^" met een schetsteekening van 
het terrein te Amoenthay terug. De Bennett deed tegelijkertijd 
een togt naar Kaloewa , maar kon , door een 4 mijls stroom 
tegengehouden, de plaals niet bereiken. 

Den 18^" kwam de Boni terug; den 19«» scheepte Koch zich 
met zijne kolonne daarop in en stoomde , met de gewapende 
barkas op sleeptouw, naar Kaloewa, waar de gewapende bende 
van den kiay Adipati — die 1000 man sterk heette — ge- 
reed was om met hem naar Tabalong op te rukken. Graas 
en Hojel met 35 bajonetten , Borel met een Sponder en een 
handmortier, en de officier van gezondheid der marine van 



Digitized byVjOOQ IC 



221 

Leent vormden de voorhoede ; Eichelberg, 2« luitenant Beijens 
met 50 bajonetten, luitenant ter zee Jeekel met 12 geweer- 
dragende matrozen, de officier van gezondheid Bernard en 40 
kettinggangers , de hoofdkolonne ; van der IJorst dienstdoende 
oificier met 15 bajonetten, de achterhoede. 

Te Kaloewa komende, bleek het dat de troepen van kiay 
Adipati eerst den volgenden dag marschvaardig konden zijn. 
Met moeite kreeg Koch 5 praauwen met gewapende inlan- 
ders bijéén, om de voorhoede uit te maken en de Boni voor 
te gaan. Nadat er order was gegeven om's anderen daags te 
Pamarankan zamen te komen, ging het verder de soengej Taba- 
long op. Halverwege soengej Boeloe raakte de voorhoede slaags. 
Graas ontscheept op den regter-, Hojel op den linkeroever; 
beiden gaan vechtende voorwaarts, terwijl de Bojii langzaam 
volgt. Langs den oever had de vijand overal bedekte opstellin- 
gen met schietgaten gemaakt en randjoe's geplant; nu trok hij 
langzaam door het kreupelbosch terug en liet overal bloedspo- 
ren achter. Tegen 5 uur was hij geheel verdwenen, en kon de 
voorhoede zich weder inschepen. Toen de avond gevallen en 
Pamarankan nog niet bereikt was, werd er geankerd, werden vu- 
ren op de oevers aangelegd en posten uitgezet. Den volgenden 
ochtend, toen kiay Adipati met zijn schare aankwam, werd alles 
op den linkeroever ontscheept en zoowel de harkas als de 
Boni met een bedekking naar Amoenthay teruggezonden. 

Door eenige schoten en ontelbare randjoe's opgehouden, 
werd Pamarankan tegen TJ uur bereikt, onderzocht en ver- 
brand. Een uur verder, bij een groep huizen, wordt Graas 
met een 40tal geweerschoten ontvangen en moet eerst een bende 
verjagen, voor dat hij zijn weg kan vervolgen. Het kreupel- 
hout werd digter, de marsch moeijelijker, en de beste gids 
door een randjoe gewond, juist toen het pad meer landwaarts 
inliep. Na een korte rust, liep men door ladangs, waarop de 
stronken van afgebrande boomstammen nog een el boven den 
grond uitstaken. Stortbuijen vielen nu en dan, enKalangan 



Digitized by VjOOQ IC 



222 

was volgens den gids nog wel 3 uur verwijderd; toch ver- 
volgde Koch den marsch, tot dat hij te halfacht uur op een 
groot open veld een goede bivakplaats aantrof. 

Bij het aanbreken van den dag opbrekende, kwam de kolonne 
tegen 7 uur aan de soengej Tabalong ter hoogte van een kam- 
pong met randjoe's omgeven. Die kampong was Kalangan 
echter niet; de gids verklaarde den weg niet meer te ken- 
nen. Wat nu te doen? 

In de breede, snelstroomende rivier was, zoover het oog 
reikte, geen praauw te zien. De signaalschoten voor de 
hulptroepen bleven onbeantwoord. Twee kettinggangers be- 
proefden te vergeefs door zwemmen den ovferkant te berei- 
ken; een derde gelukte het echter. Weldra ontmoet deze 
de troepen van den kiay en daarmede ook de praauwen. 
Kiay Djaja Negara gaf een gids mede, die de kolonne lot 
kampong Manda-an bragt, waar zij op den anderen oever 
moest overgaan. Tegen half drie uur werd Wayoe bereikt en 
uithoofde van de vermoeijenis der troepen aldaar gebivakkeerd. 
Gedurende den laatsten marsch had men nagenoeg geen te- 
genstand ontmoet; de hulptroepen op de praauwen daaren- 
tegen hadden soms een hevig vuur door te staan , en kre- 
gen vijf dooden en gewonden. 

*s Anderendaags werden de Spon^ers op de praauwen inge- 
scheept en marcheerde men om 6 1 uur verder. Het terrein zwaar 
begroeid en met diepe randjoe's doorsneden, was voor geschut 
onbruikbaar; op i uur van Tabalong kwam men op een uit- 
gestrekt veld met jonge alang-alang begroeid. De voor- 
hoede werd nabij de eerste huizen met eenige schoten ont- 
vangen en hoorde tegelijkertijd een hevig lilla- en geweer- 
vuur in de rigting der praauwen. Koch liet met den hoorn 
het signaal blazen, dat er hulp in aantogt was, en zond 
order aan Graas om te trachten langs de rivier de praauwen 
te bereiken. De kolonne had inmiddels voor Tabalong stelling 
genomen en werd door een onzigtbaren vijand van de over- 



Digitized by VjOOQIC 



223 

zijde uit lilla's en donderbussen beschoten, waaraan door 
eenige worpen uit den mortier een einde werd gemaakt. Ver- 
woerd, sergeant der artillerie, die zich met de bedieningsman- 
schappen des Sponders op de praauwen bevond, was op den 
linkeroever aan wal gegaan om de flotille te dekken en werd 
door 3 randjoesteken gewond. De komst van Graas en Hojel 
had den vijand doen aftrekken; de hulptroepen telden twee 
gekwetsten. Nadat de kampong van vijanden gezuiverd, 
en de omtrek door Graas onderzocht was, werd Tabalong 
in brand gestoken ; ten 4 ure ging men scheep in de van Kaloewa 
medegenomen vaartuigen, en werd de terugtogt ondernomen. 
Daar reeds een praauw door een uitstekenden boom was 
omgeslagen en een flankeur daarbij het leven verloor, werd 
len 9J- uur met inachtneming der noodige veiligheidsmaatregelen 
op een zandplaat in de rivier gebivakkeerd en den volgenden 
dag Amavyang bereikt. 

Zonder eenige tegenkanting wierp Benschop een verster- 
king te Baleh op (zie pag. 208), waarbij de bevolking 
onder kiay Sotoleksono hem behulpzaam was. Na dezen 
post behoorlijk van leeftogt voorzien en met 60 bajonetten en 
1 houwitser onder den 4<^° luitenant Bakker bezet te heb- 
ben, keerde Benschop vier dagen later weer terug. Veel- 
vuldige patrouilles in alle rigtingen uitgezonden, maakten de 
troepen met het terrein bekend, en gaven den aanvoerder de 
overtuiging dat de meeste kampongs de bescherming der 
bajonetten zegenden.' In een enkelen kampong aan de grenzen 
van Koesan werd een patrouille vijandig ontvangen; de vij- 
and had daar een aanzienlijke voorraadschuur , die vernield 
werd. Op een berigt dat Goena Wadjaja met 200 man den 
bevrienden kampong Rantau Damar bedreigde , spoedde Ben- 
schop zich met 40 bajonetten (10 Mei) derwaarts, doch trof 
er geen vijand aan ; den 12«" maakt hij met 73 man een marsch 
door nog onbezochte streken, en verdreef eenige muiters uit 



Digitized by VjOOQIC 



224 

hunne schuilplaatsen; onze troepen gaven daardoor een nieuw 
blijk hunner onvermoeidheid. Den 44*^° kwam Benschop terug. 
Het landschap bevond zich nu in een bevredigenden toestand; 
meer en meer geleken de handelingen van den vijand op 
die eener rooverbende en was het te verwachten, dat hij 
door het beleid en den ijver van Benschop spoedig geheel 
zoude verdreven worden. Aan den weg van Pengaron naar 
Baleh werd inmiddels vlijtig gewerkt; die van MoengoeThayor 
naar Taal en Gadoeng vorderde goed, terwijl die van Marla- 
poera naar Kalangan reeds voor twee-derde voltooid was. 

Terwijl Ravesteijn (28 April) met 80 bajonetten, 1 driepon- 
der en 130 koelies naar Sebohor rukte, (zie pag. 210) was 
Perné met een kruisboot, door 15 bajonetten versterkt, langs 
de zuidkust gestevend, ten einde Sawarangan te verkennen, 
Sebohor van een andere zijde te naderen en zich met Rave- 
steijn in verbinding te stellep. 

Op Telaga marcherende, geraakt de kolonne door een 
vergissing van den gids van den weg af en stoot daardoor 
op kampong Padang Mangis, dien de vijand bezet had. Pem- 
bekkel Hilong, die bij deze gelegenheid in onze handen viel, 
deelde mede dat de soengej Sebohor zwaar versperd en de weg 
naar Telaga met geschut niet te begaan was. Naar Mariakin 
terug marcherende , zond Ravesteijn 's anderendaags Prinsen 
met 35 bajonetten op verkenning uit naar Telaga. Op een uur 
van die plaats stortte de gids in een wolfskuil; tegelijkertijd 
brandde de verborgen vijand een salvolos, waardoor twee flankeurs 
gekwetst werden; iets verder bij een verhakking, door buik- 
randjoe's versterkt, had andermaal een vuurgevecht plaats en 
kreeg men nog twee gewonden. Ten H uur Telaga berei- 
kende , ging van Straten met 20 man op verkenning der soengej 
Sebohor uit. Hij vond den weg zelfs voor infanterie bezwaar- 
lijk te begaan en de rivier geheel versperd. Daarna beproefde 
Prinsen om over Boelin met de kruisboot in verbinding te 



Digitized by VjOOQIC 



komen , 't geen hem evenwel niet gelukte. Door de talrijke 
randjoe's kon hij slechts langzaam avanceren en werd daarbij 
onophoudelijk door den vijand bestookt. Wel verdreef hij 
den vijand, en bekwam daarbij slechts drie gewonden, maar 
tot Boelin doordringen kon hij niet; op Telaga terug mar- 
cherende, vereenigde hij zich (1 Mei) met de rest van zijn 
detachement te Mariakin en kwam (3 Mei) weder te Pleiharie. 

Perné had eenige dagen met tegenwind geworsteld en was 
den 27«" de Sawaranganrivier opgevaren. Een 200tal Dayaks 
lagen in hindedaag en begroetten hem onverwachts met een 
regen van vergiftigde pijltjes; met geweervuur en een paar 
kartetsschoten dreef hij hen spoedig op de vlugt. Slechts 
vijf praauwen en het lijk van een Dayak die uit een boom 
was neer geschoten, vielen hem in handen. In de Sebohor- 
rivier geen vijand ziende, en door den hevigen wind genood- 
zaakt weder zee te kiezen , kwam hij 4 Mei op Tabanio aan. 

Het plan om te Sebohor een post op te rigten werd nu 
opgegeven; daarentegen gaf Verspijck magtiging te Tatian 
Taras een tijdelijke bezetting te leggen, waardoor de pa- 
trouilles minder groote marschen behoefden te maken en aan 
de goed gezinde bevolking bescherming werd verleend. Die 
vestiging had den 22^" plaats; Prinsen kreeg het bevel 
van dien post. Den 28*^" deed Prinsen met Perné en 8ö 
bajonetten uit Tabanio een belangrijken togt, waarbij de 
vijand groote verliezen leed en wij slechts een paar gewonden 
kregen. Behalve de bewoners van het boschrijk terrein aan 
de zuidkust, waar hadji Joessoep met zijn bende muitehngen 
schuilde, onderwierp de bevolking zich nu meer en meer. 

Hadji Boeyasin zelfs vroeg schriftelijk vergiffenis, doch 
kreeg ten antwoord dat hij zich onvoorwaardelijk moest on- 
derwerpen, en tot zoo lang onophoudelijk zou vervolgd en 
verjaagd worden. Magt van eenige beteekenis bleef in dit 
gewest zoo weinig over als in Hiam Kiwa; wat er nog be- 
stond was niets dan een ellendige rooverbende die de bajo- 

15 



Digitized by VjOOQIC 



236 

nellen onlweek en slechls aan weêrlooze kampongsbewoners 
vrees inboezemde; een rooverbende , die alleen krachl putte 
uil de energie van haar aanvoerder, en alleen hel terrein tot 
bondgenoot had. 

Daarom gelastte Yerspijck, die zijne troepen zoo gaarne 
eenige rust had gegund, om op den ingeslagen weg voort 
te gaan ; want alleen door een hardnekkige en ruslelooze ver- 
volging konden dé laatste krachten van den vijand gefnuikt 
worden. Het getrouw distriktshoofd Amidin en een hadji 
werden door den vijand opgeligt; de laatste werd door onze 
patrouilles weder bevrijd. Kiay Lang Lang en een paar pem- 
bekkels door Hidayat afgezonden, die de omstreken van 
Tegaron onveilig maakten, werden nagezet door twee pa- 
trouilles onder Prinsen en Perné; ofschoon eenige hunner 
volgelingen gedood en gekwetst werden, gelukte het evenwel 
niet om de Hoofden in onze magt te krijgen. Een postbode, 
bij die gelegenheid bevrijd , berigtte dat de vijand geen twee 
nachten op de zelfde plaats durfde te blijven, dat de beste 
krijgers van Joessoep en Boeyasin gevallen waren, en dat 
het restant daarvan reeds tot 200 man geslonken was, die 
slecht gewapend, geheel ontmoedigd, thans roofden en plun- 
derden om niet van honger en gebrek om te komen. 

Geruchten dat een sterke bende zich te Moeara Poeloe 
zoude bijeengetrokken hebben, werden door bezoeken van 
de Kingsbergen en Bali niet bevestigd. Z. M. stoomschip Soem- 
bing, onlangs van Java gekomen, lag aan de Mengkatip en 
maakte nu en dan verkenningen in den omtrek. Twee be- 
vriende kampongs in Doesoen Ilir verzochten de ondersteuning 
van een stoomschip tegen geweldenarijen die zij van mui- 
telingen uit Doesoen-Oeloe te lijden hadden. Yerspijck gaf 
hun den raad zich aan te sluiten bij Maliouw, dat door 
een stoomschip bezocht zou worden; met vereende kracht 
konden zij dan den vijand het hoofd bieden. Daarop werd 



Digitized by VjOOQIC 



227 

hun verzoek om een benling te mogen bouwen, toegestaan ; 
ja hun zelfs een paar lilla's beloofd, als zij tot den bouw 
over gingen; men vleide zich evenwel niet met de hoop dat 
de bevolking genoeg geestkracht zou hebben om die plannen 
ten uitvoer te brengen. 

De getrouwe Hoofden van Sihong en Pattay, die in het be- 
zit van twee goede bentings waren , hielden door een kloeke 
houding op de grenzen, den inval eener vijandelijke bende 
tegen. 

Tommonggong Toendan , Hoofd van Midden-Kahayan, bleef 
zich vijandig betoonen. Radin Singapati, Hoofd van Mino- 
hin, en eenige andere Hoofden van minder talrijke stammen 
helden daarentegen meer en meer over tot vrede met het 
gouvernement. De pogingen van Verspijck bij de laatsten 
om hen onze partij te doen kiezen en Toendan het hoofd 
te bieden, leden schipbreuk op de vrees voor Antassari. 
Tommonggong Toendan zat inmiddels niet stil en zond (half 
April) 400 ge wapenden in 460 praauwen over naar Sam- 
pit. Aan de s. Sembangow (westelijk van Kahayan) geko- 
men, vielen zij een kampong aan, wiens inwoners zich 
dapper verdedigden en hen met groot verlies terug sloegen ; 
van den voorgenomen aanval op Sampit werd nu afgezien. 
Daarna maakten zij de kust bij de uitwatering der Barito on- 
veilig, vielen visscherspraauwen aan en snelden de koppen 
der opvarenden. Den ¥^ Mei vertrok de Kingsbergen naar 
Sampit, om het vertrouwen der bevolking, geschokt door de 
rooflogten der Kahayaners, te herstellen. De kommandanl 
van dat vaartuig had in last de Kahayan (door een zandbank 
aan de monding voor diepgaande schepen niet toegankelijk), 
op te stoomen en de oevers op te nemen, ten einde een 
geschikt punt te vinden , waar een post kon worden opgerigt 
die de rivier afsloot. Toen de Kingsbergen de rivier opging, 
zag men uit eiken kampong de bewoners vlugten; gelukkig 



Digitized by VjOOQiC 



228 

spoorde men radin Singapati op, en liet door hem de be- 
volking gerust stellen , die nu van lieverlede weder terug kwam. 
Het berigt, dat er nabij Panko een versterking zou opge- 
rigt worden, verheugde dien radin uitermate en boezemde 
hem zoo veel vertrouwen in, dat hij er toe over ging om 
de plaats aan te wijzen waar eenige vijandelijke goesti's 
zich ophielden. Een poging om hen op te Hgten mislukte 
evenwel, maar hun verblijf werd vernield. 

Yerspijck zelf stoomde den 19^° Junij met de Suriname de 
Kahayan op, koos bij Panko een geschikt punt uit en liet 
er een versterking voor 50 man oprigten. De bevolking der 
Beneden-Kahayan kwam spoedig aan de rivier terug, en Sin- 
gapati beloofde nu tommonggong Toendan te zullen bestrij- 
den, als hij het waagde andermaal af te komen. Door het 
bezetten van de Kahayan werd het invoeren van zout en 
van wapens en het koppensnellen aan Toendan belet, ook 
Sampit voor verdere vijandelijkheden gevrijwaard. 

Door de krijgsbedrijven in de laatste maanden had de al- 
gemeene toestand^ een geheel ander aanzien gekregen. De 
kracht van den opstand was gefnuikt , de opstand zelf nog 
wel niet bedwongen, doch reeds in zoo verre ontaard, dat 
het verzet meer geleek op de laatste stuiptrekkingen van 
een verslagen tegenpartij dan op de handelingen van een 
energieken, goed georganiseerden vijand. Hidayat, Lehman 
en Antassari waagden het niet meer, nu hunne benden 
verslagen en verloopen waren, zich in de nabijheid onzer 
posten te vertoonen. 't Was echter onbekend waar zij zich 
ophielden ; men beweerde dat de vorsten van Passir en Koetei 
geweigerd hadden hen in hunne staten toe te laten. Soera- 
pati zoude 5 a 6 dagmarschen benoorden Bahan, zijne 
vroegere residentie, in het gebergte zijn terug getrokken; 
omtrent het verblijf van Antassari hepen de tegenstrijdigste 
geruchten. Het deel der bevolking dat nog ongenegen was 



Digitized by VjOOQIC 



zich onder bescherming der bajonetten te stellen, begon 
veel te lijden door gebrek aan zout; zij, die zich onder- 
worpen hadden, tot rust waren gekomen en daarvan de voor- 
deden hadden leeren kennen, duchtten elke nieuwe vijande- 
lijkheid van de oproerige Hoofden. Het bestuur achtte nu 
den tijd daar, om het oude Bandjersche rijk voor te bereiden 
tot de wijze van beheer, die voor ieder wingewest in Indië 
is aangenomen. Het sulthansrijk zou in drie hoofdafdeelin- 
gen verdeeld worden , namelijk twee assistent-residentiën 
onder majoor Koch en kapitein van Oijen , en de afdeeling 
Bandjermasin onder het onmiddellijk bestuur van Verspijck 
zelf; verder zoude een zestal officieren als controleurs te 
werk gesteld, en Poeloe Petak, Kahayan en de Barito wor- 
den beheerd door de militaire kommandanten die tevens het 
civiel bestuur in handen hadden. 

Aanvankelijk echter bepaalde Verspijck zich tot het ver- 
deden van het veroverde land in militaire kommandementen, 
en aan ieder kommandant op te dragen in zijn gebied een 
militaire politie te houden. Daardoor kwamen de inlandsche 
Hoofden onder hunne orders te staan en werd de bevolking 
van lieverlede aan het Europeesch bestuur gewend. 

De troepen bleven met den besten geest bezield; aan den 
ijver der officieren, aan de volharding der manschappen had 
Verspijck het te danken dat zijne bevelen zoo getrouw en 
naauwkeurig werden opgevolgd , dat de uitkomsten nu reeds 
zoo groot waren. Hij zou echter nog meer vergen, want 
rusteloos moesten de vijandelijke benden, die nog rond- 
zwierven, nagejaagd worden Die taak was voor het leger 
wel niet de aangenaamste, maar daarom toch niet minder 
eervol; die wijze van handelen was gebiedend noodig, om 
den opstand geheel te onderdrukken. 



Digitized by VjOOQIC 



HOOFDSTUK XVIII. 



KRIJGSVERRIÖTINGBN IN AMANDIT. — PROCLAMATIE VAN DEN 

KOMMISSARIS NIEUWENHUIJZEN. — VERDEELING DER RESIDENTIE 

IN AFDEELINGEN EN DISTRIKTEN. — TOGT VAN BENSCHOP EN 

CAVALJB IN RIAM KIWA. — OPRIGTING VAN BEN POST TB 

BATOE TONGKO. — JÜNIJ 1860. 

Meer en meer verspreidde zich het gerucht , dat Hidayat 
zich met zijne generaals Lehman en Antassari in het 
gebergte , oostwaarts van Amawang ophield ; en hoewel dit 
gerucht bevestiging vereischte, was het toch niet twijfelachtig 
dat 's vijands hoofdmagt het bergachtig terrein, voornamelijk 
Tambong Toelang en Doerian Rebong bezet had en het land- 
schap Amandit afstroopte. 

Yerspijck liet geen tijd verloren gaan om den vijand vau 
daar te verjagen. Hij gelastte van Dijen met 115 bajonetten 
en een stuk geschut van Martapoera naar de grenzen van 
Amandit te marcheren en Doerian Rebong van den zuidkant 
aan te tasten, terwijl van Amawang een kolonne dien kam- 
pong van den tegenovergestelden kant zou naderen. Na de ver- 
overing van Doerian Rebong moest Tambong Toelang van 
twee kanten aangevallen worden. Riesz ernstig ziek gewor- 
den zijnde, begaf Yerspijck zich zelf naar Amawang, om 
de marschen der kolonnes te regelen en zich in persoon van 



Digitized by VjOOQIC 



231 

den stand der zaken te ovei*tuigen. Daar aankomende, ver- 
nam hij dat ook Hankinang en Bambang door den vijand bezet 
waren, besloot toen die plaatsen gelijktijdig te bezoeken en 
gaf den kommandant van Pantey Hambawang order van daar- 
uit te opereren. 

Den ^^ Junij rukten dus twee kolonnes tegen Hankinang 
en twee (Schwartz en van Oijen) tegen Doerian Rebong op. 
Bij laatstgenoemde plaats hield de vijand stand, doodde een 
onzer terwijl er twee gekwetst werden; spoedig echter werd 
hij op de vlugt gedreven. Van Oijen marcheerde nu met 95 
bajonetten gedurende vijf uren stroomopwaarts door een ri- 
vier , waarin men tot aan de heupen door het water liep en 
viel den vijand in den rug te Tambong Toelang. De i* lui- 
tenant Yerstege hield onderwijl met een klein detachement en 
een mortier den vijand bij Batoe Lakki bezig. Tusschentwee 
vuren gebragt, dacht de bende niet aan stand houden, maar 
ontvlood in de wildernis. De kolonne Munters, die langs den 
s. Hankinang oprukte, ontmoette bij den kampong van dien 
naam de kolonne Bode die van Pantey Hambawang was uit- 
gegaan ; gezamenlijk marcheerden zij verder langs beide 
oevers der rivier, verjoegen overal den vijand, bezochten de 
uitgebreide kampongs Bambang en Penghambon, en keerden 
den ¥^ naar hunne posten terug. 

Verspijck wist nu dat er van een groote vijandige magt 
in Amandit geen sprake was; hij beproefde door Djajapati, 
een gewezen Hoofd uit die streken, de rust langs een anderen 
weg te herstellen, stelde in eenige kampongs pembekkels 
aan en liet een publicatie verspreiden waarbij aan de op- 
roerige bevolking — niet de aanvoerders — vergiffenis werd 
beloofd, wanneer zij zich spoedig onderwierp. 

Daarna liet hij den kapitein Koch als kommandant van 
Amawang achter en keerde naar Bandjer terug. 

Slechts in geringen getale dwaalden de vijandelijke ben- 
den in het gebergte beoosten Amawang rond. Patrouilles 



Digitized by VjOOQIC 



232 

van 20 tot 30 man waren voldoende om ze het hoofd te bieden 
en te vervolgen; deze kleine patrouilles hadden het voordeel 
dat ze zich gemakkelijk in het bedekt terrein konden bewe- 
gen en den vijand overvallen. Zoo marcheerde (16 Junij) 
de Reussy dd. officier (Boers en Smagge waren ziek) met 
20 bajonetten dwars door sawahs en alang-alangvelden 
naar Doerian Rebong, waar muitelingen waren gezien, en 
naderde onbemerkt zoo digt den kampong, dat hij een 30 
tal gewapenden overvalt en verscheidene er van neerschiet. 
De 1^ luitenant Verspljck rukte daags te voren met den 2^" 
luitenant de Brauw en 40 bajonetten naar Pantey Hamba- 
wang om het distrikt Hambawang te doorzoeken, waar Leh- 
man gezegd werd zich op te houden. Hojel, die de patrouille 
vergezelde alleen om het terrein op te nemen, verzuim- 
de echter geene gelegenheid om zich te onderscheiden 
wanneer men den vijand ontmoette. Bij een gevecht (18 
Junij) tusschen Hankinang en Bekompayan was hij weder 
vooraan en doorstak met eigen hand hetHoofdWira Negara, 
dat sedert geruimen tijd die streek onveilig maakte en zich 
thans zoo dapper verdedigde, dat zonder den bijstand van 
den inlandschen hoornblazer Mittor en den flankeur de Lad- 
derus, Hojel waarschijnlijk zijne stoutheid met het leven had- 
geboet. 

Op het berigt dat er rauitelingen te Ambarey waren, rukte 
luitenant Verspijck met Hojel en 35 bajonetten (21 Junij) om 
2 uur 's nachts naar Djamboe. Daar verdeelde de patrouille 
zich. Hojel ging met 15 man over Padang Batong naar Ambarey, 
om zich voor die plaats zoo lang bedekt op te stellen tot dat 
Yerspijck door een schot zijne komst zou doen blijken. Luitenant 
Yerspijck trok met de 20 overige manschappen over de s. 
Amawang en stootte tegen 6 uur op den vijand, die zich 
in den kampong verdedigde. Zonder dralen bestormt hij 
de voorste woningen; fuselier Romijn rijgt den eersten vij- 
-and den besten aan zijn bajonet, vervolgt een paar anderen, 



Digitized by VjOOQIC 



233 

maar heeft het verdriet ze te zien ontvlugten. Luitenant 
Verspijck en de Reussy doen in een ander huis 4 man in 
het stof bijten; verscheidene andere worden bij het vlugten 
neergeschoten. Op het hooren vuren is Hojel, brandend van 
verlangen om in den roem te deelen, in den looppas toe- 
geschoten; het gelukt hem nog eenige vlugtenden op te 
vangen. Sergeant Kleijn en fuselier Kromowidjojo stootten 
elk een man neer. Kromowidjojo krijgt een kogel in het 
been, maar hij haalt dien zelf er uit en neemt verder deel 
aan de vervolging. — Twee dagen later gelukte 't den luite- 
nant Verspijck den pembekkel van Telok Pegat gevangen te 
nemen; bij den allermoeijelijksten terugmarsch trachtte dit 
Hoofd herhaaldelijk te ontvlugten en werd bij de laatste po- 
ging neergeschoten. 

Den 28^° gelukte het Boers aan het hoofd van 30 bajonetten, 
den vijand te Kayoe Abang te vinden. Op een kwartieruurs 
afstand van dien kampong wordt hij uit een pisangtuin be- 
schoten; de voorhoede trekt dadelijk in den looppas dien 
tuin om, terwijl de hoofdtroep in front aanvalt. De vijand 
wijkt, maar wordt op de hielen gevolgd; sergeant Kamidin, 
dien wij bij het begeleiden van het konvooi naar Amawang 
reeds vroeger leerden kennen, was hier weer vooraan; drie 
man van den vijand blijven er op de plaats. Aan den anderen 
oever tracht de vijand zich in een woning te vereenigen, doch 
ziende dat de rivier ook de onzen niet tegenhoudt, vuurt hij 
voor het laatst de geweren af en verdwijnt spoorloos in de 
wildernis. — Achter Hankinang waren door den vijand onder 
leiding van Soetipati nieuwe kampongs gebouwd. Luitenant 
Verspijck en Hojel dringen (3 Julij) met 25 man daar 
binnen. Flankeur Henny velt een vijand met zijn bajonet; 
een paar andere vijanden sneuvelen, o. a. Soetipati's vader. 
Men vindt een aanzienlijken voorraad lansen en eenige bam- 
boekokers met buskruid en kogels gevuld; de kampong wordt 
gespaard. 



Digitized by VjOOQIC 



234 

Het gevolg van deze patrouilletogten was , dat de Hoof- 
den der belangrijkste kampongs Kayoe Abang , Hankinang , 
Bambang en Bekompayan vergiffenis vroegen en hunne onder- 
w^erping op den koran bezworen ; dat de landstreek tusschen 
Pantey Hambawang en Amawang, waar het onlangs nog we- 
melde van muiters , thans geheel was gezuiverd, en dat de 
vijand ver in het Mandallagebergte terugtrok. Zelfs Djajapati , 
Hoofd van het bergdistrikt Pramassan Amandit, kwam te 
Amawang en beloofde den vijand zooveel mogelijk afbreuk 
te .zullen doen. 

Met uitzondering van een paar kampongshoofden , die de 
bevolking dikwijls kwelden, doch op het gezigt der bajonet- 
ten altijd het hazenpad kozen , bleef Allei rustig. De post- 
kommandanten zonden voortdurend patrouilles uit ; in weerwil 
dat zij de voldoening niel meer smaakten, tot loon van groote 
vermoeijende marschen, den vijand ergens te zien standhouden, 
hielden zij vol hem rusteloos op te sporen en te verjagen. 
Onderwijl voltooide de bevolking den weg van Barabei-ie naar 
Pantey Hambawang en naar de belangrijkste kampongs ; ter- 
wijl er, na de onderwerping van Bambang en Penghambon, 
alle hoop bestond om eerlang een verbeterde gemeenschap 
van Pantey Hambawang tot Amawang tot stand te brengen. 

Inmiddels vaardigde de gouvernements-kommissaris de vol- 
gende proclamatie uit : 

PROCLAMATIE. 

Aan alle vorsten, mantri's, pembekkeU, mufti's, pang- 
hoeloes, hadji's en verdere bevolking van het verval- 
len verklaarde Rijk van Bandjermasin. 

In de laatste dagen der maand April van het vorige jaar 



Digitized by VjOOQIC 



235 

is in het toenmalige Rijk van Bandjermasin een opstand uit- 
gebroken , waarvan de strekking door hen , die daaraan deel- 
namen, en als de aanleggers van denzelve aangemerkt moeten 
worden, niet stellig is geformuleerd geworden, doch die 
hoofdzakelijk is gerigt geworden tegen het gezag van Z. M. 
den Koning der Nederlanden in dit deel van Borneo en het 
leven en de bezittingen van zoo velen harer vreedzame en 
rustige onderdanen, die, tot nut en voordeel van genoemd 
Rijk, zich met de ontwikkeling der nijverheid binnen hetzelve 
onledig hielden. 

Moorden, evenzeer afschuwelijk door het verraad, als de 
wreedheid, waarmede zij vergezeld gingen, zijn aan die on- 
derdanen gepleegd , door en op last van ellendigen, die onder 
den dekmantel van voor het geloof te strijden, de meest 
duidelijke voorschriften van hetzelve met voeten hebben ge- 
treden , en aan de bevrediging van eigen eerzucht , het wel- 
zijn en het geluk van een geheel land hebben opgeofferd. 

Dit een en ander heeft het Nederlandsch Indisch gouver- 
nement, 'dat steeds lankmoedig is, daar waar het slechts 
dwalingen van het verstand geldt, doch dat gewoon is eene 
onverbiddelijke gestrengheid ten toon te spreiden daar waar 
eene misdadige hand aan zijne regten en de veiligheid van 
zijne onderdanen geslagen wordt , genoopt, om tot tuchtiging 
van hen , die zich zoo zeer jegens hetzelve vergrepen , naar 
de wapenen te grijpen. 

De uitslag daarvan is u allen bekend. 

Op alle punten heeft regt over misdrijf gezegevierd, en zij 
die den opstand ontwierpen, dan wel zich daaraan als 
aanvoerders aansloten, zwerven thans als gejaagd wild door 
bosschen en wildernissen, terwijl het ongelukkige kleine volk, 
dat zich, misleid door hun bedrog en leugentaal, aanvanke- 
lijk bij hen aansloot, zich thans met afschuw van hen af- 
wendt. 

Middelerwijl de eerste stappen tot verkrijging van deze 



Digitized by VjOOQIC 



286 

uitkomsten werden gedaan, deed de sulthan Tamdjid Illah 
een vrijwilligen afstand van den troon van Bandjermasin. 

Rijpelijk werd sedert overwogen of die troon andermaal 
aan een Inlandsch vorst zoude worden afgestaan, en zoo ja, 
aan wien; doch de slotsom daarvan was, dat, hoe afkeerig 
het Nederlandsch Indisch gouvernement ook is, om zijn 
reeds zoo uitgestrekt beheer uit te breiden, de verpligting op 
hetzelve rustte, om daaronder ook de landen, uitmakende 
het Bandjermasinsche rijk, op te nemen, daar toch langs 
een anderen weg niet mogt worden gehoopt, om dat rijk, 
dat sedert lange jaren in een ziekelijken toestand verkeerde, 
en door den opstand bitter leed , onder de bescherming van 
rust en orde zoodanig te doen herstellen, dat daarin eenige 
waarborg voor eene veilige toekomst gelegen zoude zijn. 

Dientengevolge is door Zijne Excellentie den gouverneur- 
generaal, zooals bij mijne publicatie van heden ter algemeene 
kennisse is gebragt, bepaald, dat het rijk van Bandjermasin 
voorlaan niet meer in leen ter beheering aan een inlandschen 
vorst zal worden afgestaan, en door mij, als een uitvloeisel 
daarvan, onder de nadere goedkeuring van Zijne Excellentie 
den gouverneur-generaal verordend, dat: 

het zelfbestierend rijk van Bandjermasin heeft opgehouden 
te bestaan; 

en de landen, uitgemaakt hebbende het vervallen verklaarde 
rijk van Bandjermasin, voortaan zullen sorteren onder het 
dadelijke gebied van het Nederlandsch Indisch gouvernement 
in de Zuid- en Oosteratdeeling van Borneo; met opheffing 
van de Commissie, aan wie het bestuur van het rijk van 
Bandjermasin — na de abdicatie van sulthan Tamdjid Illah 
— bij art. 2 der publicatie van den kolonel, Adjudant des 
Konings in buitengewone dienst, gouvernements-kommissaris 
tevens kommandant der troepen in de Z. en 0. afdeeling van 
BDrneo van 25 Julij 1859, is opgedragen geworden. 

Van stonde af aan hebt gij dus opgehouden gehoorzaam- 



Digitized by VjOOQIC 



237 

heid verschuldigd te zijn aan de tot dusverre geregeerd 
hebbende dynastie van het Bandjermasinsche rijk, om die 
voortaan alleen te betoonen aan de door mij over u aange- 
stelde Europesche en Inlandsche ambtenaren en de Hoofden 
der dorpen uwer inwoning, die bij deze door mij inderxel- 
ver bedieningen bevestigd worden. 

Het streven van het nieuwelings over u ingestelde bestuur 
zal zijn, bevordering van uw welvaart en handhaving daartoe 
van regt, orde en veiligheid. 

Een nieuwe dageraad is daarmede voor u aangebroken, 
en ik durf hopen, dat gij door eerbied voor, en vertrouwen 
in hen, die ik tot het bestuur over u geroepen heb, in uw 
eigen belang de verwachtingen zult verwezentlijken, welke ik 
van dien dageraad koester, en het gouvernement buiten de 
noodzakelijkheid zult houden , u andermaal zijn tuchtigende 
hand te doen gevoelen. 

Uwe godsdienst zal geëerbiedigd blijven; doch daarentegen 
zult gij ook die van andersdenkenden hebben te eerbiedigen. 
Zij, die daarvan afwijken, en onder de leus van godsdienst- 
ijver onrust verwekken, dan wel anderen leed berokkenen, 
zullen met onverbiddelijke gestrengheid deswege smadelijke 
straffen tot loon ontvangen. 

Het is de uitdrukkelijke wil van Z. M. den Koning , dat 
ieder harer onderdanen zijne godsdienstige meeningen met 
volkomen vrijheid belijdt, behoudens de bescherming der 
maatschappij en harer leden tegen de overtredingen der al- 
gemeene verordeningen op het strafregt. Daarnaar zult gij 
u hebben te gedragen, want 's Konings wil, die niets anders 
dan het welzijn en het geluk van allen beoogt, vermag door 
niemand miskend, veel minder overtreden te worden. 

De belastingen, onder welke benaming die ook in het Ban- 
djermasinsche rijk hebben bestaan, blijven voorloopig in stand. 

Intusschen beraam ik middelen, om die belastingen, welke 
mij voor uwe welvaart schadelijk toeschijnen, op te heffen en 



Digitized by VjOOQIC 



238 

te vervangen door anderen, die gelijkmatiger drukken moeten. 

In afwachting, dat ik daarmede gereed zal zijn, heb ik, 
met betrekking tot de persoonlijke diensten, waartoe de be- 
volking gehouden is, ter vervanging van de bestaan hebbende 
instellingen op dat punt, verordend, dat de bevolking ge- 
houden zal zijn tot de navolgende heerendiensten: 
1®. Zonder betaling: 

het verrigten der werkzaamheden binnen de dorpen door 
derzelver besturen voorgeschreven; 

het bezetten der wachthuizen , daar waar die op last van 
het gewestelijk bestuur worden daargesteld; 

het bewaken en vervoeren van gevangenen, het daarstellen 
en onderhouden van wegen en bruggen, wachthuizen en 
passangratans of verblijven voor reizende ambtenaren en mar- 
cherende troepen. 

2^ Tegen betaling : 

het vervoeren van reizigers en goederen; 

het werken als koelies, ten dienste van de genie, zoo 
burgerlijk als militair; 

De inlandsche grooten, aan wie door de zich opgevolgd 
hebbende vorsten van het vervallen verklaarde rijk van Ban- 
djermasin apanages toegekend zijn, worden in het genot 
daarvan, onder de nadere goedkeuring van Z. E. den gou- 
verneur-generaal, bevestigd, met uitzondering van de zoo- 
danigen hunner, die zich bij den opstand aansloten, en 
daardoor iedere aanspraak op 's gouvernements welwillend- 
heid 'verloren; en onder voorbehoud van de bevoegdheid aan 
de zijde van het gouvernement, om des geraden achtende, 
die apanages later op te heffen tegen toekenning eener even- 
redige vergoeding in geld. 

Bandjermasin , den H Junij 1860. 

De Resident van Soerakarta, gouvernements- 
kommissaris in de Z. en 0. afdeeling van Bomeo. 

F. N. NIEUWENHÜUZEN. 



Digitized byVjOOQ IC 



239 

Het ryk werd voorloopig verdeeld in twee assistent-residen- 
tiën en vier distrikten ; majoor Koch werd assistent-resident van 
Martapoera ; van Oijen van Amoenthay ; — Rhode, controleur i"" 
klasse, van Allei; Smagge controleur 2* klasse van Amawang; 
Benschop van Pengaron en 1« luitenant Yerstege van Kween. 
De nieuw aangestelde Hoofden werden met hun werkkring be- 
kend gemaakt. 

Kapitein van Oijen kwam den 28^" Junij te Amoenthay en 
maakte zich gereed tot een tweeden togt naar Tabalong, ditmaal 
zonder stoomschepen en dus met oneindig meer moeijelijk- 
heden gepaard. Hij liet geen middelen onbeproefd de Hoof- 
den van Sihong en Pattay over te halen om de wapens op te 
vatten tegen den vijand van het gouvernement, en trachtte 
den kiay Adipati te bewegen om de bezetting van Kaloewa naar 
Tabalong te verplaatsen, in welk geval eerstgenoemde plaats 
door 50 infanteristeu bezet zou worden. Aan Danoe Redjo 
werd tot belooning voor zijne trouw het praedicaat van 
Radin geschonken, en met groote plegtigheid zijne aanstelling 
uitgereikt. Tot het op de been houden van 200 gewapenden , 
zoo lang als de krijg duurde, ontving hij een maandelijk- 
schen onderstand. 

Volgens een vrij geloofwaardig berigt hield zich Hidayat 
met een paar honderd man te Maihi op ; dit gaf Yerspijck 
aanleiding om aan Benschop te gelasten, ten spoedigste een 
togt naar die plaats te ondernemen. Vooraf zond de kom- 
mandant van Pengaron eenige gewapende inlanders van de 
laadpraauwen op kondschap uit; en toen deze terugkwamen 
met de tijding, dat zij op een vljandelijken voorpost gestoo- 
len hadden en met moeite ontkomen waren, wist Benschop 
genoeg. Den 16^° Junij rukte hij met de luitenants Eijpen 
en Cavaljé, den ofiBcier van gezondheid Ie Rutte, en ruim 
60 bajonetten naar Pinjoewan, waar Bakker hem met 80 



Digitized by VjOOQIC 



240 

bajonetten (van Baleh) reeds opwachtte; de pembekkel Saha 
Rachman vergezelde op eigen verzoek de kolonne als gids. 
Te Rantau, waar gebivakkeerd werd, vernam men dat zich 
vijanden te Djinga Lima ophielden. 

Langs de s. Pinang , zoo rijk aan goud en diamantgroeven, 
die nu geheel verlaten waren en slechts dienden om den 
marsch te vertragen, en daarna over Ambit en Maihi, bereikte 
,men (17^°) Boekit Maihi, waar een groote voorraad padi , en 
Boekit Besaar (1 8«°) , waar vergiftigde randjoe's in de huizen 
werden gevonden. In het zware bosch dat daarop doorge- 
trokken werd, vond de voorhoede een menigte springlansen 
geplaatst en stootte zij bij een bogt van het pad eensklaps 
op drie gewapende inlanders, die tot de bende van Goena 
Widjaja behoorden en gevangen genomen werden. Ver- 
hoord wordende , deelden zij mede dat te Rantau Bekoe- 
la en niet te Djinga Lima een benting werd opgerigt; en 
dat hadji Sambas te Ambawang vergaderingen hield om het 
volk tot deelname aan den krijg aan te sporen. 

Nu verandert Benschop van rigting en slaat het pad naar 
Rantau Bekoela in. Twee nieuwe gevangenen bevestigen het- 
geen de eersten gezegd hebben. Ter hoogte van kampong 
Harie omsingelt Cavaljé een woning en neemt de bewoners, 
waarvan twee met geweer en lans gewapend zijn, gevangen. 
Op weg naar den hoofdtroep, schieten twee andere in- 
landers met gevelde lans uit het bosch; zij worden ontwa- 
pend. Één wringt zich los uit de handen der soldalen, 
springt op Cavaljé , rukt hem de pistool uit den gordel , 

spant den haan en zijgt doodelijk gewond door flan- 

keur Koller, magteloos neder. 

Bij Rantau Damar (49^° Junij) gekomen, vervolgt Bak- 
ker met 50 bajonetten nog een eind wegs den linkeroever 
der Riam Kiwa , terwijl Benschop die rivier overtrekt. Iets 
verder stoot hij op een half voltooide benting, waaruit de 
bezetting de vlugt neemt in de rigting van de rivier. Bakker 



Digitized by VjOOQIC 



241 

ontvangt haar daar op de punt der bajonet en doodt het 
Hoofd. De benting is zamengesteld uit ijzerhouten planken 
en balken. Deze zijn van onderen in een diepen geul geplaatst^ 
van boven met rottan verbonden , met doelmatige schietgaten 
voorzien en door een gracht van 2.5 el breedte omgeven» 
Aan den linkeroever was een andere versterking in aanbouw^ 
waarvan de twee voltooide facen zoodanig waren geplaatst 
dat er in verband niet de eerste benting een goed kruisvuur 
op den weg werd gebragt. Beide werken werden geslecht. 

Vroeg in den morgen (20 Junlj) den marsch vervolgende^ 
werd de kolonne van kampong Boekit af onophoudelijk veront- 
rust door den vijand. In de nabijheid van TiangOeling, waar 
gebivakkeerd werd, vond men een talian, waarin de bevolking 
op doodstraf bevolen werd, de hoofdgelden aan Antassari 
af te dragen. 

Toen de weg zich verloor en de gids het spoor bijster 
was, werd het bosch (den 21«°) op het kompas doorgetrok- 
ken. Een uur later ontdekt Cavaljé eenige huizen aan de^ 
overzijde der soengej RiamKiwa; het is kampong Ambawang, 
waar geheime vergaderingen worden gehouden. Zoo bedekt 
mogelijk en met inachtneming der grootste stilte trekt Ca-^ 
valjé met de voorhoede over de soengej ; een badende vrouw 
ontdekt hem en begint te schreeuwen ; daardoor is de overval 
wel niet volkomen , doch Cavaljé bestormt zonder een oogen^ 
blik te verliezen het eerste huis en jaagt verder den vijand mei 
achterlating van verscheidene dooden op de vlugt. Hier en 
te Boekit Soengej santjor wordt een groote voorraad padie 
gevonden en verbrand ; na den 22«° den geheelen om- 
trek in alle rigtingen met patrouilles te hebben doorkruist^ 
neemt Benschop den 23*" den terugtogt weer aan. 

Deze togt strekte Benschop en zijne officieren tot eer , want 
daardoor werden de elders verslagen opstandelingen , die zich 
hier weder verzamelden om een kera voor nieuwe slrijdben- 
den te vormen, op nieuw geslagen en verstrooid. 

16 



Digitized by VjOOQIC 



242 

Weinige dagen later (2 Julij) vernam Cavaljé, die te 
Moengoe Thayor koramandeerde, dat te Soengej Harang zich 
eenige inlanders ophielden die den opstand aanstookten. Met 
25 bajonetten verlaat hij tegen 4 uur in den namiddag de 
versterking en komt , geleid door een gids omstreeks ten 8} 
uur te s. Harang aan. Gedurende een half uur volgt hij nu 
een slecht pad tot dat hij voor een groote woning komt, waar- 
uit het verward geluid van een menigte menschenstemmen 
opgaat. Cavaljé neemt de gelegenheid van het huis op 
en wil het reeds doen omsingelen, toen eensklaps uit het 
bosch aan de overzijde eenige geweerschoten vallen. Als door 
een tooverslag vallen tegelijkertijd de wanden van het huis 
aan den achterkant, springen veertig gewapende inlanders 
voor den dag en zoeken hun heil in de vlugt. Zóó spoe- 
dig gaat dit alles , dat Cavaljé hen slechts een salvo kan 
nazenden; een hevig gekerm overtuigt hem dat niet alle 
kogels missen , maar aan vervolgen in de duisternis valt niet 
te denken. Hij heeft echter een gevangene gemaakt, een 
onderhoofd , die verklaart dat hij het is, die sedert eenigen tijd 
de wegen van Moengoe Thayor onveilig maakt en de bruggen 
vernielt; dat men juist vergaderd was om eenige nieuw ge- 
worvenen aan te nemen en een plan te beramen om Moengoe 
Thayor aan te vallen, waartoe een tweede bende uit Poegie 
zou medewerken. Onderwijl is het huis in brand gestoken 
en de terugmarsch aangenomen ; maar de gevangene wil nu 
geen stap meer doen en weigert hardnekkig te volgen. De 
soldaten hebben nog eenige uren te marcheren en zijn Ie 
vermoeid om hem te dragen; Cavaljé is dus tegen wil en 
dank verpligt hem dood te laten schieten. Bij het doortrek- 
ken van kampong Lima Goeloeng betuigt de bevolking hem 
haren dank, omdat hij haar verlost heeft van een bende die 
daar als roovers had huisgehouden. 

Sinds lang was de rust in het landschap Riam Kananniet 



Digitized by VjOOQIC 



243 

gestoord, toen op het einde van Junij een pembekkel met 8 vol- 
gelingen, die op kondschap naar Goenong Lawak was uitgezon- 
den, door den vijand gevangen werd genomen. Coenen, dadelijk 
op patrouille derwaarts gezonden, vond evenwel niemand meer. 
Ook vertoonden zich eenige muitelingen bij Wang Bankal ; 't 
waren waarschijnlijk dezelfden die Benschop uil de bovenlan- 
den van Riam Kiwa verjaagd had en nu door luitenant Reuter 
met 40 man (30 Julij) verdreven werden. Majoor Verspijck 
achtte het noodig om Riam Kiwa nu en dan door troepen te laten 
bezoeken; vele inlanders hadden daar uit vrees voor den oor- 
log hunne kampongs verlaten , en waren met hunne vrou- 
wen en kinderen naar Mengappan gevlugt; dit kon niet ge- 
duld worden. Verspijck gaf hun bevel tot terugkeer en Graas 
werd met 45 man voor 8 dagen derwaarts gezonden, om aan 
dat bevel klem bij te zetten. Een andere patrouille onder 
luitenant Reuter doorkruiste gedurende zeven dagen het 
landschap Maloeka aan de Banjoe Irang , zonder een enkelen 
vijand te ontmoeten. 

Niettegenstaande de herhaalde nederlagen en menigvuldige 
verliezen , volhardde toch de vijand in Tanah Laut met groote 
hardnekkigheid in den opstand. Door het geheel e gewest kruisten 
onophoudelijk patrouilles van 20 a 25 man; en ofschoon zij zel- 
den in gevecht kwamen, werd er nooit een marsch ge- 
maakt zonder dat men versperringen en randjoe's op den 
weg aantrof of door eenige schoten werd gekweld. Een 
patrouille onder den dienstdoenden officier deRooij (12 Junlj) 
stootte op een paar versterkte punten aan de Sawarangan- 
rivier, en trok terug toen zij twee gekwetsten had gekregen. 
Ravesteijn, kommandant van Tanah Laut, zond dadelijk 
kapitein Boudier met 80 man derwaarts. Nabij de plaats 
waar de Rooij den vorigen dag den terugtogt had aange- 
nomen , werd de dienstdoende officier de Jonge met 30 man 
uitgezonden ten einde de versterkingen om te trekken. Bij den 



Digitized by VjOOQIC 



244 

aanval in front werd Boudier van verschillende kanten bescho- 
ten en ontdekte toen, dat de vijand op zeven punten langs een 
bogt der rivier borstweringen had opgeworpen. Boudier tast 
met den Sponder de grootste versterking aan ; na drie scho- 
ten hoort hij dat de Jonge in de omtrekking is geslaagd, 
zendt de voorhoede in den looppas op de hoofdbenting af en 
jaagt den vijand op de vlugt. Door de menigte versperringen 
was de vervolging onmogelijk; ook werden eenige soldaten 
door randjoe's gewond. 

Uit het vroeger rustige landschap Batoe Tongko was de 
bevolking verdwenen sedert de vijand de kampongshoofden bij 
nacht had opgeligt. Majoor Verspijck gelastte nu ook daar 
een versterking op te rigten. De kolonne aan wie die taak 
werd opgedragen, had (19 Junij) onder weg een kleine ont- 
moeting met den vijand ; ook moest de kruisboot die onder 
Perné vivres voor de bezetting aanvoerde, een versperring 
opruimen. Den 23^" echter was de palissadering reeds voltooid, 
de vijand gevlugt en kwam de bevolking uit de bosschen terug, 
om onder bescherming der bajonetten weder hunne woningen 
te betrekken. Vele gevangenen, ook het Hoofd van het distrikt, 
kiay Amidin, werden bevrijd door de patrouilles die wijd en 
zijd waren uitgezonden. 

De radja van Pagattan, door Verspijck naar Bandjer op- 
geroepen, had beloofd om met 150 gewapenden de bosschen 
aan de zuidkust van muitelingen te zuiveren; ook het hoofd 
van Pleiharie had reeds een wacht van 40 gewapenden ter 
been , om den omtrek dier plaats schoon te houden. 

In Junij werd de waterstand in de Barito zoo laag , dat 
volgens de berigten de schoorsteen der Onrust zigtbaarwas. 
De slechte toestand van de Kingsbergen en de afwezigheid der 
Boni beletten evenwel een nieuwe poging te doen om het 
wrak te ligten. Op het einde der maand Junij was het 
water geheel weggevallen. Wira Bangsa, een Hoofd der 



Digitized by VjOOQIC 



. 245 

Boven-Doesoen, meldde dat het dek der Onrust boven water lag. 
Voorgevende om vergififenis te willen vragen, doch welligt 
met een andere, verraderlijke bedoeling, zond Soerapatieen 
der zijnen naar het Hoofd van Doesoen Ilir ; doch toen deze 
hem den raad gaf naar Bandjer te gaan, maakte hij zich 
uit de voeten. 

Sedert er een blijvende versterking aan de zamenvloeijing van 
de Kapoeas en Kleine-Dayak opgerigt was , keerde de bevol- 
king in groeten getale terug. Pembekkel Laoet, Hoofd der 
Midden-Kapoeas, vroeg schriftelijk vergiffenis. Verspljck schonk 
hem die , onder voorwaarde dat hij de moordenaars van Ka- 
langan, die zich nog bij hem ophielden, uitleveren en het 
Hoofd van Sierat, uit de Boven-Kapoeas, tegen Soerapati 
ondersteunen zoude. Dit Hoofd was sedert lang in oorlog 
met Soerapati; over en weer werden nu en dan eenige kop- 
pen gesneld en daarbij bleef het. Vereenigde pembekkel 
Laoet zich nu echter met hem , dan kreeg Soerapati een 
geduchte tegenpartij. 

De voogden van den sulthan van Koetei zonden den brief 
van Antassari, dien wij boven mededeelden, naar Bandjer, 
en verzekerden dat in stede van aan den inhoud te voldoen, 
zij den vorst van Passir den raad gegeven hadden den opstand 
niet te ondersteunen. Door de Bali derwaarts te zenden , en 
den sulthan van Passir met het zelfde lot te bedreigen dat 
het Bandjersche rijk had ondergaan , indien hij zich niet van 
alle vijandelijkheden of hulp aan Antassari onthield, zette 
Yerspijck klem bij aan dien raad. Al de rijken op de oostkust 
ontvingen bij die gelegenheid afschriften van de proclamatie 
van H Junij , waarbij het Bandjersche rijk was opgeheven, 
terwijl de vorsten uitgenoodigd werden te Bandjer Ie ver- 
schijnen. De sulthan van Passir ontving den brief met de 
noodige eerbewij zingen, om het ven^aad dat hij pleegde des 
te beter te bemantelen. De sulthan van Koetei daarentegen 



Digitized by VjOOQIC 



246 

gaf ondubbelzinnige bewijzen van trouw aan het gouverne- 
ment en waakte tegen het invoeren van oorlogsmaterialen. 
Het Hoofd van Sembamban had aan een vroegere oproeping 
reeds gevolg gegeven en tot blijk van zijne goede gezindheid 
hadji Lolo, een der moordenaars van Tabanio, uitgeleverd. 

Hoewel de muitelingen niet in gebreke bleven om hier en daar 
de bruggen' te vernielen die met de nieuw aangelegde wegen 
gemaakt waren , werd er echter zoo vlijtig aan de verbetering 
der gemeenschap gearbeid dat weldra een 3 a 4 el breede 
weg gereed zou zijn van Tabanio , over Pleiharie , Martapoera, 
Moengoe Thayor, Amawang, Pantey Hambawang, Barabei-ie 
en Lampehon naar Amoenthay. Van al deze plaatsen liepen 
zijwegen naar oostelijk gelegen plaatsen , terwijl men westelijk 
eene goede gemeenschap te water had. 

Het doodvonnis over 6 inlanders die bij het uitbreken van 
den opstand den posthouder te Tabanio vermoord hadden, 
werd den 4«° Julij uitgesproken; de uitvoering van het von- 
nis zou te Tabanio plaats hebben. 

Ten gevolge der zware inspanning en van het opdroogen der 
vroeger overstroomde terreinen, was de gezondheidstoestand 
der troepen zeer ongunstig. 



Digitized by VjOOQIC 



HOOFDSTUK XIX. 



RHODE TE BATOB MANDIE. — BEZETTING VAN MOEARA TABALONG 

DOOR VAN OIJEN. — MISLUKTE POGING TOT OPLIGTING VAN 

DJEMANA. — TOGT NAAR MENGAPPAN. — VERKENNINGEN 

VAN BOUDIER. — ANTASSARi'S PLANNEN. — JULIJ 1860. 

Daar de krijg in Bandjermasin zich nagenoeg bepaalde tot 
een reeks van onbeduidende gevechten van kleine afdeelin- 
gen, die over het geheele land verstrooid waren, werd het 
patrouilleren een der voornaamste middelen om den vijand 
ten onder te brengen. Tegen één gevecht van eenig aanbe- 
lang zullen wij honderd patrouilles kunnen vermelden, die 
ieder op zich zelve schijnbaar geen of weinig resultaat ople- 
verden, doch in de werkelijkheid van het hoogste nut zijn 
geweest. 

Niet in het slag leveren op groote schaal , waarbij hon- 
derden en duizenden op één dag den bodem met hun bloed 
drenken, maar in het rusteloos najagen van strijdschuwe 
benden; niet in het stout oprukken van gesloten gelederen 
tegen een in slagorde geschaard leger, dat openlijk zijne 
krachten met den vijand meet , maar in een stalen volharding 
om onopgemerkt de zwaarste vermoeijenissen te trotseren, 
om in de digte wouden met gebrek en met een onzigtbaren vij- 
and te kampen, om zonder belooning van uitputting te be- 



Digitized by VjOOQIC 



248 

zwijken op een patrouille, wier gang welligt nooit vermeld 
wordt — daarin ligt dé verdienste van het Indisch leger. 
Die over bloedige veldslagen, over schoone taktische ma- 
noeuvres wenscht te lezen , neme geen boek over de Indische 
krijgsgeschiedenis in handen; die zich daarentegen eenig 
denkbeeld wil vormen van de bezwaren aan een Indischen 
veldtogt verbonden, ziet in de eenvoudige vermelding van 
alle patrouilles die uitgezonden worden, een kamp met de 
tropische zon, met een bijna ondoordringbaar terrein, met 
kwellend ongedierte. Hij ziet de soldaten bij iederen togt 
moerassen doortrekken, hand aan hand en met gesloten 
oogen rivieren doorwaden; in eiken grooten boom, — wier 
stammen van onderen door groote platte uitwassen , in den 
vorm van houten bladen , aan de wortels zijn verbonden — 
een natuurlijke versterking, waarachter de Bandjerees zich 
tegen ons vuur dekt, waardoor hij den tromp van zijn ge- 
weer rigt op het pad dat de patrouille volgen moet , om op 
het juiste oogenblik af te trekken , en daarna op handen en 
voeten onder de struiken weg te kruipen. Hij ziet de sol- 
dalen zwijgend door het stille woud rukken , elkander reeds 
op een afstand den boom aanwijzende, waaronder straks 
minstens één hunner zal gedood of gewond worden ; — de 
hinderlaag omtrekken is immers onmogelijk en de pligt roept 
voorwaarts. — Hij ziet den soldaat zorgvol in de digte strui- 
ken het hoofd wenden naar de regterzlide , den kant waar 
de vijand zich opstelt, omdat deze berekent dat de soldaat ten 
minste één sekonde noodig heeft om het ligchaam te wenden 
en het vuur te beantwoorden. Bij een geheime patrouille 
ziet hij hem luisteren naar de signalen op diezelfde houten 
bladen gegeven , die hel , maar duidelijk op een uur afstands 
klinken en hem verzekeren dat de marsch reeds ontdekt 
is. Bij een nachtelijke onderneming ziet ge hem het oog 
slaan op de van afstand tot afstand, in hooge boomen ont- 
stoken dammars, ten bewijze dat het verraad de patrouille 



Digitized by VjOOQIC 



249 

is voorgegaan. — Zeer betreuren wij het daarom, dat ons 
bestek niet gedoogt de bijzonderheden van elke patrouille te 
beschrijven, waardoor menig feit der melding overwaardig, 
stilzwijgend moet worden voorbijgegaan. 

Met uitzondering van een paar benden in het gebergte, 
was Araandit van vijanden gezuiverd; de goede weg, met 
hechte bruggen over de soengej's , die de bevolking van 
Amawang en Pantey Hambawang had gemaakt, was een 
zigtbaar blijk van hare onderwerping. Evenwel rezen er 
vermoedens op die de trouw van Djajapati en zelfs van 
het onlangs aangesteld distriktshoofd van Amawang, kiay 
Rana Mengala, in twijfel deden trekken. Het Hoofd van 
Taal werd vermoord. De patrouille derwaarts gezonden, 
vond den moordenaar voortvlugtig maar nam diens vader in 
hechtenis. Op een berigt, dat Antaloedin hout had laten vellen 
om een sterkte te Goedong Madang te bouwen, ging de V 
luitenant Verspijck derwaarts en vond bij een goed geko- 
zen punt 300 boomstammen gereed gemaakt. Antaloedin had 
evenwel de wijk genomen. 

Demang Lehman trachtte zich in het oostelijk deel van het 
landschap Allei staande te houden, terwijl de troepen hem rus- 
teloos vervolgden. Bode en Rhode vereenigden zich den 29^" 
Junij tot een kolonne van 85 bajonetten en bezochten ge- 
durende 3 dagen verschillende plaatsen in het gebergte; hier 
schoten zij eenige inlanders neer of namen hen gevangen, 
daar bestormden zij versterkte positiën, elders trotseerden 
ze de lansen der hadji's; overal verdreven zij den vijand. 

Strengaerts maakte den 8®" een verkenning langs de s. 
Gatal, en vijf dagen later een nachtelijken togt naar Siwaykey. 

Den 16®° Julij verliet Rhode met 70 bajonetten , ver- 
sterkt door 30 man onder Strengaerts van Pantey Hamba- 
wang , zijn post te Barabei-ie , om de versterkingen op te 



Digitized by VjOOQIC 



250 

zoeken die volgens ingekomen berigten Ie Batoe Mandie op- 
geworpen waren. Door vele hindernissen opgehouden, kiest 
hij tegen vijf uur een bivakplaals en ontdekt dat vier inlan- 
ders hem heimelijk volgen. Een hunner valt in zijn han- 
den; bij een poging om te ontvlugten, brengt deze aan een 
inlandsch soldaat een doodelijke wonde toe. Den volgenden 
dag ontwaart Strengaerts een veldwerk in den vorm eener 
flêche; het voorliggend terrein was met randjoe's beplant, 
terwijl aan de linkerzijde* hindernissen waren aangebragt, 
die bij het opruimen, bamboe-lansen met zekere kracht de- 
den losspringen. 

Strengaerts nam de versterking in den eersten aanloop. 
De hoofdsterkte waarop de vijand terug trok lag verderop. 
De gids was wel onderrigt en geleidde de voorhoede naar 
een gesloten benting in den vorm eener redoute, die dwars 
over den weg was aangelegd. Coevoet, dienstdoend officier, 
verkent de stelling ; daarna zal Strengaerts hem met de overige 
manschappen bij den aanval ondersteunen , doch een vijan- 
delijke kogel doet hem vallen. Rhode plaatst zich nu in 
persoon aan het hoofd, nadert onder een wel onderhouden 
vuur des vijands in den looppas de benting en verjaagt 
de bezetting; twaalf soldaten zijn gewond. Andere verster- 
kingen bestaan er niet — de gids verklaart het; daarom be- 
paalt Rhode zich voor heden tot de vernieling der genomen 
werken en keert daarop naar Barabei-ie terug. 

Wat de vijand niet door kracht van wapenen kon bereiken, 
trachtte hij door hst en verraad te verkrijgen. Beeds eenmaal 
kwamen inlanders, die zich als kooplieden voordeden, ver- 
giftigde levensmiddelen te koop aanbieden; gelukkig kostte 
het der bezetting geen slagtofTers. Een andermaal begaven 
zich een paar wraakzuchtige volgelingen van demang Lehman 
naar het kwartier der kettinggangers , dat nabij de sterkte 
lag , en boden lansen te koop aan. In gesprek met de ket-- 
tinggangers vielen zij eensklaps verraderlijk op hen aan^ 



Digitized by VjOOQIC 



251 

staken een paar man overhoop en namen toen de vlugt. 
Overal schuilde verraad; meer dan ooit moest de bezet- 
ting op hare hoede zijn. 

Moeara Tabalong (in Amoenthay) was een gewigtig punt 
waar vele wegen, zoo westwaarts van de Barito, als oost- 
waarts van Passir te zamen liepen. Het aanvankelijk plan 
om Danoe Redjo aldaar een versterking te doen aanleggen, 
werd opgegeven, toen 't bleek dat de moed daartoe aan zijne 
troepen ontbrak. Van Oijen besloot toen het zelf te doen en 
marcheerde (5 Julij) naar Tabalong, aan het hoofd van 400 
bajonetten, 1 houwitser, 4 mortier, en 400 man hulptroe- 
pen van Danoe Redjo met geweren voorzien. Dien dag kwam 
hij tot Kaloewa en bereikte (den 9«°) ongedeerd het punt 
waar de Tabalong kanan en kiri zamenvloeijen ; alleen de 
hulptroepen, die langs den regteroever gingen, hadden on- 
derweg eenige kleine schermutselingen met den vijand. Het 
bivak was dien avond het mikpunt der vijandelijke schutters, 
tot dat er door een paar kartetsschoten een eind aan het vuur 
werd gemaakt. Den volgenden morgen vond men den met bloed 
geverwden buikband van tommonggong Singapati, vroeger 
genaamd Lian, een der voornaamste Hoofden der opstan- 
delingen. 

Gedurende de volgende dagen hield men zich onledig met 
een redoute op te werpen, terwijl een gedeelte derkolonne 
met afdeelingen van 30 en 40 man de omstreken doorkruiste, 
die overal waar zij den vijand ontmoetten hem met verlies ver- 
joegen. Drie ruime en fraaije gebouwen van kampong Batoe 
Ramei, toebehoorende aan Hidayat en gedeeltelijk tot mu- 
nitiemagazijn ingerigt, werden aan de vlammen prijs ge- 
geven. Den 44«° werd de versterking bewapend met een 
houwitser en een eenponder, en betrokken door van der 
Wijck met 50 bajonetten en 30 man hulptroepen. Van 
Oijen keerde met de rest der kolonne gedeeltelijk per djoe- 



Digitized by VjOOQIC 



252 

kong, gedeeltelijk langs den oever marcherende terug, en werd 
onderweg nog dikwijls uit de verte beschoten, 't Was hem 
duidelijk dat de vijand zich in grooten getale boven Tabalong 
ophield en het later noodig zou worden om nog meer noord- 
waarts het land in te dringen en hem uit de bentings te 
verjagen die hij daar waarschijnlijk had opgerigt. 

Van der Wijck behoefde niet tot waakzaamheid te worden aan- 
gespoord; dagelijks toch verontrustten de vijandelijke schutters 
zijn post ; één oogenblik van zorgeloosheid zou hem en de zijnen 
in handen des vijands doen vallen. Op den 27*° Julij, toeneen 
onderofficier met 20 bajonetten een half uur te voren op 
patrouille was uitgerukt, werd hij vrij ernstig aangevallen. 
Zonder moeite sloeg hij dien aanval evenwel af, doch niet 
zonder verlies voor den vijand, die door de ijlings terug- 
keerende patrouille in den rug werd aangetast en verdreven. 
Een paar dagen vroeger hadden de muitelingen een transport 
vivres, dat van Amoenthay kwam, willen afsnijden; ser- 
geant Tamigo die met 24 man het konvooi dekte, wist hem 
echter op een afstand te houden. 

Verspijck achtte het noodig dien uitersten post meer zelf- 
standigheid te geven en gaf order om de bezetting met 1 
officier en 25 bajonetten van Amoenthay en het garni- 
zoen van laatstgenoemde plaats met 4 officier, 20 bajo- 
netten en een Sponder van Amawang, en met 2 officieren 
en 40 man van Bandjermasin en Martapoera te versterken. 
Aan den wensch van de bevolking te Lampehon, om ook 
door een post beschermd te worden, kon vooreerst niet vol- 
daan worden. Met het oog op Antassari, moest verdere 
versnippering van magt worden voorgekomen. Immers 
de berigten luidden dat dit opperhoofd alle krachten in- 
spande om den opstand een nieuw leven te geven. In 
het landschap Karrouw vereenigde hij een groole magl. 
Alle Hoofden van het noorden, van de Barito, zelfs Hidayat, 
zouden daar zamenkomen; de bevolking werd gedwongen de 



Digitized by VjOOQIC 



253 

wapens op te vatten; een bende Dayak Pari's stond ter zij- 
ner beschikking; de vorst van Passir had buskruid verstrekt, 
en weldra zou men in Benoea Lima vallen om alles te 
vernielen en de Hollanders te verslaan. 

Op het hoofd van Danoe Redjo stelde Antassari een premie 
van f 1200, op dat van ieder zijner zonen f 600. 

Den 10*" Jullj ontdekte Cavaljé nabij soengej Harang(Riam 
Kiwa) een magazijn van wapenen en padie. 

Door hulp van het distriktshoofd van Pengaron, kiay Soe- 
toleksono, was Baba een spion van Goena Widjaja ge- 
vat van wien men vernam , dat de pembekkel Taïb van 
Martapoera een verrader waé die Goena Widjaja van alle 
troepenbewegingen onderrigtte; dat het vijandelijk Hoofd 
Djemana door dien Taïb een schuilplaats was aangewezen te 
Goenoeng Boekit Mandie ; en dat door diens bemiddeling Hidayat, 
gekleed als een gewoon inlander , met Goena Widjaja een 
ontmoeting had gehad. Terwijl den kommandant van Mar- 
tapoera hiervan kennis werd gegeven, opdat hij Taïb in 
verzekerde bewaring zou nemen, kreeg del* luitenant Bakker 
last om met 25 man Djemana op te ligten. Bakker gaat 
's nachts om 3 uur op marsch , steekt de Riam Kiwa over 
en slaat den weg in naar Mangkau. Een halfuur gaans verder, in 
een bosch gekomen, verklaart Baba, die als gids is mede- 
genomen , den weg niet meer te kennen. Bedreigingen 
baten niet; hij wil de zijnen niet verraden. Op goed geluk 
dus dwaalt men door het bosch tot het aanbreken van den 
dag, toen S. Mangkau gezien en doorgetrokken wordt. Langs 
een vrij goeden weg brengt Baha de patrouille naar het huis 
van Djemana; maar het is reeds een paar uren dag; 't is dus 
te verwachten dat Djemana thans niet overvallen zal worden. 
Bakker omsingelt het huis en vindt het verlaten; door het 
digte struikgewas ziet hij nog een paar menschen de vlugt 
nemen ; er wordt op hen gevuurd, de vertrouwdste volgeling 



Digitized by VjOOQIC 



264 

van den pembekkel valt, maar Djeroana zeir ontkomt. Men 
vindt een voorraad kruid en lood, een trommel met geschrif- 
ten, en keert daarmede naar Pengaron terug. 

Oostwaarts van Baleh bleef de bevolking nog zwervende. 
Per publicatie, werd aan ieder vergiffenis toegezegd die 
zich van verdere vijandelijkheden onthield en naar den kam- 
pong terugkeerde. Een soortgelijke publicatie werd in de 
omstreken van Moengoe Thayor verspreid en gedurende eeni- 
gen tijd het patrouilleren gestaakt. Verspijck hoopte daar- 
door vertrouwen bij de bevolking op te wekken. 

In het begin van Julij liep het gerucht dat Hidayat en 
Amin Oelah met een aanzienlijke magt zich in de omstreken 
vanMengappan ophielden. Zonder uitstel werd een kolonne der- 
waarts gezonden. Graas verlaat (2 Julij) met den dienstdoenden 
officier Coenen en 80 bajonetten Martapoera, marcheert langs 
<ie s. Riam Kanan tot Bintjau, verder door eenige bewoonde 
kampongs tot Karang Intan, gaat de rivier over en betrekt 
het bivak, 's Anderendaags wordt de marsch voortgezet, 
den berg Batoe Anga overgetrokken , het afgebrande Wang- 
bankal doorgegaan, en na nog een rivier doorwaad te heb- 
ben op den berg Batoe Balimau gebivakkeerd. Den 4«" in 
de rigting van den heuvel Moengoe Tattouw oprukkende, 
krijgt de voorhoede onder Coenen, aan den top komende, 
een vrij hevig geweervuur, waardoor een flankeur sneuvelt. 
De bajonet verjaagt den vijand, die 400 pas achter- 
waarts andermaal positie neemt op den heuvel Sampong Alim- 
pang en zijn lillavuur opent. Graas laat zich met geen 
vuurgevecht in, maar neemt ook die positie met de bajonet; 
de vijand heefl eenige oogenblikken stand gehouden en laat 
5 dooden achter, lerw.ijl de bloedsporen den weg toonen, 
waar langs hij zijn talrijke gekwetsten in de wildernis ge- 
sleept heeil. Van onze zijde is een inlandsch fuselier gesneu- 
veld; Coenen en twee fuseliers zijn gewond. Ook uit een 



Digitized by VjOOQIC 



255 

derde positie wordt de vijand teruggedreven; achter de ver- 
hakking die daarna bereikt wordt, houdt hij evenwel niet meer 
stand. Daar heeft hij zijn bivak gehouden; de hutten toonen 
het aan. Gedurende het gevecht zijn de gidsen verdwenen; 
opzettelijk leidden zij de kolonne in het front der verster- 
kingen en waarschuwden niet dat men nabij den vijand was. 

Er werd doorgemarcheerd tot Amalang; daar werd het bivak 
betrokken. — Op het kompas ging het (den 5®") verder; men 
baande zich een weg door de wildernis en toen de avond 
gevallen was, wierp men zich neder om zich eenige uren 
aan de rust over te geven. Zonder vijand te ontmoeten werd 
den volgenden dag Mengappan bereikt; den 7«° drong de 
kolonne door tot op de grenzen van Tanah Laut waar men 
de bevolking rustig vond; den 8*'^° bereikte men Pamatton, 
den 9®" werd de weg naar Wangbankal ingeslagen en ont- 
moette men de kolonne Schiff. 

Schiff was namelijk met 50 bajonetten langs Goenong 
Lawak de kolonne Graas te gemoet gegaan, om gezamenlijk 
den omtrek at te patrouilleren; hij had den eersten nacht op 
een heuvel nabij Pamatton gebivakkeerd, en den volgenden 
dag in den vijandigen kampong Ranioe een zieken inlander 
gevonden, die niet had kunnen vlugten. Deze verklaarde 
dat het Hoofd der plaats, pangerang Soema Nagrat, zich 
met Amin Oelah , Joessoep en 300 man te Mengappan 
bevond. Vroeg in den morgen van den 7^" begaf Schiff 
zich daarom op marsch; had hij het geluk een der Hoof- 
den te ontmoeten en te verslaan, dan bestond er groote 
kans om de bende in de armen van Graas terug te drijven. Tot 
10 uur ontwaart men niets verdachts; toen rapporteert de 
spits dat er een huis in het gezigt is. Men nadert met de 
grootste omzigtigheid ; het gelukt werkelijk ongemerkt de wo- 
ning te omsingelen. Zestien muitelingen zijn daar vereenigd 
en verdedigen zich hardnekkig. Na een korten maar he- 
vigen strijd sneuvelen er vijftien. Het Hoofd Aboe Bra- 



Digitized by VjOOQIC 



256 

ham is er één van; en te oordeelen naar de kleeding en 
wapenen zijn het allen mindere Hoofden of aanzienlijken. 
Schiff vindt nog groote voorraadschuren van rijst en wape- 
nen, laat alles vernielen en vervolgt zijn marsch, tot dat hij 
's anderendaags Graas aantreft; zonder andere ontmoetin- 
gen komt deze (10 Julij) te Martapoera terug. 

Na afloop van dien togt gelastte Verspijck dat een deta- 
chement troepen gedurende een maand in die streken moest 
blijven, om de laatste vijanden te verjagen en de bevolking 
tot het terugkeeren in de kampongs aan te moedigen. Luite- 
nant Hamming daartoe gekommandeerd , bezette met 35 ba- 
jonetten een heuvel nabij Boekit Brasma Ketjil , legerde zich 
op den top in een loods die hy met behulp van rots- 
brokken in een min of meer verdedigbaren staat bragt , 
patrouilleerde dagelijks den omtrek af, met dat gevolg dat 
de zwervende muitelingen zich verwijderden en de bevolking 
tusschen Boekit Brasma en Martapoera weer rust genoot. 

Nabij s. AUan lag een stuk geschut begraven, volgens de 
legende van hooge waarde voor den Bandjerees. In het 
bijgeloot lag de grootste kracht der inlanders ; daarom was 't 
van belang dit stuk meester te worden. Den d^" luitenant van 
Emde werd die expeditie opgedragen. Aan het hoofd van 
een detachement en vergezeld van den gevangenen kiay Rangoe 
marcheert hij (23 Julij) naar s. Allan. In een digt bosch wijst 
Rangoe de plaats aan , waar gegraven moet worden ; wer- 
kelijk vindt men het stuk, ontgraaft het en zendt het naar Marta- 
poera. Slechts met eenige weinige manschappen gaat van Emde 
door naar Brasma Ketjil, waar de 4^ luitenant Hamming ge- 
detacheerd ligt en rukt op (24 Julij) naar Boekit Besaar. Hij 
trekt over een uitgestrekt , digt begroeid alang-alangveld. 
Eensklaps breekt er een hevige brand in uit, hij kan den weg 
niet vervolgen en wil terug gaan; maar ook déar komen hem 
de vlammen te gemoet. Te naauwernood ontsnapt hij aan het 
gevaar, doch komt behouden te Brasma aan. De Hoofden 



Digitized by LjOOQ IC 

\ 
1 

\ 



257 

van de vroeger vijandige kampongs Telok Pegat en Benoea 
Alat kwamen zich onderwerpen, vroegen toeslemming tol 
het weder opbouwen hunner kampongs en hulp van de 
regering om hunne kinderen te doen inenten. 

Van bhjvenden aard was de rust niet, die men in Tanah 
Laut na zoo vele beroeringen mogt verwachten. Gedu- 
rig werd het vuur van den opstand, doX men met regt hier 
en daar uitgedoofd waande, dooreen enkel Hoofd, dooreen 
enkel berigt weder aangestookt, 't Was genoeg dat Hidayal 
een zendeling afvaardigde, of zijn aanstaande komst in 
eenig gewest bekend maakte, om de bevolking op nieuw 
naar de wapens te doen grijpen. Hadji Boeyasin, die zich 
eenigen tijd buiten schot had gehouden, kwam ook weder 
op het tooneel. De meeste patrouilles die met hem in aan- 
raking kwamen, gingen van Batoe Tongko uit. 

Boudier maakte met 32 bajonetten (7 Julij) een verken- 
ning in de rigting van Tampok, om een overgangspunt aan de 
s. Sebohor te zoeken , voor het geval dat de tijding van het 
afbreken der brug te Telaga door Boeyasin, werd bevestigd. 
Aar den ingang van een digt woud komende, hoort hij hel 
geluid van een regelmatig geweervuur , nu en dan afgewisseld 
door schoten uit de donderbus. Dit komt hem zonderling 
voor. Het heeft den geheelen nacht geregend, het regent 
nog; hoe kunnen de geweren zoo goed vuur geven? 
waarom hoort men de kogels niet fluiten? Zijn argwaan is 
opgewekt, waarschijnlijk is het een nieuwe krijgslisl. Met 
de noodige voorzigtigheid trekt hij daarom het woud in; 
toch storten twee fuseliers in diepe, geheel voor het oog 
verborgen wolfskuilen; de randjoe's daarin geplant, stellen 
die manschappen buiten gevecht. Iets verder is de weg 
versperd door ontelbare randjoe's; bij de eerste poging om 
die op te ruimen, valt een zware boom over den weg, ge- 
lukkig zonder iemand te schaden. Het blijkt nu dat ver- 

il 



Digitized by VjOOQIC 



1^58 

scheidene boomen zoover ingekapt zijn, dat een geringe be- 
weging voldoende is om ze Ie doen vallen. Zonder groot 
verlies is hier aan doorkomen niet te denken ; de onzigtbare 
vijand die geen schot lost, zit verborgen en loerende het oogen- 
blik af te wachten , waarop hij de soldaten onder de boomen 
zal kunnen verpletteren. Op een uitgehoold blok heeft hij het 
geluid nagebootst van een geweervuur in de verte, om daar- 
door de onzen in de hinderlaag te lokken en te vernielen. 
Boudier's waakzaamheid verijdelt dit. Hij dringt niet verder 
door, marcheert een eind terug, en beproeft langs een an- 
deren kant de rivier te bereiken. Na een uur gaans gelukt 
het hem; de soengej is 15 pas breed en wordt overge- 
trokken door middel van een aan den stellen oever gevelden 
boom; vervolgens Tampok bereikt en onderzocht. Daar de 
gids den weg naar Telaga niet wist, werd de terugmarsch 
aangenomen. 

Den 24«" Julij zocht de dd. officier de Rooy met 25 man 
den vijand te Poeloe Satoe op. In een boschje schuilde een 
bende die hem eenige schoten toezond, waardoor een fuse- 
lier sneuvelt. De Rooy verjaagt den vijand en neemt zonder 
tegenstand een kleine versterking. 

Boudier ondernam den 27«° Julij andermaal den togt naar 
Telaga, nu met 45 bajonetten. Boeyasin had het pad , dat naar 
die plaats leidde , door wolfskuilen en randjoe's onbegaanbaar 
gemaakt en het terrein regts en links daaraan door vier verhak- 
kingen versperd; daarachter lagen zijne manschappen gedekt. 
Doch in weerwil van al deze beletselen, in weerwil vaneen 
goed onderhouden vuur, neemt Boudier die stelling stor- 
menderhand in; 't kost het leven aan den dapperen sergeant 
Groell, 't kost ons twee fuseliers die door het vijandelijk lood 
verwond worden , 't kost ons nog verscheidene anderen die 
door randjoe's buiten gevecht raakten, maar 't kost Boeyasin 
ook niet minder dan 15 dooden en gekwetsten. 

De bevolking leed inmiddels veel in de wildernis; de ont- 



Digitized by VjOOQIC 



259 

bering sleepte menigeen ten grave en bragt 't hare bij , om 
een gewillig oor te doen leenen aan de waarschuwingen van 
het bestuur tot medewerking aan den ondergang der muite- 
lingen, in stede van het bewaren eener onzijdigheid, die niet 
was vol te houden. Doch ook van onze zijde was de gezond- 
heidstoestand ongunstig; het aantal zieken nam dagelijks toe, 
en menig brave , op het oorlogsveld gespaard , slierf aan de 
gevolgen der vermoeijenissen in het hospitaal. 

De kalmte die eenigen tijd aan de Barito had geheerscht^ 
was slechts de voorbode geweest van een naderenden storm. 

Op het einde van Julij kwam er berigt van Marabahan, 
dat Antassari met 6 è 700 man van Teweh , Sihong en Moe- 
rong, eerst over land en vervolgens langs de soengej Ayo 
naar Rodok, de hoordplaats van het landschap Karrouw, was 
getrokken; dat hij overal de bevolking aanwierf, nu een 
benting te Ringkau Kattan bouwde, en het volk van Pattay 
en Sihong dwong om wegen te kappen naar Tabalong en 
Amoenthay; daarheen wilde hij zich wenden, om dood en 
verwoesting te brengen over het landschap dat zich aan de 
Hollanders had onderworpen. Een ander berigt meldde 
dat honderd Dayak Pari's de Barito zouden afkomen, om het 
stoomschip aan de Mengkatip gestationeerd het lot van de 
Onrust te doen ondergaan. Danoe Redjo, regent van Amoea- 
thay, bevestigde het een en ander in een schrijven van 
den 46«» van het licht Almoehram 1277 (5Aug.);hij voegde 
er bij , dat Uidayat Oellah reeds op weg was om zich met 
Antassari te vereenigen; dat een prins van Passir, Adjie 
Maas, hem acht vaten buskruid had aangebragt, en dat een 
prins van Koesan en pangerang Wira Kesoema bereids een 
benting te Karangan Poetih bezet hadden. 

Verspijck, gewoon aan overdreven opgaven van 'svijands 
magt, doorzag evenwel Antassari's plan , om langs de soengej 
Alabioe het land af te loopen en te verwoesten ; de bevolking 



Digitized by VjOOQIC 



260 

van Kaloewa te verjagen of onder zijn banier te scharen ; de 
scboone landstreek Amoenlhay andermaal in vuur en vlam 
te zetten, en den opstand welligt naar AUei te doen over- 
slaan. Hij begreep maatregelen te moeten nemen om dit 
te voorkomen. Reeds waren Tabalong en Amoenthay met 80 
bajonetten versterkt; nu werd een stoomschip nabij Negara ge- 
stationeerd om die plaats te beschermen, en in allerijl een 
kolonne zamengesteld, sterk 225 bajonetten, 2 kanonnen, 
4 houwitser, 2 mortieren, alle met bediening, 40sappeursen 
425 gewapende kettinggangers , die onder kommando van den 
majoor Koch met een stoomboot naar Kwalla Pattay en van 
daar langs de Sihongrivier tot Telang zou oprukken. 

Koch had in last zich verder, over Moeara Towo en Ta- 
meang Layang naar Awang te begeven en Antassari te 
Ringkau Kattan (verblijfplaats van Antassari's vrouw) aan te 
tasten of waar hij hem ook vinden mogt. 

Van Oijen kreeg te gelijk^er tijd bevel, met 400 bajonetten,, 
een mortier en eenige hulptroepen van Danoe Redjo, naar 
Awang te marcheren om zich daar met Koch te vereenigen. 
Op deze wijze zou een magt van 350 bajonetten tegenover 
Antassari gesteld worden en zou men hem beletten om in de 
onderworpen afdeelingen door te dringen. Om de kolonne 
Koch op hare sterkte te brengen, waren alle posten van Riam 
Kanam en Tanah Laut tot het minimum bezetting gebragt. 
Er was echter een suppletie van 455 man van Java aange- 
kondigd, die bij aankomst te Bandjer den kommandant in 
staat zoude stellen die posten spoedig weder op hunne vorige 
sterkte te brengen. 

De versterking te Kwalla Kapoeas was voltooid. Tommong- 
gong Moeda en tommonggong Singa Djaja, de voornaamste 
Hoofden der Beneden-Rapoeas, hadden zich onderworpen. 
Ook het Hoofd der Midden-Kapoeas, Djoeragan Kaoet, was voor- 
nemens tot dat einde de rivier af te komen. 



Digitized by VjOOQIC 



261 

Radin Ardi Kesoema, Schuldig verklaard aan medepliglig- 
heid aan den moord te Kalangan, werd veroordeeld tot 10 
jaren verbanning , en pangerang Sambaga Oelin tot een jaar 
gevangenis wegens het geven van valsche getuigenis. — De 
gouvernements-kommissaris keerde den 10^° Julij naar J^va 
terug en de kommissariale magt ging nu op den waame- 
menden resident over. 



Digitized by VjOOQiC 



HOOFDSTUK XX- 



EXPEDITIE NAAR KARBOUW. — LAMPEHON EN TAMEANO LAYANtt 

BEZET. — VERMEESTERING VAN BATOB MANDIE. — AANVAL OP 

KALOBWA. — INSLUITING EN ONTZET VAN TABALONG. — 

NIEUWE OPSTAND TE MARTAPOERA. — KORPORAAL RONO 

OP PATROUILLE. — AUGUSTUS 1860. 

Den 9«" Augustus scheepte de majoor Koch zijne magt in, 
aan boord van de Java, de van Os, een tjunia en 4 ijzeren 
laadschouwen, onder geleide van de kapiteins Graas en Schiff, 
de 4' luitenants Bakker, Reuter en Beeckman, de dd. officie- 
ren Thissen en van Oort der infanterie , den ^^^ luitenant 
Winter der artillerie , en den officier van gezondheid 2« klasse 
der marine la Cour. Hij bereikte den \\^^ de Sihongrivier, 
ontscbeepte onmiddelijk en rukte op naar Telang. Den 14^ 
was de expeditie in de sterkte van Soeth Ono vereenigd ; den 
45«°werd de marsch begonnen naar Tameang Layang , hoofd- 
plaats van Pattay. Daar de weg bijna geheel onder water 
stond en het eigenlijk pad uit een aaneenschakeling van boom- 
stammen bestond die in de lengte over den weg waren ge- 
worpen, kwam men slechts langzaam vooruit, zoodat Tameang 
Layang eerst den \Qi^^ werd bereikt. Haringan en Kirie 
werden verkend en verlaten gevonden. De marsch werd 



Digitized by VjOOQIC 



263 

den 17«° voortgezet en nu nog meer bemoeijelijkt door scho- 
ten van onzigtbare vijandelijke tirailleurs. Tegen 3 uur van 
den iS""" stootte de kolonne op een versterkte stelling, 
bestaande uit vier gepalissadeerde, opene werken, aange- 
legd in den vorm eens halven cirkels , achter een 6 el breede 
rivier waarover een brug van boomslammen lag. Eerst op 
400 pas afstands ontwaarde de voorhoede die versterking en 
werd ook op hetzelfde oogenblik met een vrij hevig vuur 
begroet. Tirailleurs en artillerie blijven het antwoord niel 
schuldig, en bespeuren al spoedig wankeling bij den vijand. 
Graas valt met een peloton op den regter-vleugel, met een 
ander peloton op het centrum der stelling aan; de verdedi- 
gers lossen nog eenmaal hunne geweren en trekken daarop 
terug. Reuier vervolgt hen een wijle , doch kan hen niel 
inhalen. Men vindt het lijk van Soeta Wangsa, Hoofd van 
Brekay en bovendien een menigte bloedsporen. Bij de ko- 
lonne zijn slechts twee man gewond. 

Ringkau Katlan, de kampong door Antassari tot hoofdplaats 
van het nieuwe Martapoerasche rijkbestemd, wordt (19 Aug.) 
verlaten gevonden. Antassari is met vrouwen en kinderen 
naar de Teweh gevlugt; zijn huis dient nu den expeditie-kom- 
mandant tot bivak. De spoedige verschijning der kolonne, 
lang voor dat Antassari ten strijde gereed is, heeft een ver- 
bazende uitwerking gehad; al zijn grootsche plannen vallen 
in duigen. De bevolkingen van Pakoe, Sangerwassie en 
Dayoe bieden reeds hunne onderwerping aan , en Koch krijgt 
last om op een geschikt punt aan de grenzen van Pattay 
en Karrouw een post op te rigten. 

De patrouilles door Koch in alle rigtingen uitgezonden, 
troffen nergens meer een vijand aan. Een gedeelte der ex- 
peditie, 67 bajonetten onder Beeckman, werd reeds den 
29^« Augustus naar Bandjer teruggezonden. Den 4^» September 
ging Schiff met 50 man vooruit naar Tameang Layang, om het 
terrein gereed te maken, waarop een versterking zou gebouwd 



Digitized by VjOOQIC 



• 264 

worden. Koch volgde hem den 3«», na eerst Antassari's 
woning en de benting van Ringkau Kattan met den grond 
gelijk gemaakt te hebben ; zes dagen later nam hij den terug- 
togt aan , Schiff met 80 bajonetten, de bediening voor twee 
stukken en eenige sappeurs achterlatende. Soeta Ono, Hoofd 
van Sihong, had zich bij deze geheele expeditie door zijn 
wakker gedrag, door zijne onvermoeide pogingen om de 
fcolonne in alles behulpzaam te zijn , als een getrouw onder- 
daan doen kennen. 

Zien wij thans wat er ten zelfden tijde in Amoenthay voor- 
viel. Onder het vuur des vijands had 4® luitenant Beijens 
(den S^'^) te Lampehon positie genomen , om daar een post 
op te rigten. Toen Eichelberg evenwel de verontrustende 
lijdingen omtrent Antassari's nadering vernam, liet hij Beijens 
te Amoenlhay terugkomen. 

Ten einde de gemeenschap tusschen Barabei-ie en Lampehon 
te beletten, had Djalirs bende onder panghoeloe Aboe Moedin 
te Batoe Mandie een benting opgerigt. Van Oijen die zich 
toen in Allei bevond, rukte er heen met 119 bajonetten en 
een Sponder. Tot Ilong bestond een goede weg, daarna 
ging de marsch door de wildernis tot aan deslerkte, die on- 
neembaar heette; front en flanken waren ongenaakbaar door 
verhakkingen , wolfskuilen , randjoe's , springlansen en strop- 
pen van tali idjoe, die bevestigd aan de toppen van omge- 
bogen boomen zóó geplaatst waren dat , wanneer de voet 
er in kwam, de boom zich met kracht oprigtte en de man 
met de beenen omhoog in de lucht hing. Eerst op 90 pas 
afslands werd de benting zigtbaar. De Reussij met 30 man 
den hoek omgaande , kreeg een salvo waardoor hij zelf en 
verscheidene manschappen gewond werden , terwijl de korpo- 
raal Kreuls sneuvelde. 

De Sponder vooruitgebragt zijnde, doet na eenige schoten 
het gejuich van den vijand verstommen. Hojel op zijde van 



Digitized by VjOOQiC 



265 

het pad voortdringende, wordt door een springlans en door 
een paar randjoe's in den voet gewond. Toch blijft hem de 
kracht over aan de bestorming deel te nemen, waarvoor wel- 
dra het signaal klinkt. Slechts langzaam nadert men de 
borstwering ; bij eiken pas moeten er hindernissen opgeruimd 
worden. Op weinige passen van de benting gekomen, snijdt 
de vijand de rottankoorden door, waarmede twee nagenoeg 
geheel doorgekapte boomen staande zijn gehouden, die nu met 
een zwaren slag nederstorten. Ëenige manschappen die het 
dreigend gevaar gezien hebben, zijn bijtijds op zijde ge- 
sprongen ; doch sergeant van den Bosch en korporaal Koudijs 
worden er door verwond , flankeur Jucher wordt er door 
verpletterd, een geweer als een hoepel omgebogen. Op het- 
zelfde oogenblik trapt flankeur Roeker in een strop van tali 
idjoe; hij wordt in de hoogte geslingerd, doch doorSmagge 
uit dien neteligen toestand verlost. Voor dat een derde 
boom valt, hebben Hojel en flankeur Smith de borstwering 
beklommen en heeft de vijand de vlugt genomen, 's Nachts 
wordt binnen het werk gebivakkeerd. 

Uit de sterkte te Karangan Poetih, waarvan de regent Danoe 
Redjo» reeds vroeger melding maakte, zond Antassari (9 Aug.) 
een bende van 500 man , — volgens sommigen door hem zelf 
aangevoerd — die de benting Kaloewa aanviel De bezetting al- 
leen uit hulptroepen bestaande, werd toevallig op dienzelfd en 
dag door een transport zieke soldaten versterkt. 

Tosraito namelijk, een inlandsch korporaal van het 7*" batail- 
lon was dien dag met tien zieken in twee djoekongs van Ta- 
balong vertrokken en onder weg door een twintigmaal sterke- 
ren vijand aangevallen. Bij de eerste schoten sprongen de roei- 
jers in de rivier, waardoor een vaartuig met vijf ernstige 
zieken omsloeg. Het water was gelukkig laag; de daarin 
gevallen zieken werden door hunne makkers binnen boord 
gehaald, en de togt werd vervolgd. Drong de vijand tedigt 
op, Tosmito hield hem met vijf der minst zieken door een 



Digitized by VjOOQiC 



266 

goed gerigl schot in bedwang ; zoo bragt hij het transport 
te Kaloewa waar hij zooveel zijne krachten het toelieten, 
nog medewerkte om de vijandelijke aanvallen af te slaan. 

's Anderen daags werd van Emde met 50 bajonetten van 
Amoenlhay gezonden om de bezetting van Kaloewa te ver- 
sterken. Hij kwam daar juist aan op het oogenblik dat 500 
man de benting op nieuw aanvielen; bij zijne nadering sloeg 
de vijand evenwel op de vlugt. Twee dagen later rukte van 
Emde, versterkt met 10 bajonetten en 40 man hulptroepen 
tegen Karangan Poetih op, wierp eenige granaten in de 
benting , en verjoeg de bezetting met de bajonet. Kaloewa kon 
toen weder adem halen. Nu zond vanOijen(18)eenkolonne 
van 64 bajonetten onder Eichelberg, van Emde en Beijens, naar 
Tabalong , van waar in de laatste dagen geen berigten meer 
waren ontvangen. Daér lag van der Wijck sedert vijf dagen 
omsingeld, door een duizendtal Dayaks , die rondom den post 
op zes punten kleine bentings hadden opgeworpen ; die nacht 
en dag, door beschieten en bekruipen de bezetting bedreigden 
en uitputten, en nu en dan een stouten aanval deden, 
doch telkens met bebloede koppen afgeslagen werden. An- 
tassari zelf stond aan het hoofd dier wilde horde. .Onder 
woest geschreeuw was (17 Aug.) de vlag van den pange- 
rang op de eerst voltooide benting geheschen, — eenroode 
vlag met twee gekruiste krissen. Daar lag van der Wijck 
en vijf en twintig soldaten met hem, ernstig ziek, maarniet 
ontmoedigd. Van zijn legerstede ga f hij bevelen, hij voorzag in 
alles; en als hel gevaar dreigender werd, als het krijgsge- 
schrei der woeste Dayaks naderbij klonk, verzamelde ieder 
zijn laatste krachten, en werd de aanval afgeslagen. 

Op vier uur afstands van Tabalong werd de kolonne Eichel- 
berg gedurende de morgenschemering van den 21«« op 
het bivak aangevallen door een bende Dayaks. Die aanval 
werd afgeslagen door een goed gerigt vuur , waardoor het 
hoofd der bende viel. Te 6 uur den marsch vervolgende, 



Digitized by VjOOQIC 




tX JLLafH 



Gt-drtikt Inj El.S^iU 



Digitized by VjOOQiC 



**iii2. L\ii^ lf\ï^< 

.^UBUC LIBRART 



Digitized by VjOOQiC 



267 

^loeg Eichelberg den vijand uil een sterke stelling, ont- 
haarde daarna de aan flarden gescholen driekleur boven onzen 
jpost te Tabalong, en vereenigde zich kort daarop rael van 
der Wijck. Hoewel verzwakt door een aantal zieken en 
gewonden , nam hij den volgenden dag de vier andere bentings, 
zoodat de luilenant Verspijck, die den 24<^° met 30 bajonet- 
ten gevolgd was, te Tabalong aankomende, den vijand ver- 
dwenen vond. Volgens latere berigten had deze voor Taba- 
long twee Hoofden en 130 man verloren. 

In diezelfde dagen werd een zendeling van Hidayal gevan- 
gen genomen , en ontdekte men dat er een plan bestond om 
den post te Amoenthay te overrompelen. Onder den schijn 
van godsdienstoefeningen te houden, was er in een vergade- 
ring in de missigit besloten om den post af te loopen tijdens 
hel grootste gedeelte der bezetting op patrouille zoude zijn. 
De veiligheidsmaatregelen door van Oijen genomen, verijdelden 
echter dit voornemen. 

Van Emde beproefde (den 22«") te vergeefs een weg van 
Tabalong naar Ringkau Katlan te vinden ; zijn gids verdwaal- 
de. Bij een tweede poging (den 24^°) met luitenant Verspijck en 
100 bajonetten (door ziekte kon Eichelberg het kommando 
niet op zich nemen) gelukte hel hem echter, en den 27^° was 
de verbinding tusschen de plaats waar majoor Koch gekomen 
was en Amoenthay daargesteld. De kolonne had met onge- 
loofelijke bezwaren te kampen gehad en was uiterst vermoeid. 

Ter naauwernood had men eenig berigt ontvangen van het 
bedwingen der opstandelingen in de noordelijke provinciën, 
of geheel onverwachts werd de rust verstoord in het hart 
van het Bandjersche rijk. 

Reeds den 27«ö Augustus liep er te Bandjermasin een 
gerucht dat de passars te Martapoera verlaten waren; toen 
dien dag ook de postpraauw te vergeefs op zich liet wach- 
ten, bestond er eenige reden tot bezorgdheid. Majoor Ver- 



Digitized by VjOOQIC 



268 

spljck liet dadelijk onderzoeken door wien die verontrus- 
tende geruchten verspreid waren , doch spoedig werd hij (28) 
uit de onzekerheid gebragt door eenige keltinggangers van 
Martapoera, die met gevaar van hun leven een extra rapport van 
den kapitein-kommandant Paternoster de Montlion aanbragten. 

Dit rapport hield nagenoeg het volgende in : 

In den namiddag van 25 Augustus had een spion aan 
Montlion berigt, dat de meeste vrouwen uit den kampong 
gevlugt en de passars verlaten waren. Hoewel de regent, 
bij den kommandant ontboden, hieromtrent geen inlichtin- 
gen wist te geven, nam Montlion zijne maatregelen van 
voorzorg. Dat deze niet overbodig waren bleek spoedig; 
want tegen den avond van den volgenden dag zag men een 
vijandige bende , onder leiding van zekeren pangerang Moeda 
zich buiten bereik van het geschut bewegen, hoorde men 
het krijgsgeschrei weergalmen en geweren afvuren. Kiay 
Djamidin, het distriklshoofd , kwam kort daarna berigten dat 
de versterking van alle zijden was ingesloten. 

Ten 6 uur in den morgen van 27 Augustus vertoonde zich 
de vijand in groote massa's en naderde langzaam steeds 
vurende om zich zelf moed te geven. Tot op 350 pas ge- 
komen, werd hij tegengehouden door een paar kartets- en 
kogelschoten , en spoedig tot den terugtogt gedwongen. De 
bezetting was slechts 100 bajonetten sterk; tegenover die 
digte drommen was een uitval niet raadzaam. Montlion be- 
paalde zich dus tot de verdediging. 

Een ijzeren praauw mét vivres werd door eenige vijanden 
geplunderd. Mandor Tassa verjoeg hen met 30 matrozen , lag 
de praauw binnen het bereik van het vuur van den tamboer, 
die door één korporaal en 7 man was bezet, en nam er zelf 
de wijk in. De tamboer werd nu door een groote overmagt 
aangevallen, doch zoo goed verdedigd, dat de vijand met 
verlies van A dooden, die de rivier afdreven, en 15 gekwet- 
sten moest afdeinzen. 



Digitized by VjOOQIC 

i 



269 

's Avonds tegen 6 uur werd de hoofdversterking weder 
aangevallen. De vijand bragt op 250 pas lilla's in bat- 
terij , stelde zich op dien afstand min of meer gedekt op, en 
hield een uur lang stand onder het vuur der bezetting; 
toen werd hij genoodzaakt de wijk te nemen naar de over- 
zijde der rivier. Korten tijd daarna hoorde men geweerscho- 
ten aan de rivierzijde; een patrouille op verkenning uilge- 
zonden , ontmoette een inlandsch korporaal Seroba , die met 
4 fuseliers en 20 matrozen, ter geleide van twee ijzeren 
laadpraauwen van Pengaron komende, zich door den vijand 
heengeslagen had met verlies van een doode en 3 gekwetsten. 
Tot belooning bevorderde Verspijck hem tot sergeant. 

Den 27^" was een detachement van 50 infanteristen , 
waarvan slechts 12 man met geweren gewapend, in twee 
laadpraauwen naar Martapoera vertrokken en op een half uur 
van die plaats gewaarschuwd door de kettinggangers die het 
rapport overbragten. De officier van gezondheid 3® klasse 
Slamler was dienzelfden dag op eigen gelegenheid op marsch 
gegaan naar Martapoera; wat was er van hem geworden? 

Hoe kon de bevolking van een gewest dat geheel onder- 
worpen en onder een geregeld bestuur was gekomen, zoo 
plotseling als één man opstaan, zonder dat de regent daarin 
een verraderlijke rol speelde ? Hoe was het mogelijk dat het 
werk van zoo veel maanden in een oogwenk vernield werd , 
het gebouw, met zooveel geduld, volharding en opoffering 
opgetrokken, zoo onverwachts ineenstortte? 

Hoe onbegrijpelijk de opstand ook was, er moest gehan- 
deld, geholpen worden. De sleper van Os lag klaar met 
60 manschappen tot versterking van de posten in Amoen- 
thay en AUei. Verspijck gelastte aan Ravallet, Boers en 
Sloecker, om zich onmiddelijk op de van Os in te schepen 
en naar Martapoera te stoomen. De post te Mataraman, 
sterk 22 bajonetten onder een adjudant-onderofficier onlangs 
weder opgerigt, moest ten spoedigste ondersteund worden , 



Digitized by VjOOQIC 



270 

om de gemeenschap met Pengaron en Moengoe Thayor te 
herstellen. Had die handvol soldaten zich kunnen staande 
houden? Hamming lag met een klein detachement te Batti 
Balti in het distrikt Maloeka ;• ook hij moest gewaarschuwd 
worden om — als het nog tijd was — op Pleiharie terug te trek- 
ken. De regent van Martapoera , en ook pangerang Mohamad 
Tambak Anjer wiens trouw verdacht werd, moesten gearres- 
teerd, de kampongs Martapoera en Kajoe Tangie getuch- 
tigd, Pengaron versterkt worden. 

Inmiddels was het detachement tot aanvulling (den 28<^°) 
's morgens te 10 uur te Martapoera aangekomen, had zich 
door den vijand heengeslagen en zich in de versterking ge- 
worpen. Montlion verstrekte lansen aan de ongewapenden 
en nam nu dadelijk het offensief aan. Dertig bajonetten 
onder Gaspersz , een houwitser onder Borel, en eenige gewa- 
pende inlandsche matrozen onder Floquet en Jacob, rukten 
uit, namen positie bij den tamboer en openden het vuur 
op den kampong. Toen er een paar granaten in demissigit 
sprongen, koos de vijand het hazenpad. Uit een tweede op- 
stelling werden daarna de huizen beschoten , waaruit de vijand 
onophoudelijk een geweervuur op de sterkte onderhield ; spoe- 
dig ontruimde hij den kampong ook van die zijde. Om 3 uur 
ontving de dappere Serola een ernstige verwonding, toen hij, 
tot redding van eenige goederen, onder Floquet op patrouille 
naar de rivier was uitgerukt. 

Montlion besloot toen aan het vuren van den vijand voor 
goed een einde te maken, zond andermaal een sterke pa- 
trouille uit onder den luit. kwartiermeester Glondemans, 
waarbij Borel met een houwitser en eenige kettinggangers 
gevoegd waren. De vijand had zich weder in den kampong 
genesteld ; toen hij van daar verjaagd was , werd de kam- 
pong in brand gestoken. Daarna de rivier overtrekkende, 
stak de patrouille ook daar de huizen inbrand. TweeEuro- 
pesche onderofficieren werden bij die gelegenheid gewond. 



Digitized by 



Google 



Ml 

's Avonds hoorde men een levendig geweervuur in de rigting 
van kampong Rajoe Tangie. Tegen 5t uur namelijk was de 
van Os Ie Tankas gekomen en door het lage water belet verder 
Ie stoomen. Ravallet ontscheepte toen , marcheerde door 
den verlaten kampong Moeara Tambangan, verdreef den 
vijand naar Kajoe Tangie, maakte een paar gevangenen, 
schoot nog eenige Bandjerezen in den kampong Martapoera 
neer en kwam tegen 6 uur in de versterking. 

Malaraman werd (den 28*^») op 42 man gebragt ; ook tegen 
Moengoe Thayor was niets ondernomen; alleen werd de 
brievenpost die door 12 bajonetten begeleid was, uit een 
hinderlaag nabij Passar Djatti beschoten , waardoor twee 
man gewond werden , de vijand kreeg twee dooden. Boers 
ging den SI**" dien kampong tuchtigen. Omtrent Stamler 
vernam men (5 September) dat hij tusschen Tankas en 
Koeda Tambangan aangevallen en door het omslaan der 
praauwen verdronken was. De twee roeijers hadden zich 
jdoor zwemmen gered en zich eenige dagen in de wildernis 
schuil gehouden. 

Caspersz vertrok (30 Aug.) met 40 baj. naar Batti Batti, 
vond het detachement onder Hamming ongedeerd en keerde 
er mede naar Martapoera terug. Stoecker zuiverde Bintjau 
en vond de andere kampongs bewoond. 

Juist kwam het aangevraagde halve 13^ bataillon infanterie 
onder majoor Schuak tot versterking van Java te Bandjer aan. 
Verspijck nu niet meer bezorgd voor de rust te Bandjermasin, 
vertrok zelf naar Martapoera en gelastte dat een kompagnie 
hem den 3*^° zou volgen. 

Onder de vorsten en groeten heerschte groote vrees voor 
de wraak van het gouvernement. Dadelijk kwamen de mufti 
en panghoeloe vergiffenis vragen voor de bevolking der 
omliggende kampongs ; »zlj hadden zich laten verleiden 
door de beloften van eenige dweepers die hun de schoonste 
toekomst hadden voorgespiegeld, doch begrepen thans het 



Digitized by VjOOQIC 



272 

dwaze van hunne ligtgeloovigheid , gevoelden thans groot 
berouw, en zwoeren eeuwige trouw." Verspijck ontbood 
alle Hoorden en pangerangs in het fort, zonder gevolg, on- 
gewapend, onmiddelijk. De meesten kwamen, — ontdaan, 
verlegen , huiverig , — doch zij kwamen. Eenige der meest 
schuldigen waren gevlugt. 

Diep gebogen, demoedig zaten zij in een grooten kring aan 
de voeten van den vertoornden resident, die hun den zwarten 
ondank onder het oog bragt , waarmede zij de goedheid van 
het gouvernement hadden beantwoord. Immers het uitbreken 
van den opstand op de plaats waar zij gevestigd waren , zoo 
onverwacht , zoo algemeen , kon niet plaats gehad hebben 
zonder hun voorweten , zonder hunne medewerking. En 
wat had die opstand uitgewerkt ? Slechts hunne onmagt , onze 
kracht was er te meer door in het oog geloopen. Honderd- 
vijftig dwazen hadden het met hun leven geboet. Nu was 
het geduld echter uitgeput. 

Van stonde aan was elk Hoofd verantwoordelijk voor. 
elke ongeregeldheid die mogt voorvallen op de plaats waar 
hij woonde. Die den regent niet onmiddelijk kennis gaf van 
elke afwijking , van de geringste wanorde, werd het verblijf te 
Martapoera ontzegd, verloor zijne apanages, kon een straf 
verwachten die niet alleen hem, maar zijn geheele geslacht 
zou treffen. Eenige pangerangs die te Tambak Anjer woon- 
den op de plaats waar de vijand zich vereenigd had , moes- 
ten reeds dadelijk naar Bandjer vertrekken. Het was niet ge- 
noeg , dat de kampongsbewoners zich onthielden van vijan- 
delijkheden, zij waren verpligt de kwaadwilligen als vijanden 
van het gouvernement te behandelen , hen gevangen te ne- 
men, en naar het fort te brengen ; kwam de vijand in grooten 
getale, zij hadden slechts het bestuur te waarschuwen en hulp 
zou hun verleend worden. Die te zwak was om zijn pligt 
te vervullen , kon niet te Martapoera blijven ; die vriendschap 
huichelde en in het geheim de bevelen van het gouverne- 



Digitized by VjOOQIC 



273 

ment tegenwerkte, zonder genade werd hij als verrader in het 
stof getrapt. Wee den Irouwelooze , die zich zelf en zijne 
betrekkingen in het ongeluk stortte! 

Er waren onderscheiden pangerangs, die tegen de verant- 
woordelijkheid, hun opgelegd, te veel opzagen en vergunning 
vroegen om naar Bandjer te mogen verhuizen; weer anderen 
die trouw zwoeren. De regent schaamde zich over zijne na- 
latigheid; het distriktshoofd had hem van alles onkundig , ge- 
heel buiten bemoeijenis met de dagelijksche zaken van bestuur 
gelaten; hij vroeg vergiffenis, beloofde voortaan beter zijn 
pligt te betrachten en, om van zijn ijver te doen blijken, 
bood hij aan, aan het hoofd van 200 kampongsbewoners de 
omstreken van vijanden te zuiveren. 

Verspijck had geen beter Hoofd beschikbaar tot vervanging 
van den regent en rekende op de spoedige terugkomst van 
den kapitein Koch uit Karrouw , om het bestuur der afdee- 
ling Martapoera met kracht te herstellen. 

Nu was het de beurt aan de pembekkels en kampongs- 
hoofden om voor den resident te verschijnen, zijn misnoegen 
te vernemen en overtuigd te worden dat zijne bedreigingen 
geen ijdele klanken waren; want tijdens de vergadering 
had de strafoefening plaats van hadji Seman, schoonvader 
van sulthan Tamdjid lllah, van den wraakzuchtigen geest- 
drijver die zich aan het hoofd des opstands had geplaatst. 
Met nog vier andere boosdoeners, door den krijgsraad ter dood 
veroordeeld , werd hij opgehangen ; en nog \66r dat hunne 
lijken, die tot schrik der bevolking 24 uren moesten blijven 
hangen, van de galg waren afgenomen, had de bevolking 
alom reeds de wapenen ingeleverd en haar onderwerping 
met eede bevestigd. 

Eenheid van handelen tusschen de Hoofden der opstande- 
lingen in de verschillende deelen van het rijk bestond er niet , 
want in de overige afdeelingen bleef de rust ongestoord. De op- 
stand van Martapoera, de aanval op de bezetting was een 

18 



Digitized by VjOOQIC 



274 

op zich zelf staand feit , een ondoordacht waagstuk dat uit- 
ging van een geestdrijver, die zich inbeeldde dat de gelegen- 
heid schoon was om een honderdtal soldaten van kant te 
maken. Meineed en verraad waren de voornaamste wapenen 
waarvan de Hoofden zich bedienden; meineed en verraad ken- 
merkten zelfs de handelingen der Hoofden die uit eigen bewe- 
ging toegetreden waren en geene betrekkingen hadden aan- 
genomen. Elke maatregel van het bestuur werd verlamd 
door de ontrouw der Hoofden; bij elke handeling moest 
het bedacht zijn op de kans van misleid te worden door zijn 
eigen inlandsche ambtenaren. Er behoorde een ijzeren hand 
toe , een onverzettelijke wil, een taai geduld, om onwrikbaar 
voort te gaan op den ingeslagenen weg, om bij zoo veel trouw- 
loosheid zich niet tot wraak te laten vervoeren ; om niet te ver- 
geten, dat men een volk bestreed dat op zijne eigenaardige 
wijze oorlog voerde; dat hier een volk voor zijne vrijheid 
kampte en tegen zijn wil uit het slof moest worden opge- 
heven. Uit zulke rottende elementen een geordende maat- 
schappij zamen te stellen, was een reuzenwerk. 

Te Amawang deed zich weder een geval voor, dat be- 
wees hoe men nog steeds op zijn hoede moest zijn te- 
gen verraad. Gedurende de laatste maanden was de rust 
in die streken ongestoord geweest; de patrouilles der be- 
zetting waren reeds gewoon overal met de meeste wel- 
willendheid ontvangen te worden. Van lieverlede werden 
de maatregelen van veiligheid verwaarloosd; althans sergeant 
Pinto scheen den 27*^° te veel op de goede gezindheid der 
bevolking vertrouwd te hebben. Met 15 man over s. Koe- 
doeng en Tabalo huiswaarts gaande, wordt hij geheel onver- 
wachts van achteren aangevallen door 50 inlanders, die zich 
in de belendende huizen verborgen hadden. Met den kle- 
wang in de hand .valt men de patrouille op het lijf en houwt 
in een oogenblik den patrouille-kommandant, den sergeant 
HuUeman en vier fuseliers neer. Rono, een inlandsch kor- 



Digitized by VjOOQIC 



375 



poraal, verliest bij die overrompeling het hoofd evenwel niet. 
Hij neemt het kommando op zich, schiet hel kampongshoofd 
dood, schaart zich met zijne manschappen om de zwaar ge- 
kwetsten, verdedigt zich dapper, legt nog 4 vijanden neer, 
verjaagt de overige, en brengt de patrouille, al de gewon- 
den, en zelfs het afgehouwen hoofd van den verraderlijken 
pembekkel te Amawang. 

Perné verloor (4 Augustus) op patrouille in Tanah Laut 
een fuselier door eeri kogelschot. Abdoel Kahar, Hoofd van 
Maloeka, verjoeg de muitelingen uit de versterking, die zij 
in zijn dislrikt hadden opgerigt. Toen hij kort daarop be- 
dreigd werd door een groote overmagt, zond men de be- 
zetting van Brasma Ketjil tot zijn ondersteuning naar Batti 
Batti. Dit detachement rukte bij het uitbreken van den op- 
stand te Martapoera weder in. 

De Brauw, die 's anderendaags den kampong kwam straffen, 
zag tot zijne teleurstelling de bevolking ontvlugten. 

Uit de verklaringen van gevangenen bleek het dat Hidayat 
een geregelde briefwisseling met den sulthan van Passir 
voerde en gedurig buskruid en lood van hem ontving. Daar 
bovendien de sulthan tot nu toe weigerde om te Ban- 
djer te komen, waar hij zijne aanstelling door den Gouver- 
neur-Generaal geteekend moest ontvangen, werd het duide- 
lijk dat, zou het Bandjersche rijk ooit tot rust komen, ook 
hij onschadelijk moest gemaakt worden. 



Digitized by VjOOQiC 



HOOFDSTUK XXL 



GROOTERE KRACHTSONTWIKKELINÖ VAN DEN VIJAND. — REUTER 
BIJ TAMBARANÖAN. — KRIJGSVERRIG TINGEN IN RIAM KIWA 
EN KANAN. — HADJI BOEYASIN IN TANAH LAÜT. — 
HERHAALDE AANVALLEN OP BOEKIT MADANG. — 
ARRESTATIE VAN ABDOELLAH. — SEPTEM- 
BER 1860. — 

Waarin moest de vernieuwde poging tot opstand gezocht 
worden? 

Voordat de proclamatie was uitgevaardigd, waarbij het 
Bandjersche rijk ophield te bestaan, verkeerden de meeste 
Hoofden in het denkbeeld dat het Nederlandsch gouverne- 
ment nog eenmaal zou toegeven aan den wensch van het 
volk, en Hidayat als sulthan erkennen. Toen nu tegen aller 
verwachting met de proclamatie van H Junij het lot van 
Bandjermasin onherroepelijk was beslist, toen én Hidayat 
èn Antassari zich voor goed den pas zagen afgesneden om 
ooit tot het sulthansschap te geraken, tóen werd er beslo- 
ten de handen ineen te slaan en een nieuwe, krachtige po- 
ging aan te wenden om het gehate juk af te werpen. 

Hadden er bij of kort na de afkondiging van die pro- 
clamatie, zich teekenen van ontevredenheid bij de bevolking, 
van verbittering bij de grooten te Martapoera voorgedaan, 



Digitized by VjOOQiC 

) 



«77 

niets zou natuurlijker zijn gevonden. Het bestuur was op 
woelingen voorbereid , en had zijne maatregelen van voor- 
zorg genomen. Alles bleef echter kalm, en toen er zes 
weken verloopen waren zonder eenige beroering, mogt men 
aannemen dat de inlijving zonder schok geschied was. 

En toch had die proclamatie diepe wonden geslagen. Niet 
alleen de twee prinsen die naar den troon stonden, maar 
ook de meeste pangerangs en al de priesters zagen hunne 
magt en^ hun invloed in rook verdwijnen. Hadden zij echter 
de middelen om zich te verzetten? Hunne krijgsbenden, voor 
eenige maanden nog zoo talrijk, waren uiteen geslagen, ont- 
moedigd, verdeeld en verspreid over alle gewesten. Zen- 
delingen moesten in alle rigtingen uitgezonden worden om 
die afdeelingen te vereenigen; priesters moesten den moed 
op nieuw trachten op te wekken door een godsdienstkrijg 
Ie prediken. Er behoorde dus tijd toe om gemeenschap- 
pelijk, met vrucht te kunnen handelen; en terwijl men zijne 
krachten ongemerkt om Martapoera zamentrok, moest de 
krljgsmagt der overweldigers zoo veel mogelijk verspreid 
worden. Terwijl de Hollanders in het noorden gelokt wer- 
den, zou men Martapoera en de posten aan de Riam Kanan 
met overmagt van volk van Bandjermasin afsnijden. 

Tot dat einde spoorde men de benden in Amoenthay en 
Tabalong tot groote bedrijvigheid aan; tot dat einde rukte 
Antassari met een Dayaksche magt in Karrouw; doch toen 
majoor Koch met alle beschikbare bajonetten zonder uitstel 
derwaarts werd gezonden en Antassari naar het noorden 
terug dreef, toen de echt-Indische, d. i. gebrekkige orga- 
nisatie der vijandelijke troepen een snellere vereeniging 
belet had en een juiste zamenwerking onmogelijk maakte, 
toen verliep het gunstige oogenblik en scheen de opstand 
te Martapoera op den S6«" Augustus een op zich zelf 
staand, aanvankelijk onverklaarbaso* feit. Ware het plan ook 
met meer overleg ep. grootere Aaauwikeurigheid.uitg0.voecd,ge- 



Digitized by VjOOQIC 



278 

worden, toch zou het schipbreuk geleden hebben op de kracht 
onzer wapens, op den moed onzer troepen; nu het mis- 
lukte, had het alleen ten gevolge, dat de guerilla-krijg om 
Moengoe Thayor en Amawang, in de bergachtige streken 
van de Riam Kanan en Kiwa en in het zuiden' van Tanah 
Laut nieuw voedsel kreeg , daar de magt van Martapoera was 
verdreven; dat de verslagen benden van Antassari zich bij Dja- 
lil voegden, de oorlogsfakkel gedurende de gelukkige maan- 
den StrafFar en Moeloed (Augustus en September) bijna op 
alle punten van het Bandjersche rijk op nieuw ontstoken 
werd en de opstandelingen met buitengewone hardnekkig- 
heid streden. 

Laten wij thans de verrigtingen onzer troepen in de ver- 
schillende afdeelingen der residentie volgen. 

Majoor Koch, assistent-resident van Martapoera, kwam den 
il" September van Karrouw terug, werd te Bandjer ingelicht 
omtrent den stand van zaken, en vertrok daarna met 60 
manschappen van het 9^ bataillon infanterie naar zijne resi- 
dentie. Daar bevond zich thans een troepenmagt van 360 
bajonetten, groot genoeg om den vijand in die afdeeling 
het hoofd te biedep, onvermoeid te vervolgen en uiteen te 
jagen. De patrouilles onder den dd. oflicier Backerus, luitenants 
Hamming en Stoecker, van den 3«» tot den 6«" door den omtrek 
gemaakt, hadden geene ontmoetingen. De 2« luitenant Pot- 
thast die te Moengoe Thayor kommandeerde, was' echter door 
vijanden omringd. Hamming, voor Mataraman bestemd, ging 
met 40 man naar Moengoe Thayor, om eerst den omtrek 
van dien post te helpen zuiveren. Op marsch derwaarts 
werd hij op een alang-alangveld in de flanken bestookt, en 
schoot drie man neer die bij het ontvlugten zich bloot gaven. 
Toen Potthast hem daarna mededeelt, dat een bende zich te 
Tambarangan ophoudt, rukt hij nog denzelfden dag verder. 
Tegen 5| uur nadert hij den kampong. Een schildwacht 



Digitized by VjOOQIC 



279 

geeft mei een schot het leeken van alarm; de vijand vuurt 
in het wilde en ontvliedt. Tarabarangan wordt geheel verlaten 
gevonden. 

Tegen 3 uur 's morgens (7 September) marcheert Pot- 
thast met 35 man naarRoempanang, waar zich ook vijanden 
moeten bevinden. De spits ontdekt twee groote huizen, 
waarbij een bende van 150 man gelegerd is. Stil en on- 
gezien nadert de patrouille tot op 80 pas, brandt eens- 
klaps los, en valt onmiddelijk daarna met de bajonet 
aan. De vijand wijkt, doch verzamelt zich aan het einde 
van den kampong ; nog een salvo , nog eens de punten 
der bajonetten vooruit, en geen vijand is er meer te zien. 
Het eerste salvo heeft 8 man geveld; de bedaardheid der 
soldaten is groot geweest; een aantal vuur- en blanke wapens 
valt in hunne handen. 

's Anderendaags verneemt Hamming dat de vijand zich te 
Tambarangan herzameld heeft, en gaat in den nacht van 9^ 
September met AO bajonetten derwaarts. De eerste brug 
is afgebroken; verderop verspert een omgehouwen boom 
den weg. Men trekt dien om en stoot op een vijandelij ken 
schildwacht; de spits schiet hem neer. Dit schot geeft den 
vijand het signaal om uit twee versterkingen, waar de patrouille 
tusschen gekomen is, zijn vuur te openen; van onze zijde 
wordt hel niet beantwoord; met spoed doormarcherende, wordt 
nog een modderachlige soengej overgetrokken en op een 
open vlakte in carré het daglicht afgewacht. De vijand 
heeft zijne versterkingen, hem nu nutteloos geworden, ver- 
laten en een heuvel bezet. Hamming verdrijft hem uit die 
stelling, maar staakt de vervolging omdat hij geen ketting- 
gangers heeft om zijn 4 gekwetsten te dragen. 

Daar het aantal muitelingen steeds aangroeit, brengt majoor 
Koch de sterkte van Moengoe Thayor op 100 bajonetten, 
en draagt Reuter het kommando op. Deze marcheert (den 
21*° September) met 58 bajonetten over Martagiri, Benoea 



Digitized by VjOOQIC 



J 



280 

Padang en Tambarangan; hij vindt de bevolking overal schijn- 
baar rustig, doch verneemt dat de vijand, 100 man onder ze- 
keren Singa Djaja, in een versterking nabij Tambarangan stand- 
houdt, terwijl 200 anderen op fourageren van levensmiddelen 
zijn uitgegaan. Spoedig klinkt het geweervuur uit viec 
kleine flêches, gelegen aan de zuidzijde van een ravijn dat 
den weg doorsnijdt. Met verlies van drie gewonden worden 
die versterkingen genomen. Aan de overzijde vanhetraviyn 
ligt een grootere benting in den vorm eener redoute; daaruit 
opent de bezetting thans een levendig vuur. Reuter wijst de helft 
zijner magt een goede stelling aan, en valt met de andere 
helft op de benting. Aan de borstwering gekomen, ziet hij 
zich slechts gevolgd door twee onderofficieren (During en 
Gerlings) en twee flankeurs (van Alphen en Balsiger) ; de in- 
landsche soldaten zijn achtergebleven ; ze durven niet, ze gehoor- 
zamen niet. Onder een regen van werpspiesen houdt Reuter 
evenwel stand; flankeur van Alphen wil het eerst over de 
pahssaden binnendringen, maar een lanssteek doodt hem; 
sergeant Gerlings krijgt een kogel in de borst en sneuvelt; 
nu moet Reuter wel terug. Meer dan tien pas wijkt 
hij echter niet ; daar staan eenige boomen die dekking 
aanbieden; hij spreekt zijne flaauwhartige soldaten toe, 
kommandeert nog. eenmaal voorwaarts, doch staat weder 
alleen met During en Balsiger onder de palissadering. Door 
een werpspies gewond en niet ondersteund, retireert hij 
ten tweeden male en bepaalt zich nu tot het neerschieten 
van iederen vijand die zich boven de palissadering vertoont. 
De gewonden worden naar Moengoe Thayor gezonden, en 
de Sponder tot versterking aangevraagd. Voor dat deze 
evenwel kon aankomen, ontving de vijand versterking, en deed 
een uitval die hem echter twee dooden en verscheidene ge- 
kwetsten kostte; daarna viel hij de kolonne uit het bosch 
in den rug aan, doodde op zijne beurt twee fuseliers en 
verwondde een flankeur. Reuter is nu verpUgt terug te 



Digitized by VjOOQIC 



281 

trekken; want blijft hij met zijne lafhartige soldaten langer 
staan , dan zal hij bij nieuwe verliezen de lijken der gesneu- 
velden moeten achter laten. Hij trekt dus terug, maar be- 
daard; die den pas versnelt, zal door hem neergesabeld wor- 
den, dat is zeker! 

Waaraan is het toe te schrijven, dat de soldaten van 
het Indisch leger gebrek aan moed hebben , hun officieren 
niet volgen, angstig zijn om den vijand onder de oogen te 
zien? De reden ligt voor de hand: de fuseliers die voor het 
grootste gedeelte de kolonne van Reuter uitmaken, zijn 
jonge soldaten, pas van Java aangekomen, pas afgerigt, nog 
vreesachtig om hun eigen geweer af te schieten. Door het 
oprigten van keur-kompagniën bij het leger zijn de oudste 
en beste manschappen uit het korps genomen, en blijven de 
jongeren alleen over. 't Zijn nog geen soldaten; 't zijn ver- 
kleede en gewapende koeUe's, maar met de voorbeelden die 
zij dagelijks voor oogen krijgen, kunnen zij tot soldaten 
gevormd worden. 

De chef der expeditie gelast een onderzoek in te stellen 
en hen die zich lafhartig gedroegen voor den krijgsraad te 
velde te brengen; hij vestigt de aandacht van alle kom- 
manderende officieren op het gebeurde en gelast, dat bij elke 
dienst tegen den vijand nimmer meer dan een derde aan 
onbedrevene manschappen mag gevoegd worden. De om- 
standigheden noodzaakten evenwel dikwijls van dien last af 
te wijken, en in enkele volgende ontmoetingen waaraan de 
jonge soldaten in groote verhouding deel namen, was hun 
gedrag steeds weifelend, lafhartig. Werd bij die gelegen- 
heid de zege bevochten, men had die te danken aan het 
waardige , kalme , boven allen lof verheven gedrag der oude 
inlaadsche soldaten, aan den leeuwenmoed der Europeanen 
en oflËicieren, die vergoedde 't geen den jongeren makkers 
ontbrak. 



Digitized by VjOOQiC 



Een gedeelte der bezetting van Moengoe Thayor werd on- 
middelijk afgelost. Naauwelijks is de Ie luitenant Ockerse (23 
September) met 50 bajonetten versterking van Martapoera aan- 
gekomen, of Reuter plaatst zich (den 25*^°) aan het hoofd van 
86 bajonetten, een Sponder en i mortier met bediening, en 
slaat den weg in waar langs hij — niet door zijn schuld — 
heeft moeten retireren. Op duizend pas afstands van die 
benting gekomen , zendt hij Ockerse met 48 bajonetten links 
af, met last om buiten het bereik van het vijandelijk vuur 
de sterkte om te trekken en daarna zoo bedekt mogelijk 
tot op honderd pas te naderen. Onder het opruimen der 
randjoe's gaat Reuter zelf op het zuiderfront af, opent op 
400 pas het granaatvuur en doet 7 worpen waarvan er geen 
enkele de gewenschle uitwerking heeft , daar de meeste pro- 
jectielen niet springen. Tot op honderd pas genaderd, 
beproeft hij met den Sponder een kleine bres te schieten, 
doch ook dit gelukte niet. Nu besluit hij lot een algemeenen 
storm ; reeds bij het opdringen der troepen ontstaat er wan- 
keling bij de bezetting, en ontvlugt een gedeelte langs de 
oostzijde die geheel met randjoe's is beplant; de rest is 
evenwel tot de verdediging besloten. De artillerist van 
Meerlo zal de laatste granaat met de hand in de benling 
werpen, doch hij neemt den worp te kort, zoodat het pro- 
jectiel vóór de palissadering springt, gelukkig zonder iemand 
te kwetsen. Onder een regen van werpspiesen bereiken de 
bestormers de 2 el hooge palissadering; daar staan zij ta- 
melijk veilig en gedekt. Enkele schutters zijn in boomen ge- 
klommen, en schieten ieder neder die zich vertoont. Ockerse 
gevolgd door de flankeurs Cöller en de Vries, klimmen over; 
de muiteling, die Verkerk aan zijne lans wil rijgen, wordt 
met den revolver door Ockerse dood geschoten; na een 
kortstondig gevecht wappert de Nederlandsche driekleur ze- 
gevierend op de sterkte. 

32 Lijken van gesneuvelde vijanden bedekken den bodem. 



Digitized by VjOOQiC 



283 

Mangkoessin het Hoofd dat in der tijd een aanslag op het 
leven van kolonel Andresen' deed , verscheidene pembekkels, 
een dertigtal geweren , vele lansen en klewangs vielen 4en 
onzen in handen. Reuter, Ockerse, 7 flankeurs en een 
fuselier waren min of raeer gewond ; dooden lelde men 
geen enkele. De borstwering had den vorm eener redoute 
met facen van 42 op 15 el, zamengesleld uit 8 rijen vertikale 
en 3 rijen horizontale palissaden ; aan de Z. en W. zijde was 
zij bovendien nog voorzien van 3 en 4 rijen met water gevulde 
bamboe's, zoodat de borstwering een dikte van 2 ned. el had. 
De binnenruimte was tot op 1} el van de binnenste rij palis- 
saden met zware bamboe's overdekt tot beveiliging legen de 
granaten. — De jonge inlandsche soldaten lagen ditmaal meer 
moed aan den dag. Pembekkel Oeboel, Hoofd van Tamba- 
rangan deed goede diensten; een zijner zonen als soldaat 
gekleed, nam zelfs deel aan de bestorming, en ontving van 
den majoor Yerspijck daarvoor een belooning van f 100. 

Zekere Achmit, ook genaamd kiay Wongsopati, den 11« 
September te Mataraman gevankelijk aangebragt, deelde het 
volgende mede: 

Tijdens den jongsten aanval op de versterking te Martapoera 
bevond zich Hidayat met 300 man in de bosschen te Wajan 
achter Barabei-ie , Lehman met 200 man te Loempagni boven 
Amawang. Antassari had 4 stukken ligt geschut van Passir 
ontvangen en was van plan in de maand Moeloed (October) 
naar Martapoera op te rukken. Pangerang Mohamad Tambak 
Anjer was met Lehman in briefwisseling en had een zijner 
Volgelingen, kiay Maas, naar hem gezonden. 

Daar Achmit zeer bekend scheen te zijn met de hande- 
lingen der Hoofden van den opstand , hoopte men van hem 
partij te trekken. 

Het ontbrak den troepen in Riam Kanan niet aanbeweeg- 



Digitized by VjOOQIC 



284 

baarheid. De patrouilles van Hamming (12 September) naar 
Karang Intan, van kapitein Vos (15 September) over Meng- 
appan, van den 1^" luitenant van Oort, (18 September) naar 
Pangerangan zagen slechts enkele kleine benden vlugten. 

Vos arresteerde (2 October) nabg Batoe Gadja een paar 
volgelingen van pangerang Moeda, die den aanval van 26 
Augustus op Martapoera leidde. Een poging om dien pan- 
gerang te Lilian op te ligten , mislukte. Daarentegen werd 
een oom van Hidayat de pangerang Kasoema Ningrat, en diens 
zoon goesti Doela , een bekende vijand van het gouverne- 
ment, bij de kolonne van Vos gelokt en door luitenant Bakker 
en flankeur van Dongea ontwapend. Bij de worsteling 
kreeg van Dongen drie ligte krissteken en verloor goesti 
Doela het leven. De pangerang werd aan den krijgsraad over- 
geleverd. 

Hadji Sambas' en Antassari's plan tot een aanval op Peng- 
aron , waarvan in het begin van September sprake was, werd 
niet verwezenlijkt. — De Javaansche korporaal Kerkoleksono 
die met i militairen den brievenpost van Baleh overbragt, gaf 
(5 September) een bewijs van grooten moed, toen hij onder- 
weg door een talrijke bende aangevallen werd, stoutwegnaar 
den oever roeide, met de zijnen den vijand aanviel, het Hoofd 
van Pinjoewan pembekkel Arong verwondde, en den vijand 
verjoeg. Een der fuseliers kreeg een kogel in den arm. 
Den 9^« September poogde een vijandelijke bende, te soengej 
Besar vereenigd , een konvooi van vivres op weg naar Baleh 
op te ligten. Korporaal Voigtlander van het 9« bataillon 
infanterie , die met acht fuseliers het konvooi begeleidde , 
stoorde zich niet aan de eerste schoten , doch toen iets ver- 
der een salvo uit dertig geweren op de praauwen werd ge- 
lost en de roeijers overboord sprongen om zich achter de 
praauwen te verschuilen , liet Voigtlander het detachement 
ontschepen, verdreef den vyand met een paar schotenen 



Digitized by VjOOQIC 



285 

dwong de roeijers weder in de praauwen ie klimmen. Bo- 
venstrooms had de vijand den regieroever bezet eft bovendien 
post gevat op een zandplaat midden in de rivier. De 
korporaal trachtte hem van daar te verjagen, onderhield een 
geruimen tijd het vuur, waardoor menig vijand viel; daar 
deze echter stand bleef houden, zag Voigtlander zich verpligt 
door gebrek aan patronen , met verlies van een doode en 
twee gewonden op Pengaron terug te trekken. Toen de dd. 
officier Middendorp den volgenden dag met 50 man naar 
soengej Besar ging, was de vijand verdwenen. 

Cavaljé vond (18 September) te Pengaron geen weerstand; 
met achterlating van wapens , kruid en lood , ontvlood de 
vijand. Een versterking bij Soengej Pinang werd evenmin 
verdedigd , en toen Benschop (22 September), op aanwijzing 
van een gevangene , een bende te Wankielan Darit wilde 
overvallen , leed zijn poging schipbreuk op den onwil van 
dén gids. 

Sedert langen tijd liepen er in Tanah Laut geruchten 
van hadji Boeyasin's plannen om onze posten aan te val- 
len. Toen derhalve onze versterking te Baloe Tongko (6 
September) eensklaps van drie zijden door 350 man aange- 
tast werd, stond de bezetting gereed de beslormers warm te 
ontvangen. Onder pembekkel Doeraïb viel een bende op een 
der bastions aan; Perné liet haar tot op 50 schreden nade- 
ren , joeg er toen een kartetsschot en een geweersalvo door, 
en deed haar in verwarring uit een stuiven. Dit bekoelde 
levens den moed der andere benden, 's Nachts vernam men- 
aanhoudend het krijgsgeschrei , doch de vijand bepaalde zich 
tot vuren op een afstand. Toen eenige muilelingen zich 
's anderen daags in een huis versterkten, binnen het bereik 
van het vuur der beuling gelegen , deed Perné met 24 man 
een uitval, verjoeg hen niet alleen van daar, maar ook uit 
den geheelen omtrek. Boeyasin had weder een geduchte 



Digitized by VjOOQIC 



286 

les gehad; want de bevolking, die in de wildernis was ge- 
weken en nu terug kwam, vond overal bloedsporen. 

Sedert dien mislukten aanval, nam de vijand de vroegere 
taktiek weder aan, verdeelde hij zich in kleine benden die de 
wegen versperden en de patrouilles beschoten. Onze solda- 
ten werden daarentegen meer en meer geoefend in den gue- 
rilla-krijg en met den dag stouter. Met 15 bajonetten 
begeleidde de inlandsche sergeant Sodejo (16 September) 
eenige goederen van Pleiharie naar Tatian Taras en werd bij 
Brawis in zijn marsch gestuit door een troep muitelingen 
die zich achter vier versterkingen opgesteld hadden. Sodejo 
beproefde , even als of hij een kolonne van 50 man kom- 
mandeerde, een storm , maar werd door de randjoe's tegen- 
gehouden. Teruggaan wilde hij ook niet, en nu gelukte 't 
hem door een welgerigt vuur van zijn handvol manschappen 
den vijand terug te drijven en zijn marsch naar Tatian Taras 
voort te zetten. Ditojoedo , een ander inlandsch sergeant 
die hem van daar te gemoet was gegaan, had twee uren vroe- 
ger op dezelfde versterking zijn hoofd gestooten en daarbij 
vier gekwetsten gekregen. 

Den volgenden dag, toen Sodejo naar Pleiharie terugkeerde 
vergezeld door sergeant Kramer 'met 19 bajonetten, viel hij 
den vijand daar andermaal op het lijf, maakte eenige wapens, 
goederen en vivres buit en vernielde de versterkingen. Ma- 
joor Verspijck betuigde zijne tevredenheid over het gehou- 
den gedrag en bevorderde de inlandsche korporaals Balana 
en Sahara, die zich hier bijzonder onderscheiden hadden, tot 
sergeanten. — Dergelijke kleine wapenfeiten hadden dagelijks 
plaats , en deden den vijand weder de wijk nemen naar de 
bosschen langs het zuiderstrand, van waar zij voortgingen de 
gemeenschap tusschen de posten onveilig te maken, in afwach- 
ting van een gelegenheid om ons hier of daar met voordeel 
te overvallen. 



Digitized by 



(Spog 



Ie 



287 

Had de vijand te Tambarangan een oogenblik gezegevierd 
over een afdeeling jonge Javaansche soldaten die hun moe- 
digen en beleidvollen aanvoerder alleen lieten, in het land- 
schap Amandit was de oorlogskans hem nog gunstiger, toen 
met minder beleid onbeproefde soldaten tegen hem in het 
veld gebragt werden. 

Op ongeveer 3 uur marcherens N.0 waarts van Amawang 
ligt een steile heuvel 500 voet hoog, Goenong of Boekit 
Madang genaamd, die naar luid der laatste berigten door 
den vijand werd bezet. 

De Brauw (3 Sept.) met 30 bajonetten op verkenning 
uitgezonden, komt langs Karang Djawa en Ambaray aan den 
voet van Goenong Madang, waar een vijandelijke voorpost 
staat. Toen deze in allerijl naar den top terugtrekt en er 
van daar een oorverdoovend krijgsgeschrei opging, beklimt 
de Brauw in den looppas den begroeiden bergwand , en wordt 
op het plat met een geweervuur uit een redoute ontvangen, 
waardoor Vier Europesche manschappen gewond worden. 
Zonder een oogenblik te weifelen, stormt hij door tot aan de 
palissadering. De vijand over zooveel kloekheid ontzet, kiest 
het hazenpad. Een face is nog onvoltooid; de anderen be- 
staan uit dubbele rijen palissaden van 3 el hoog; het ont- 
breekt de Brauw evenwel aan handen om de redoute te kunnen 
vernielen en hij keert naar Amawang terug , om op last van 
den kapitein Koch 's anderen daags met 32 bajonetten van 
het 13^ bataillon, 4 mortier en 21 kettinggangers , de re- 
doute te slechten. 

Gedurende den nacht had de vijand echter de redoute 
voltooid en begroette de patrouille met een salvo. De Brauw 
stelde zijne manschappen op 150 pas en tirailleur op, 
liet den mortier drie granaten werpen, die niet sprongen, en 
kommandeerde toen den storm. Doch even als Reuter bij 
Tambarangan, werd de Brauw slechts door de Europeanen ge- 
volgd, en mislukte de bestorming. Eenige te Pantey Hamba- 



Digitized by VjOOQIC 



wang vermiste Boeginesche militairen en een gedeserteerde 
kettingganger leidden de verdediging en riepen den luilenaDt 
de Brauw, sergeant de Vries en anderen bij hun namen toe. 
Hoewel door een kogel in de dij gewond, herhaalt de Brauw 
dezelfde middelen van aanval, en toen ook nu weder het 
worpgeschut geen resultaat opleverde, toen bij een twee- 
den storm de meeste Europeanen gekwetst werden, bleef 
er niets over dan zich bedekt op te stellen, naar Amawang 
te rapporteren dat hij reeds negen man builen gevecht had, 
de overigen onbruikbaar waren, en versterking te vragen. 
Kapitein Koch duchtte zelf een aanval op Amawang en zond 
slechts 42 bajonetten onder Smagge. Daar de Brauw met 
die magt niets kon uitvoeren , retireerde hij 's avonds op 
Amawang. 

Ondersteund door 50 bajonetten en een Sponder onder 
den 1«" luitenant Terwerda , door den kommandant van Amoen- 
thay naar Amawang gezonden, beschikte kapitein Koch (den 
13«») over ongeveer 225 bajonetten, liet Smagge en Boers 
(de laatste wegens ziekte) met ongeveer 100 man te Amawang 
achter, rukte met 120 man, een Sponder en een mortier 
langs een anderen weg naar Goenong Madang en kwam tegen 
lOj^ uur voor den middag voor de oosterface der redoute. 
De benting, die nu goed waargenomen kon worden , hadden 
vorm van een vierkant van 20 a 25 el face, zamengesteld 
uit zware boomstammen hoog 2,5 a 3 el. Op 230 pas 
werd het geschut in batterij gebragt; met de kleinste ladin- 
gen vlogen echter de meeste granaten over debenting heen; 
terwijl de kogels van den 3ponder op de zware borstwering 
geen uitwerking hadden. Nu werd de 1« luitenant de Coe- 
nens met 30 bajonetten regts op de noorderface, en Ter- 
werda met 25 man links op de zuiderface afgezonden en het 
vuur van beide zijden levendig onderhouden. Voor beide 
partijen was dit echter vrij onschadelijk, daar de een door de 
borstwering, de andere door de steile, begroeide helling ge- 



Digitized by VjOOQIC^ 



289 

dekt Tvas. Toen nu ook de affuit van den Sponder brak, liet 
Koch zijne troepen bijeentrekken en marcheerde onverrigter- 
zake naar Amawang terug. 

Door ruim honderd man te Amawang achter te laten , door 
met 120 man geen storm te wagen, door terug te trekken 
in één woord, beging Koch een driedubbele fout. Vijftig 
man bezetting voor een tot verdediging goed ingerigten post 
was voldoende, althans voor eenige dagen; de ondervinding 
had dit reeds geleerd. Bekend met de hoogte der borstwe- 
ring had men stormladders moeten medevoeren of die op 
de plaats doen gereed maken; de eenvoudigste middelen van 
aanval waren zelfs niet beproefd. Door terug te trekken zonder 
noodzakelijkheid, gaf Koch geen hoogen dunk van zijne magt 
aan den vijand en bragt hij een slechten indruk op het moreel 
zijner eigene troepen te weeg. De stelling des vijands op een 
alleenstaanden steilen heuvel had zijn eigenaardige nadeelen; 
wilde Koch niet storm doen loopen , hij behoefde zich slechts 
aan den voet des heuvels te legeren, de benting in te slui- 
ten en de bezetting in het oog te houden. Uit gebrek aan 
drinkwater zou deze spoedig genoeg uit eigene beweging de 
redoute hebben geruimd; thans echter, nu hij getoond had 
dat de palissaden onvernielbaar, onbeklimbaar waren, stel- 
de hij door af te trekken de bezetting in de gelegenheid 
zich behoorlijk van water, vivres en munitie te voorzien. 

Toen het berigt van den eersten mislukten aanval te Ban- 
djer kwam, had de majoor Verspijck onmiddelijk den 4 «"lui- 
tenant de Coenens met 75 man van het 13* bataillon, waar- 
van de helft Europeanen , met de Bennett naar Amawang gezon- 
den en last gegeven om de soldaten van het i3<^ bataillon, die 
zich lafhartig hadden gedragen, voor een krijgsraad te doen te 
regt staan. Na het vernemen der tweede vergeefsche poging, 
droeg hij het vermeesteren van Goenong Madang aan den 
majoor Schuak op , stelde nog ter zijner beschikking den ka- 
pitein Brands der artillerie, i«° luitenant Graas, 4 «"luitenant 

19 



Digitized by VjOOQIC 



290 

Hamming , 50 bajonetten van het O"" bataillon infanterie en 
een houwitser, en gelastte Schuak om, bijaldien de bestor- 
ming met ladders als anderzins inderdaad ondoenlijk was, 
de benting in te sluiten, en te trachten met kruidzakken 
een bres te maken. 

Voor dat Schuak te Amawang aankwam, had Koch evenwel 
een derde even vruchtelooze poging gedaan om de benting te 
Goenong Madang te nemen en was tot dat einde (18 Sept.) 
met 195 bajonetten, één houwitser, één drieponder en één 
mortier nog eens uitgerukt. Het geschut op 400 pas in bat- 
terij stellende, zond hij den 1«° luit. Verspijck met 50 bajo- 
netten regts, kapitein Weijting met Terwerda en 40 man links 
ter omtrekking, om bij het ontstaan van een bres terstond te 
stormen. Honderd man bleven bij het geschut om ter gele- 
gener tijd den frontaanval te doen. Te lOf uur hoorde Koch 
het tirailleurvuur der omtrekkende pelotons ; een uur later 
kreeg hij rapport, dat zonder stormladders en zonder bres 
aan stormen niet te denken viel; wederom was verzuimd 
stormladders mede te nemen. De i^ luit. Verspijck naderde 
zoo bedekt mogelijk de borstwering tot op 30 pas, doch 
werd door twee schoten zwaar gewond en kreeg bovendien 
nog twee gekwetsten. Zonder den goed gedekten vijand het 
minste nadeel te hebben gedaan, trokken de beide detache- 
menten op de hoofdmagt terug. Koch Het nu onder dekking 
van de Goenens den Sponder en houwitser op 280 pas van 
de benting in batterij komen, om nogmaals te beproeven 
bres te schieten. De vijand rigtte dadelijk zijne schoten in 
die rigting waardoor een artillerist gewond werd; en toen 
de kapitein Koch, niettegenstaande de waarschuwing van de 
Goenens, zich bij het geschut plaatste om de uitwerking van 
het vuur gade te slaan, trof hem een kogel in de borst 
waardoor hij oogenblikkelijk den geest gaf. Toen de munitie 
grootendeels verbruikt was zonder eenige uitwerking te hebben 
gedaan, gelastte Weijting, die het kommando had opgeno- 



Digitized by VjOOQIC 



291 

men, den terugtogt naar Amawang, dat men 's avonds bereikte. 

Schuak kwam met zijne versterking den 20^ September 
te Amawang, doch werd aldaar een dag opgehouden door 
gebrek aan koelie's. Den 22«° marcheerde hij met een ge- 
lijke magt als waarmede Koch den IS**» uitrukte, tegen Goe- 
nong Madang op. Bij een schermutseling aan den voet van 
den berg, bezweek reeds een flankeur aan vermoeijenis en 
werd een fuselier verwond. Nadat een plaats voor het bi- 
vak, op 400 pas van de benting, was aangewezen en de 
noodige veiligheidsmaatregelen genomen waren, werd de 
munitie onder dak gebragt, werden er patrouilles op ver- 
kenning uitgezonden, zandzakken gevuld en fascines en 
schanskorven aangemaakt. Graas nam met Hamming, de 
Coenens en 50 bajonetten tegen 4 uur positie aan de 
oostzijde der redoute. Ten 8 uur 's avonds werd op 250 pas 
een batterij opgeworpen en de twee stukken daar achter 
opgesteld; de mortier bleef op het bivak, daar de kleinste 
lading voor een afstand van 325 pas berekend was. Des 
nachts trachtte een vijandelijk konvooi de benting van vivres 
te voorzien, doch werd daarin door Graas verhinderd, die 
een gedeelte zijner manschappen bedekt en tirailleur had 
opgesteld, zoodat het konvooi in zijne handen viel. 

Den volgenden morgen werd Weljling met een peloton west- 
waarts, de 1"^ luitenant Beijens met een ander oostwaarts uitge- 
zonden, met last zich aan Graas aan te sluiten, en in ver- 
spreide orde de benting te omsingelen. Niettegenstaande de 
ondervinding geleerd had, dat het kanonvuur weinig of geen 
uitwerking op de sterke borstwering deed, verschoot men 
toch uit de batterij de 80 medegevoerde projectielen, be- 
staande uit 50 kogels en 30 granaten , welke laatste voor het 
meerendeel niet sprongen. Door het vuur uit de benting kreeg 
Graas , die nagenoeg op dezelfde hoogte stond waar de luite- 
nant Verspijck den 18" gewond werd, een kogel in den arm, 
werden nog drie fuseliers gekwetst en sneuvelde Hamming. 



Digitized by VjOOQIC 



392 

De Coenens, aan wien Beijens met 20 man werd toe- 
gevoegd, kreeg toen in last om Graas te vervangen en de 
benling zoo digt mogelijk te omsingelen. 

Te elf uur 's avonds opende de vijand een hevig lilla- en 
geweervuur op de troepen van Weijting en de Coenens. Te 
drie uur deed de bezetting een uitval op eenige ilankeurs, 
die op 20 pas van de borstwering een stelling voor het ge- 
schut opwierpen; na in overhaasting hare geweren te heb- 
ben gelost, trok zij weder in de benting terug. Het vuur 
uit de benting hield tot 4f{ uur aan, daarna hoorde men niets 
meer. Sergeant Higrenant bekruipt te 5 uur de versterking 
en vindt die verlaten; het lijk van een gesneuvelde en ver- 
scheidene bloedplassen toonen, dat althans enkele granaten 
dienst hebben gedaan. 

Op deze wijze viel de benting, die zooveel bloed gekost 
had, in onze handen; hoewel de bezetting met een gering 
verlies ontkwam, vernam men echter later dat tommong- 
gong Antaloedin door ons vuur was omgekomen. Door 
een bestorming zou men oneindig beter uitkomsten verkre- 
gen, het moreel onzer troepen minder geleden hebben en 
de vijand meer benadeeld zijn. Ook ditmaal werd niet tot 
een bepaalden storm overgegaan, en konden de middelen niet 
worden aangewend, die een bestorming kans van slagen geven; 
want ook ditmaal waren er geen stormladders medegevoerd. 

Voorzeker was de positie van Goenong Madang buitenge- 
woon sterk. Borstweringen zamengesteld uit A rijen palissa 
den, waarvan de buitenste rij een el van de tweede arstaat, 
zijn ongetwijfeld sterke beletselen; toen het evenwel bleek 
dat met het ligte veldgeschut munitie werd verspild, zon- 
der schade te doen, strekte elke verdere poging om bres 
te schieten slechts om den vijand overmoediger te maken. 
Honderd malen had men reeds ondervonden — de Brauw 
bragt het den 3«° Sept. nog in praktijk — dat een stoute 
aanval den vijand onthutst en doorgaans tot vlugten noopt; 



Digitized by VjOOQIC 



i'üA rtUW YORK 
.-'UBUC UBRART 

i^TOl^. LBNOX 



Digitized by VjOOQiC 




Digitized by VjOOQIC 



893 

gelukt die aanval niet, houdt de vijand stand, zoo als den 
if^ plaats had, en heeft het geschut geene uitwerking, dan 
ruste men zich behoorlijk tot een storm uit, dan voorzie 
men zich van de middelen die de kunst aan de hand geeft 
om chicanes onschadelijk te maken, om grachten over te 
trekken en borstweringen te beklimmen. Door met een tirail- 
leurlinie tegen een gedekte stelling te ageren, stelt men 
zich bloot aan verliezen, die altijd grooter zijn dan bij een 
werkelijke bestorming zonder evenredige voordeden. 

In meerderen moed en grooter beleid, in betere vuurwa- 
pens en een juister gebruik er van, daarin lag onze voor- 
naamste kracht, ons overwigt op den inlandschen vijand; en 
naarmate deze meer vorderingen in de krijgskunst maakte, 
zijne borstweringen meer hechtheid gaf, zijne bentings 
opwierp op plaatsen, die op 300 è 400 pas door de ge- 
steldheid van het terrein geen gelegenheid aanboden om 
werpgeschut op te stellen , was het des te meer noodig onze 
vecbtwijze daarnaar te regelen. 

De redoute te Goenong Madang werd geslecht; de pa- 
trouilles die later het landschap doorkruisten, vonden de 
kampongs bewoond en de bevolking rustig. De vijand had 
zich naar het noorden in zijne versterkte stelling te Batoe 
Mandie teruggetrokken. 

Door de volharding van van Emde en Verspijck (zie pag. 266), 
die met een kolonne van 100 man zich door een geheel onbekend 
terrein een weg gebaand hadden naar Ringkau Kattan, was 
de verbinding van die plaats met Araoenlhay verkregen. Den 
5en gn ^2en Septcmbcr keerde die kolonne naar Amoenthay 
terug. Eichelberg bleef het kommando te Tabalong voeren. 

Het plan om de bezetting door verraad af te maken , in 
de vorige maand verhinderd, was daarom niet opgegeven. 
Van Oijen vernam door een spion , dat andermaal een pries- 
ter het voornemen had opgevat om 's avonds in de verster- 



Digitized by VjOOQiC 



294 

king te sluipen en daar amok te maken. De twee Hoofden van 
dit komplot, panghoeloe Doelatip en Djalaloedin, werden (14 
September) in de versterking gelokt, in hechtenis en in ver- 
hoor genomen. Het bleek dat de zaamgezworenen bijna allen 
badji's waren en in de nabijheid van de plaats , te S. Malang 
woonden. Een hunner , Abdoellah , had een kogelwond in het 
bovenbeen. Van Oijen besloot zonder verwijl hen op te ligten. 

Deze kleine expeditie, die met weinig moeite scheen te 
zullen slagen, kostte, helaas! meer bloed dan menig vroeger 
gevecht; de dood van een wakker officier en van verschei- 
den brave soldaten , was daarvan het noodlottig gevolg. 

In den vroegen morgen van 15 September stond een deta- 
chement gereed van 60 man, verdeeld in 3 pelotons, onder 
de bevelen van van Erade , Verspijck en van der Wijck , 
om onder het kommando van van Emde de bevolen arres- 
tatie te bewerkstelligen. Tot nu toe was het doel van 
den togt alleen aan de officieren bekend; op het oogenblik 
van den afmarsch werd het ook aan de manschappen me- 
degedeeld. Menig bruin aangezigt bekwam een ernstige plooi. 

Het was den soldaat bekend dat , zoo er wederstand werd ge- 
boden, deze groot en hardnekkig zou zijn; dat de vijand niet 
in gebreke zou blijven zijn leven duur te verkoopen, vooral 
onder aanvoering van dweepzieke priesters die — mogt men 
hen te regt van wreedheid beschuldigen — nogtans meer dan 
eens waren heldenmoed aan den dag legden, en voor wie zelf- 
opoffering niets buitengewoons, integendeel dure pligtwas. 

Hoorn noch trom werden geroerd ; het zou de aandacht slechts 
opwekken. Een wenk van den aanvoerder, op wien aller 
oogen gerigt waren, was voldoende om het gevaar, den 
dood zelfs, zonder aarzelen te gemoet te gaan. 

De gewone veiligheidsmaatregelen worden genomen , nadat 
de kolonne de laatste woningen van Amoenlhay achter zich 
heeft. Als een slang beweegt zij zich over de rijstvelden; 
nu eens geheel zigtbaar , dan weder min of meer voor het 



Digitized by VjOOQIC 



295 

oog verborgen tusschen de hooge alang-alang; eindelijk 
verdwijnt zij in het donkere woud, en marcheert zonder op- 
houden, schier ongeduldig door. 

Van Emde gaat aan het hoofd der kolonne; dit is voor 
allen een waarborg dat er niets zal worden nagelaten wat 
een goeden uitslag kan verzekeren. Verscheidene manschap- 
pen zijn meermalen met van Emde in het vuur geweest; 
hij heeft zijne proeven afgelegd te Kaloewa , te Karangan Poe- 
tih, te Moengoe Thayor en elders; hij heeft getoond zijne 
soldaten niet alleen in het vuur te kunnen brengen, maar 
ook de kunst te verstaan hen met lauweren beladen uit het 
gevecht te kunnen leiden. 

Omstreeks acht ure meldde de gids dat men den kampong 
Soengej Malang, de woonplaats der hadji's, genaderd was; 
eenige oogenblikken later stootte de spits ook op vier goed 
gewapende inlanders. Twee hunner droegen, behalve de 
lans en klewang, ieder nog een geweer. Op hoogen toon 
vroegen zij, 5>wat men daar kwam doen?" Die toon beviel 
van Emde niet ; in stede van hunne vraag te beantwoorden, 
gaf hij zijne verontwaardiging te kennen over de onbehoor- 
lijke wijze w^aarop zij zich uitdrukten. Dit maakte in- 
druk; zij gedroegen zich althans beleefder en voerden tot 
verontschuldiging aan, dat bun vader, hadji Abdoellah, 
een trouw dienaar van het gouvernement, bij het uitoefenen 
zijner godsdienstpligten , in een klewang gevallen en dien 
ten gevolge bedlegerig was; dat zij, in deze tijden van on- 
rust, niemand vertrouwden en daarom met de leden hunner 
familie bun vader beurtelings bewaakten. 

Met deze verantwoording niet tevreden, vroeg van Emde: 
wie zij waren? 

ïHadji Joesip en Singat met twee volgelingen," luidde het 
antwoord. 

De aanhouding dezer lieden zoude geen moeite hebben ge- 
kost; doch dit ware slechts half werk geweest, daar men 



Digitized by VjOOQIC 



S96 

zeker kon zijn dat daardoor de vangst der beide anderen 
bijna onmogelijk werd. Immers het gevangen nemen van 
die vier personen zou niet zonder vtrorsteling geschieden en 
daaruit alarm ontstaan. 
Van Emde begreep dit en liet hen gaan, zeggende: 
»Verwiltigt uw vader van mijne komst; zegt hem dat de 
assistent-resident van Oijen, vernemende dat de hadji ziek 
en hulpeloos is, besloten heeft hem te doen overbrengen 
naar het huis van den regent te Amoenthay en hem daar 
te laten verplegen, omdat het voor den officier van gezond- 
heid in onze benting ondoenlijk is dagelijks den groeten 
afstand naar kampong Soengej Malang af te leggen." 

De kolonne volgde hen op den voet. Gedurende de 300 
pas die moesten gemaakt worden om het huis van Ab- 
<loellah te bereiken, was het aantal inlanders ongemerkt 
van vier tot elf aangegroeid. Bij de eerste woning geko- 
men, — de kampong bevatte slechts drie huizen — gaf van 
£mde aan luitenant Yerspijck last om eenige passen door 
te marcheren en dan ongemerkt de regter- en voorzijde 
af te sluiten, door zijne twintig man en tirailleur uit te 
zetten. Een gelijke order kreeg van der Wijck tot het af- 
zetten der linker- en achterzijde der woning, met bepaling 
dat hij in geen geval zijn positie mogt verlaten, om een 
rugaanval te voorkomen. Door deze maatregelen hield van 
Emde slechts één peloton onder zijn onmiddelijk kommando. 
Nadat de bewegingen uitgevoerd waren, ging hij met 15 ba- 
jonetten en eenige inlandsclie poliliedienaren, hem door het 
civiel bestuur toegevoegd, naar de onoverdekte voorgalerij 
van het huis, dat zooals de meeste woningen, op palen 
boven den grond stond. Op dat oogenblik bevonden er zich, 
behalve de elf mannen, ook nog vier vrouwen. Een gemompel 
binnen 's huis bewees evenwel dat er zich nog meer menschen 
in ophielden. Deze beproefden door een zijdeur te ont- 
snappen, doch werden door Yerspijck tegengehouden en 



Digitized by VjOOQIC 



t97 

naar voren gezonden. Het aantal Bandjerezen klom daardoor 
tot 19 man, waarvan 7 hadji*s, allen in de volle kracht des 
levens, goed gekleed en met geweren gewapend. 

Van Emde gaf nu, door bemiddeling van het hoofd der 
politiebeambten, zijn verlangen te kennen om hadji Abdoel- 
lah te zien, daar bij hem wilde laten vervoeren; men wist 
dat hij oud en ziekelijk was, en had daarom een hangmat 
en dragers medegenomen. 

Hadji Abdoellah gaf aan het eerste verzoek toe. Vooraf- 
gegaan door vier mannen, kwam van Emde bij den ge- 
wonde, die met alle teekenen van angst en haat, den kloe- 
ken Hollander aan zijn sponde ontving. Na eenige woorden 
gewisseld te hebben, begaf van Emde zich weder naar vo- 
ren, waar een hevige woordenstrijd ontstaan was met Ab- 
doellah's zonen, die zich verzetten tegen het overbrengen 
van hun vader naar Amoenthay. Door bedaarde toespraak 
wist de kommandant het echter zoo ver te brengen, dat zij 
toestemden met hun vader en Mat Nassir de kolonne te volgen. 

Hadji Joesip kwam daarop zeggen: 

>'tls goed, heerl laat hem maar weghalen." 

Verspijck en van der Wijck hadden inmiddels hunne man- 
schappen ongemerkt zoo digt laten opsluiten, dat het ont- 
snappen nu onmogelijk was geworden. Verspijck had op 
eenige passen van van Emde post gevat. 

Er heerschte een diepe stilte. Onder bedekking van een Euro- 
peesch sergeant en twee soldaten waren de dragers met de 
draagbaar naar binnen gegaan; van Emde stond in de voorgalerij 
bij de vijllien soldaten die het geweer bij den voet hadden. 

Het beslissende oogenblik .was aangebroken. Aller oogen 
waren op de deur gevestigd; een zekere gemoedsbeweging 
stond op ieders gelaat te lezen. Alleen de aanvoerder bleef 
kalm en bedaard, en onderhield zich, de getrokken sabel 
onder den linkerarm, met eenige hadji's. 

Abdoellah werd in de draagbaar naar voren gebragt. Hier 



Digitized by VjOOQiC 



298 

nam hij afscheid van zijne volgelingen; slechts zijne twee 
zonen en Mat Nassir zouden hem vergezellen. Op het oogen- 
blik dat de baar van de galerij op den grond zou neder- 
gelaten worden, scheen hij zich evenwel te bedenken; hij 
riep zijn zoon Joesip bij zich, en toen deze na eenige woor- 
den gewisseld te hebben, zijn plaats naast van Emde weder 
ingenomen had, gaf Abdoellah door het prevelen van een 
vers uit den koran, het teeken tot amok. 

Eensklaps trekken de negentien wraakzieke mohamedanen 
tegelijkertijd hunne breede zwaarden en krissen, en werpen 
zich op de soldaten. Er ontstaat een worsteling, zóó af- 
grijsselijk als nimmer te voren plaats had. In den eersten 
aanloop worden van Emde twee houwen aan het hoofd toe- 
gebragt, die hij wel is waar met den linkerarm afweert, 
maar ten koste van dien arm. Voor dat de derde houw 
volgt, heeft hij de sabel in de vuist en brengt zijn aanvaller 
een slag op den linkerschouder toe waardoor dezen de 
klewang ontvalt. Twee hadji's springen toe om hun makker 
te ontzetten , terwijl Verspijck van zijn kant van Emde ter 
hulpe snelt. Deze laatste, de onmogelijkheid inziende om 
zich voor de slagen van drie vijanden te dekken, grijpt den 
eersten om den hals, valt er worstelend mede op de galerij 
neder en verweert zich met hand en tand. 

Met behulp van flankeur de Later gelukt het Verspijck 
de twee anderen te verslaan; maar niet voordat van Emde 
nog zeven wonden, waaronder twee kogelschoten, heeft ge- 
kregen. Verspijck zelf is ligt gewond geraakt. 

Van dit kortstondig oponthoud meent de woedende tegen- 
partij van van Emde gebruik te kunnen maken, om hem 
nog een laatsten krissteek te geven; doch met de krachl 
der wanhoop houdt van Emde de worsteUng op den rand 
der galerij vol, omklemt zijn aanvaller met zijne verminkte 
ledematen, totdat deze zich eindelijk eenigzins bloot geeft; 
want toen hij den regterarm opheft, slaat Verspijck hem 



Digitized by VjOOQIC 



899 

den pols af, en brengt een soldaat hem een bajonetsteek 
in den mond toe, die een einde aan zijn leven maakt. 

De jonge soldalen van van der Wijck, bij het amok maken 
met moeite op de plaats gehouden, brengen van Emde nog 
levend, doch met negen wonden bedekt, een weinig achteruit. 

Yerspijck neemt onmiddelijk het kommando op zich en 
begeeft zich naar voren, om zooveel mogelijk hulp te bren- 
gen, daar het gevecht van man tegen man, het houwen en 
steken nog steeds voortduurt. 

Een vreesselijk schouwspel vertoont zich voor zijne oogen! 

Tierbach, een jeugdig onderofficier, nog geen 49 jaar 
oud, staat hier door vijanden omringd en vemgt wonderen 
van dapperheid. Hij verdedigt zich als een held, doet al 
zijne tegenstanders in het stof bijten en keert ongedeerd 
uit het gevecht. Wirosenliko, een mandor der dwangarbeiders, 
staat alleen, slechts met de kris gewapend, tegenover twee 
vijanden die hem reeds eenige houwen en steken hebben 
toegebragt; doch een breede stroom bloed, die uit den hals 
gudst van een hunner, toont dat Wirosentiko niet in gebreke 
bleef zijn wapen te gebruiken. Een tweede . steek in den buik 
doet den hadji neêrtuimelen. De andere nog niet gewond, werpt 
zich nu met woede op den mandor en doet hem terugdein- 
zen tot op den rand van de galerij. Daar geraken beiden 
van de been. De Bandjerees wil van die gelegenheid ge- 
bruik maken om zijn afgematten vijand een laatsten kris- 
steek toe te brengen ; doch hoeveel bloed de banneling ook 
verloor, hij geeft den strijd niet op en grijpt met de reg- 
terhand den snel neerdalenden arm van zijn aanvaller, die 
nu als in een schroef besloten is. Het geldt hier 't leven; de 
staroogende blikken toonen, dat beiden hunne laatste krach- 
ten inspannen. Verspijck, die den strijd van slechts weinige 
seconden heeft gezien, springt toe, en klieft met een for- 
schen slag van zijn getrouw zwaard den Bandjerees den sche- 
del; deze, nog altijd op zijne knieën, slingert stuiptrekkend 



Digitized byVjOOQ IC 



800 

zijn breed wapen naar den oiïicier en stort toen dood neer. 

De verschillende tweegevechten op te noemen die in den 
kortstondigen strijd plaats vonden, is niet mogelijk. Menig 
heldhaftig feit bleef onopgemerkt, ieder kampte voor zgn 
leven. 

De vier vrouwen , die gedurende het gevecht schijnbaar msr 
tig binnen 's huis waren gebleven, wekten het medelijden van 
Verspijck op. Zoowel tot haar bescherming, als om te be- 
letten dat zij buiten het huis zouden dringen, plaatste hij 
een inlandsch fuselier bij de deur op post. Daarna begaf 
hij zich naar de gewonden. 

Van Emde ademde nog, acht manschappen waren gewond, 
twee gesneuveld. Een enkele blik op de lijken der Ban- 
djerezen toonde maar al te zeer hoe verwoed de strijd was 
geweest, hoeveel bloed er gestroomd had. Niets gaf echter 
een duidelijker denkbeeld van den wanhopenden kamp , dan 
de in zwijm liggende mandor die zijn tegenstander nog 
steeds in zijn ijzeren vuist geklemd hield. Eerst nadat men 
hem had bijgebragt, liet hij den arm los, en toen bleek 
het dat hij den pols van zijn tegenpartij letterlijk verbrijzeld 
had. Een ongewapende banneling met een diepen klewang- 
houw over den schouder had nogtans zijn vijand de keel 
toegenepen en hem verworgd. Hoe verwoed de strijd ook 
was, hoe groot het aantal slagtoffers reeds is , toch is het 
bloedvergieten nog niet ten einde. 

Eensklaps hoort men een allerverschrikkelijksten gil. De 
vier vrouwen met klewang en kris gewapend, zijn naar 
buiten gedrongen en hebben zich op den schildwacht ge- 
worpen. Voordat men hem heeft kunnen bijspringen, ligt 
hij met zeventien gapende wonden ter nedergeveld. Niet- 
tegenstaande Verspijck alle pogingen in het werk stelt om 
de wraakoefening der soldaten te voorkomen, worden toch 
de vrouwen afgemaakt. Het getal slagtoffers aan 's vijands 
zijde was nu tot ^A geklommen, terwijl van onze zijde slechts 



Digitized by VjOOQIC 



801 

drie man gedood en elf zwaar gekwetst werden , van welke 
laatslen nog twee stierven. 

Des namiddags te half twee uur bereikte de kolonne Amoen- 
thay weder. Van Emde stierf kort daarna in de armen zijner 
makkers; zijn dood was een waar verlies voor het Indische 
leger en voor het vaderland ; teregt kon van hem worden 
gezegd: iqu'il avoit bien mérité de la patrie." 

Zijn asch rust in de wildernissen van Bandjer, maar zijn 
naam leeft bij tijdgenoot en nazaat! 

Djalil had inmiddels te Pasambie een benting en nog drie 
versterkingen van daar tot Moeara Petapopgerigt, en maakte 
strooploglen tot aan Tanab Abang. Ook ter hoogte van 
Goenong Lallie hield zich een vijandelijke bende op. Van 
Oijen had alle beschikbare troepen uit zijn kommandement 
naar Amawaiig gezonden , om kapitein Koch in slaat te stel- 
len de redoute op Goenong Madang te bemagligen waar de 
vijand reeds een paar aanvallen had afgeslagen (zie pag. 286-^ 
289); op de posten in Allei en Amoenlhay bleet daardoor niet 
meer bezetting achter dan tot een lijdelijke verdediging noodig 
was. Hiervan onderrigt, en begrijpende dat krachtige aanval- 
lende bewegingen van onzen kant voor het oogenblik onmoge- 
lijk waren , verzamelde de vijand zich weder op enkele punten 
tusschen onze posten, lag er versterkingen aan, en plunderde 
en moordde naar hartelust onder de goedgezinde bevolking. 

Een bende van 500 muitelingen had o. a. te Batoe Mandie, 
op den weg van Lampehon naar Barabei-ie een benting opgerigt 
en maakte siroop tog ten in den omtrek. Kampong Mendingin 
werd (22 September) door hen aangevallen , en de bewoners, 
in weerwil van een ernstigen weerstand waarbij zij eenige 
dooden en gewonden kregen , in de wildernis gejaagd. Het ge- 
trouwe kampongshoofd werd gewond en viel in handen des 
vijands; zijne zonen, waarvan er twee gewond waren, kwa- 
men in onze versterking te Barabei-ie bescherming zoeken. 



Digitized by VjOOQIC 



HOOFDSTUK XXU. 



KALOBWA. — TOOT LANGS DB SOBNÖBJ BALAGAN. — BATOB 

MANDIB. — DJATTI. — DB RADJA VAN PAGATTAN IN TANAH 

LAUT. — TOGT VAN BENSCHOP NAAR KARANGAN AMBA- 

WANG. — DB KINGSBBRGBN TE LONTONTOBOR. — 

OCTOBBR 1860. 

In het laatst van September stelde Antassari zich met 
600 man op den weg tusschen Amoenlhay en Kaloewa en 
bragt de bezetting van laatstgenoemde plaats in het naauw. 
Met verlies van 4 dooden, waaronder hadji Mohamad Joe- 
soep, werd de eerste aanval op Danoe Redjo's benting af- 
geslagen; de vijand bereidde echter een tweeden aanval 
voor. Nagenoeg op hetzelfde tijdstip vernam men dat een 
andere bende langs^ de Balangan opgesteld , al het mogelijke 
deed om Batoe Mandie onneembaar te maken. 

Schuak had bij zijn vertrek van Bandjer order gekregen om 
na de vermeestering van Boekit Madang, langs de s. Balangan te 
opereren; thans wilde hij daartoe overgaan met de 300 bajo- 
netten die in Amoenthay en AUei beschikbaar waren. Ten dien 
einde zond hij een gedeelte der troepen met een houwitser 
onder de Goenens naar Barabei-ie en begaf zich met de rest 
naar Amoenthay. Daar vernam hij van van Oijen, dat er 
aan de Balanganrivier niets kon verrigt worden vóór dat 



Digitized by VjOOQIC 



803 

de omtrek van Amoenthay en Kaloewa gezuiverd was. In 
het onzekere ot hij zonder bepaalden last in het komman- 
dement van van Oijen bevelen mogt geven, besloot Schuak 
(30 September) met kapitein Brands naar Bandjer terug te gaan 
om instructies te vragen. Verspijck droeg toen het militair 
kommandement der hoofdplaats aan Schuak op en ging (4 
October) in persoon naar het oorlogstooneel. 

Inmiddels had van Oijen niet stil gezeten ; den 29«" Sep- 
tember maakte hij een verkenningstogt naar Lampehon , maar 
zag, uitgezonderd eenige versperringen, niets vljandelijks. 
Te Amoenthay terugkeerende, zond hij den volgenden mor- 
gen Beijens uit met 80 bajonetten en een mortier om Kaloe- 
wa te ontzetten, terwijl Terwerda met 30 bajonetten naar s. 
Benar oprukte. De bezetting der benting van onzen regent 
had reeds den aanval afgeslagen en den vijand 15 dooden 
toegebragt; bij aankomst van Beijens was de vijand afge- 
trokken. Op 1 October marcheerde Beijens naar Benoea 
Lawas, waar een nieuw opgeworpen groote en sterke ben- 
ting zonder slag of stoot in zijne handen viel. Een patrouil- 
le, van koelies vergezeld, die (2 Oct.) derwaarts ging om het 
werk te slechten, maakte er eenige gevangenen die, on- 
bekend met de vlugt der bezetting, vivres aanbragten. Na 
op 4 October nog een togt door den omtrek van Kaloewa 
gemaakt en alles rustig gevonden te hebben, keerde Beijens 
(5 October) naar Amoenthay terug. 

Toen Verspijck in den nacht van 5 October te Amoenthay 
aankwam, en vernomen had dat de weg, waarlangs de bezet- 
ting van Batoe Mandie in geval van nood zoude terugtrekken, 
op Moeara Pelap uitliep , nam hij de volgende beschikkingen : 

Van Oijen ontvangt order om met 160 bajonetten, i hou- 
witser en i mortier den 7«° October langs de Balanganrivier 
op te rukken, alle versterkingen te nemen tot aan Moeara 
Petap, en van daar uit op Batoe Mandie te marcheren; 
te gelijkertijd rukt Rhode met 130 bajonetten en 1 houwitser 



Digitized by VjOOQiC 



804 

uit Barabei-ie naar Batoe Mandie, om den vijand de terugtogts- 
lijn af te snijden en hem tusschen twee vuren te brengen. 

Ingevolge deze beschikkingen verliet van Oijen met zijne 
kolonne Amoenthay , vergezeld door het distriktshoofd van Ba- 
langan, kiay radin Maas Wiero Yoeda, en door dat van 
Amoenthay, kiay tommonggong Djaja Negara, ieder met 11 
gewapende volgelingen. Voorhoede Beijens en Hojel, achter- 
hoede de dienstdoende officier Backerus. 

Om zich zooveel mogelijk tegen flankvuur te dekken, gaat de 
dienstdoende ollicier van PufTelen met 30 bajonetten aan den 
linkeroever, en varen de vivrespraauwen tusschen de twee 
kolonnen dje rivier op. Tegen 3 uur vallen er schoten op 
de linkerflank en wordt Wiero Yoeda in den buik gewond. 
Door den officier van gezondheid Ie Rutte verbonden, laat hij 
zich per praauw naar Amoenthay terugvoeren. Nadat te 
Lampehon het bivak betrokken is, gaan twee patrouilles in 
noord, en westel. rigling op verkenning uit. Spoedig komt de 
patrouille van der Heijden in aanraking met den vijand en 
jaagt hem op Beijens. Zijne gekwetsten in de struiken mede- 
slepende, verdwijnt de vijand spoedig uit het gezigt. 

Den 8^°, versterkt met 12 bajonetten onder Backerus, volgt 
van PufTelen weder den anderen oever. Omstreeks 7 uur stoot 
de spits der hoofdkolonne op een verhakking aan den ingang 
van den kampong Pasambie die niet verdedigd wordt; zij 
hoort van PufTelen in gevecht met den vijand, die evenwel 
terugtrekt. Te 8| uur ontvangt de spits een salvo uit een 
bijna onzigtbare barricade, zamengesteld uit boomstammen 
en planken met rottan verbonden, en bedekt door wortels 
van groote hoornen. Onverwijld plaatst de voorwacht, die 
reeds 2 gesneuvelden en 6 gekwetsten telt, zich op zijde 
van den weg buiten de vuurlijn. Onder een kogelregen 
brengt Winter den Sponder op 60 d 70 pas in batterij 
en doet drie schoten; twee artilleristen worden verwond. 
Van der Heijden is met een peloton uitgezonden om 's vij- 



Digitized by VjOOQIC 



805 

ands regterflank om Ie trekken; Winter werpt onderwijl met 
verminderde lading op 75 passen 4 granaten, die het doel 
treffen. De voorhoede daarop stormloopende , vindt de bar- 
ricade reeds verlaten. Op hetzelfde oogenblik hoort men het 
vuur van van der Heijden. Door de struiken gedrongen, 
over een diepe soengej met steile wanden getrokken , is deze 
in den rug der sterkte gekomen en heeft den vijand genood- 
zaakt het hazenpad te kiezen. Nadat de versterking vernield 
is, en de gekwetsten door Ie Rutte verbonden en per 
praauw naar Amoenthay verzonden zijn, trekt de kolonnede 
soengej over en vervolgt haar weg. 

Nabij kampong Pasambie komt een groote l)enting in het 
gezigt, in front 50 pas lang, met facen van 400 pas, voor- 
zien van een drooge gracht, die door randjoe's onbegaanbaal^ 
gemaakt is. De linkerflank dier benting sluit aan de Balan- 
ganrivier. Zooals later bleek, was het werk van achteren 
open, de gepalissadeerde borstwering 0.75 el dik, 3.5 a4el 
hoog, voorzien met twee rijen schietgaten, en een banket 
waaronder de manschappen, die door ingraving de benedenste 
rij bedienden, tegen het granaatvuur gedekt waren. Onder 
een doordringend krijgsgeschreeuw heesch de vijand nu de 
vlag. 

Na de positie zooveel mogelijk verkend te hebben,. liet 
van Dijen een peloton onder van der Heijden links omtrek- 
ken en het geschut op 400 pas van de benting — het 
eenige geschikte punt — in batterij brengen, twee schoten met 
kartetsen doen op de voorvechters die op de borstwering 
stonden, en twee granaten uit den mortier werpen. De laatste 
sprong boven een drom vijanden en verspreidde een alge- 
meenen schrik onder de bezetting ; van Puffelen zag dit van 
de plaats waar hij zich bevond. Toen nu tegelijkertijd het 
vuur van van der Heijden en van van Puffelen gehoord werd, 
liet van Oijen tot de bestorming overgaan. Dooden en ver- 
wonden met zich voerend, trachtte een deel der bezetting 

20 



Digitized by VjOOQLC 



806 

de wijk te nemen over de rivier, 't geen van Puffelen 
haar echter door een twee gelederenvuur belette. Toen 
wendde hij zich naar de andere zijde , waar van der 
Heijden juist deboucheert. Het vuur uit de benting on- 
beantwoord latende, is deze met verlies van een ge- 
wonde over een vlak en open terrein tegenover de keel 
van het werk gekomen , en nadert nu in den stormpas. 
Een oogenblik hield de vijand stand; doch toen onzetirail- 
leurs geen honderd schreden meer te maken hadden, verloor 
hij den moed en nam de vlugt. Nu branden de tirailleurs los; vijf- 
tien vijanden vallen. Een muiter die door witten tulband en 
kleeding in het oog valt, stort van zijn paard; het is 
pangerang Sjerif Omar, zwager van Hidayat; aan zijn zijde 
valt ook pangerang Osman , neef van Hidayat. Dooden en 
gewonden worden opgenomen en in de wildernis gesleurd. 
Van der Heijden gaat nu op de linkerflank der benting af, 
doch bij zijn komst zijn de bestormers van de frontzijde 
reeds daar binnen. Hier was Hojel weder vooraan; door de 
randjoe's in de gracht had hij zich een weg gebaand, en hoe- 
wel gewond het eerst binnen de versterking weten te komen. 
Hij ziet de bezetting bezig met het wegdragen, van' dooden en 
geblesseerden, vuurt zijn pistool af op den man die de vlag wil 
neerhalen , en toen deze zijn lans laat vallen en door twee zijner 
makkers wordt weggedragen, maakt Hojel zich van het doek 
meester, beklimt andermaal de borstwering en begroet drie 
maal de aanrukkende kolonne. 

Toen de bestorming aanving, werd ook de achter- 
wacht aangevallen door een afdeeling die de vijand daartoe 
vooraf bestemd had. De flinke houding der onzen hield 
evenwel den vijand in bedwang en verdreef hem ook daar; 
een fuselier werd bij deze gelegenheid zwaar gewond. 

Na de verovering der benting sprak vanOijendeolïicieren 
en manschappen toe, bragt hulde aan hunne dapperheid, 
nam de Willemsorde van zijn borst en schonk die aan Hojel 



Digitized by VjOOQIC 



307 

in afwachting dat den Koning het behagen zoude hem tot 
Ridder te benoemen (1). 

Men doorzocht den omtrek met patrouilles en maakte een 
begin met het slechten der borstwering. Door hare grooie 
uitgebreidheid kwam men daarmede eerst den volgenden mor- 
gen Maar. Het drooge hout werd opgestapeld en verbrand, 
het vochtige in de rivier geworpen. 

Van half negen tot vier uur (49 Oct.) marcheerde men 
met tusschenpoozen door. Onderweg werd Beijens ernstig 
ongesteld en moest in een praauw overgaan; aan van der 
Heijden werd toen het kommando der voorhoede opgedragen. 
Van Puffelen had met groote moeijelijkheden aan de over- 
zijde te kampen en moest dikwijls ingewacht worden door 
de hoofdkolonne , wier weg de talrijke bogten der rivier niet 
altijd volgde. Bij kampong Layap werd de voorhoede ander- 

(1) Het doet ons leed te moeten aanteekenen dat gedurende den Bandjerschen 
krijg met een onbegrijpelijke traagheid de roordragten tot militaire beloo. 
ningen den Konincp zijn aangeboden. Ze^en maanden later wachtte Hojel . 
met tooYele anderen, nog steeds op de eerste belooning. 

Op het laatst yan April schreef hij zijn broeder de vclgende regelen: 

*Ik heb yele en groote marschen gemaakt , zware yermoeijenissen doorge- 
staan , gebrek en ellende geleden , gevaarlijke uren beleefd ; ik ben zestien 
malen met den vijand slaags , twee malen gewond , en bij elke bestorming de 
eerste in de benting geweest. Ik was de eenige die op het slagreld een rid- 
derkruis uit de hand van mijn chef ontving, en dat kruis voor moed, be- 
leid en trouw , dat voorwerp waarnaar ik altijd zoo vurig verlangde , dat ik loo 
dikwijls verdiend heb, mag mijn borst nog niet versieren; ik moet mij te* 
▼reden stellen het dagelijks te aanschouwen en met een zucht weder op te bergen. 

^eeds zes malen werd ik tot een militaire belooning voorgedragen , met 
smachtend verlangen zie ik de komst van iederen mailpost te gemoet , maar 
^ord ook telkens te leur gesteld. Gij kunt niet begrijpen , hoe dit den sol- 
daat ontmoedigt. Ieder doet bij voortduring zijn pügt, maar de vroegere 
Scestdrift is verdwenen. Is dit de wijze waarop de energie in een leger wordt 
%ewekt ? Waarom onthoudt men ons zoolang die regtmatig verdiende be- 
looningen? Zijn er te veel kosten aan verbonden en wil men wachten tot dat er 
wrat nog een aantal brave soldaten met onversierde borst ten grave «ijn ge- 
^«&Id? Doch laat ik niet morren en bedaard den uitslag afwachten.'' 



Digitized by VjOOQiC 



308 

maal begroet met lilla- en geweervuur uit een derde benting. 
Dezelfde taktiek als bij de vorige versterkingen volgende, 
kreeg Hojel last om een omtrekking om 's vijands régterflank 
te beproeven. Na eenigen tijd rapporteert hij dat dit door de 
zware verhakkingen en randjoebeplantingen onmogelijk is; 
hij blijft evenwel op de flank in positie, om op het signaal 
voor den storm op 'de benting af te gaan. Winter werpt 
onderwijl zes granaten, die allen achter de frontpalissadering 
springen. Nu klinken de hoorns en slaan de tamboers, en 
onder een luid hoera werpt van der Heijden zich op het front, 
en stormt Hojel op de flank; hij stoort zich aan geen hin- 
dernissen van welken aard ook en beklimt de borstwering. 
Door een randjoe ernstig in den voet gewond, ziet Hojel den 
sergeant Aigremont nog voor hem in de benting dringen; 
't is de eerste maal dat Hojel wordt voorbijgestreefd! In 
het front is van der Heijden met de keursoldaten Labarra 
en Kinding vooraan. De benting is van achteren open ; de 
vijand wijkt. Aan vervolgen is niet te denken, want reeds 
valt de nacht in. 

Even vóór de bestorming was de 2« luitenant-kwartier- 
meester van Goeverden met vivres en met 20 bajonetten van 
Amoenthay aangekomen en belette daardoor een aanval in den 
rug der kolonne. Op verzoek nam hij deel aan den storm en 
was mede een der voorsten. Dat het vuur van de Winter 
ook hier goede uitwerking deed, bleek uit de granaatscher- 
ven die men met bloed bevlekt terugvond. Van Goeverden 
keerde met eenige gewonden, terug, de kolonne bivakkeerde 
in de benting en bragt den nacht rustig door. 

Vroeg in den morgen van den 10*" Oclober begon het slech- 
ten der benting, zoodat men tegen 9 uur naar Pringin kon 
oprukken. Een uur later knalde 's vijands geweervuur we- 
der uit de huizen en achter de boomen van den kampong. 
De gids kreeg een doodelijk schot, de artillerist Blom een 
kogel in den hals. Beijens, die eenigzins hersteld op het 



Digitized by VjOOQIC 



809 

hooren van hel vuur de praauw had verlaten, kreeg dade- 
lijk order met een peloton in 'svijands regterflank te vallen. 
Hij slaagde hier spoedig in , en dreef den vijand op de vlugt. 

Na een rust, zond van Oijen een kolonne van 75 bajonet- 
ten onder van der Heijden op verkenning uit, om te ont- 
dekken of ook te Moeara Petap een benting was. Zonder 
gids was hij al spoedig verpligt zich een weg te banen door 
het struikgewas en kwam, geen pad vindende, tegen half 
drie te Pringin terug. Noch de tommonggong, noch een 
zijner volgelingen kende den weg naar Batoe Mandie; de 
kampong was geheel verlaten. Om dus geen tijd te verlie- 
zen, besloot van Oijen terug te gaan en over Lampehon 
naar Batoe Mandie te marcheren. Lampehon werd den He»» 
October bereikt, 's Anderendaags kwam men zonder ont- 
moeting aan de s. Djana, waar de kolonne over twee boom- 
stammen en het geschut even als de vorige maal, door 
't water, naar den anderen oever werd overgebragt. Had 
men vroeger niet vele bezwaren te kampen gehad, thans 
kwamen de grootsten nog. Een uur verder was de weg 
naar Mantimin letterlijk onbruikbaar geworden door ondoor- 
dringbare aaneengeschakelde versperringen. Van Oijen liet 
nu digt langs den weg een pad kappen door het zware, digt 
ineengegroeide bosch. Men vordert slechts voet voor voet, 
daalt in ravijnen neer, zakt in diepe modderpoelen, be- 
khmt steile hellingen, en werkt zich door alles heen. Offi- 
cieren ziet men het geschut voorttrekken , soldaten de vrach- 
ten torschen die de koelies niet meer dragen kunnen; de 
vermoeijenis is zóó groot, dat ieder het bewustzijn bij zich 
draagt van niet meer te zullen opstaan, als hij eens is neer- 
gezegen. 

De korte avondschemering maakt plaats voor een som- 
bere , tastbare duisternis , zoo indrukwekkend in het woud. 
Men is op een kleine opene plek gekomen; van Oijen kom- 
mandeert halt. De plaats is wel is waar ongunstig voor een 



Digitized by VjOOQIC 



810 

bivak, maar men kan niet meer marcheren, aller krachten 
zijn letterlijk uitgeput. De kolonne formeert het carré, het 
kanon wordt geplaatst aan den kant, van waar de vijand 
kan verwacht worden. Op 15 pas van het carré staat 
een keten van schildwachten. Geen wachtvuren worden 
ontstoken, geen rijst gekookt; slechts de dorst kan ge- 
lescht worden aan een beekje dat gelukkig in de nabijheid 
vjoeit; daarna is slapen de eerste behoefte. Zóó groot 
is de aandrang tot slapen, dat van Oijen en van der Heij- 
den beurtelings het carré rondgaan om eenige manschap- 
pen te laten staan. Voor de officieren, vooral voor den 
kommandant was die nacht lang; noch van Oijen, noch van 
der Heijden genoten een enkele minuut rust. Nu en dan bragt 
de nachtelijke stilte het geluid van menschenstemmen uit de 
verte over; men zag op eenigen afstand kleine vuren flikke- 
ren; de vijand was dadr; maar gelukkig vermoedde hij de 
tegenwoordigheid der kolonne in zijn nabijheid niet. 

Eindelijk brak de dag aan. Van Oijen had in last om den 
13«n te Batoe Mandie te zijn; hij zoude er zich ook bevinden. 
De kolonne stond gereed om, zonder voedsel genoten te 
hebben, den geforceerden marsch te vervolgen, toen juist een 
patrouille van Lampehon aankwam met vivres. Ieder man 
ontving een brok hard brood, de inlanders wat drooge visch, 
de Europeanen raauw spek , en vooi'waarts ging 't toen naar 
Mantimin. Ten HJ ure hielden de versperringen op en was 
de plaats bereikt waar vroeger de kampong stond, door de 
kolonne Koch verbrand. Daar klonk het kanonvuur in zuide- 
lijke rigting; het was waarschijnlijk de kolonne Rhode die 
Batoe Mandie aanviel. 

Met den meesten spoed rukt van Oijen voorwaarts ; hij laat 
de bagaadje en ambulance met de achterwacht volgen , wor- 
stelt door talrijke versperringen die zijn marsch nog vertra- 
gen , trekt door een diepe soengej , trotseert alle beletselen 
en komt, met veel inspanning tegen 5 uur te Batoe Man- 



Digitized by VjOOQIC 



311 

die. Is de teleurstelling groot , omdat , na zoovele hinder- 
palen overwonnen en het doel bereikt te hebben , de kolonne 
geen deel kan nemen aan de verovering van het zoo beruchte 
Batoe Mandie, groot is ook de vreugde en de hartelijkheid, 
waarmede zij verwelkomd wordt door hare makkers van Ba- 
rabei-ie. 

Rhode was namelijk (120ctober) van Barabei-ie gemarcheerd, 
met een kolonne van 127 bajonetten (de Coenens, van Sorgen en 
twee dd. officieren), eenige sappeurs onder Caspersz, een hou- 
witser en een mortier, 's Anderen daags op een halfuur afstands 
van Batoe Mandie komende, werd zijn achterhoede beschoten. 
Een patrouille ter vervolging van den wijkenden vijand uit- 
gezonden, stuitte op randjoe-aanplantingen en springlansen 
die op het pad gerigt waren. Tegen het middaguur kwam 
men tot op 400 pas van de benting. De Coenens ging op 
verkenning uit, en vond op ongeveer honderd passen van 
de borstwering een uitmuntende stelling voor het geschut. 
In de benting werd geen teeken van leven gegeven ; het 
eenige wat in 't oog viel, was een uit hout nagemaakt doodshoofd 
op een hoogen staak geplaatst. Nadat de vuurmonden in bat- 
terij gebragt waren, werd er een worp gedaan; oogenblik- 
kelijk daarna opende de bezetting het vuur uit lilla's en ge- 
weren. Na een schot uit den houwitser, bragt men het 
geschut regts en links van het pad en naderde door het ge- 
boomte tot op 50 pas; door de randjoe's en wolfskuilen 
ging deze beweging met groote bezwaren gepaard en bezorgde 
ons een gewonde. 

Van Sorgen was inmiddels met een peloton regts afgegaan ; 
de Coenens stond aan de andere zijde gereed om te stormen ; 
Caspersz met eenige sappeurs van stormladders voorzien , zou 
hun den weg banen. 

Het volgende schot uit den houwitser was het signaal tot 
den storm. Vol geestdrift wierpen de troepen zich van beide 
kanten op de borstwering ; niemand lette op de randjoe's die 



Digitized by VjOOQiC 



312 

overal uit den grond staken. Wat beduidde een voetwond, 
als men de kans had de eerste in de vijandelijke sterkte te 
zijn! van Sorgen, Gaspersz en de Coenens zelven werden op 
die wijze gekwetst. Waren zij de voorsten op de borstwe- 
ring, 't was evenwel alleen om den vijand te zien vlugten. 

De beuling te Batoe Mandie bestond uit een 90 pas lange 
borstwering op de gewone >vij4e zamengesteld , met drie 
flêches aan de zuidzijde, en door springlansen , randjoe's, 
wolfskuilen en verhakkingen in front en op de flanken zeer 
versterkt. Van achteren was het werk nog niet gesloten ; 
wel lag dit in het plan des vijands , want de materialen lagen 
gereed , de geulen en gaten waren reeds gegraven ; doch de 
komst onzer troepen had de'voltooijing verhinderd. 

Daar van der Heijden ziek was, luitenant de Coenens en 
van Sorgen randjoe-wonden hadden bekomen, werd de dd. offi- 
cier Backerus met 102 bajonetten, een mortier en een aantal 
koelies tot bezetting van Batoe Mandie achtergelaten, met 
last zich ijlings te verschansen, gedurende 4 4- dagen daar stand 
te houden en den omtrek te zuiveren. Laat in den avond 
van den 44^», kwam van Oijen met de rest der troepen uiterst 
afgemat te Barabei-ie aan. In weerwil der doorgestane ver- 
moeijenissen en geleden verliezen was de geestdrift der sol- 
daten onverflaauwd gebleven. Het voorbeeld van van Oijen 
had wonderen verrigt ; viel aan Rhode al de eer te beurt 
de Nederlandsche vlag op Batoe Mandie te planten, niet 
minder roemvol was de bijna bovenmenschelijke inspanning 
waarmede van Oijen zijne taak volbragt. 

Na het verlies van Batoe Mandie, trok Antassari volgens 
sommigen naarTeweh terug; omtrent het verblijf van Hidayat 
liepen de berigten uit een. Te Lampehon werd tijdelijk een 
post van 25 man opgerigt om de bevolking tot terugkeer 
in den kampong aan te moedigen. Ook te Pringin bouwde men 
(23 October) een versterking voor 70 bajonetten, in de 
hoop dat de vijand daardoor de streek tusschen die 



Digitized byVjOOQ IC 



313 



plaats, Tabalong en Barabei-ie ongemoeid zou laten. Kapitein 
Peltzer kreeg dahr het koramando. 



Demang Djaja Negara Seman, een broeder van den regent 
van Martapoera, en zekere kiay Djajapati heulden met 
den vijand en hadden ten zijnen behoeve in den kampong 
Djatti l(Allei) voorraadschuren opgerigt. De 4« luitenant 
von Ende werd met den dd. officier van der Horst en 40 
bajonetten (17 October) uitgezonden om die Hoofden op te 
ligten. 

Amin, een bewoner van Rantawan bood zich vrijwillig als 
gids aan. Daar de ligging van Djatti tot dus verre onbe- 
kend was, werd zijn aanbod aangenomen, met belofte van 
een goede belooning wanneer hij de kolonne daar bragt, 
en onder bedreiging met den dood, indien hij verraad pleegde. 

Djatti lag 2i uur van Barabei-ie en werd zonder vijandelijke 
ontmoeting bereikt. In weerwil dat de bewoners hunne huizen 
ontvlugtten, en er van opligten geen sprake meer was, trok 
von Ende evenwel naar de woning van Djajapati, en door- 
waadde de rivier Lok-besaar, hier 40 el breed. Geweer- 
schoten knalden aan den anderen oever. De gids verwachtte 
grooten weerstand, want Djajapati had hier een benting 
opgerigt en bezet met 120 man; waar deze lag, wist hij 
niet. Von Ende had Djatti reeds achter den rug en bevond 
zich in den kampong Rantawan, toen hij deze mededeeling 
ontving. Eenmaal over de rivier zijnde, besloot hij ook de 
benting te nemen, al was zijne magt ook gering. Van twee 
zijden door het vijandelijke vuur bestookt, marcheert hij door 
en onderzoekt Djajapati's woning. Daar komt de gids buiten 
adem aanloopen met het berigt dat hij de benting op geen 
30 pas afstands gezien heeft en er een groote koperen lilla 
op den weg gerigt is. Op een wenk trekt de spits terug. 
Van der Horst krijgt last de benting met 20 man te ver- 



Digitized by VjOOQIC 



314 

kennen; als de vijand zijn vuur opent, moet hij dadelijk 
gaan leggen en het eerste salvo afwachten om daarna storm te 
loopen. Von Ende stelt zich met de rest bedekt op , zonder het 
vuur te] beantwoorden dat van de westzijde op hem geopend is. 

Toen van der Horst zoo bedekt mogelijk tot op 15 pas van 
de borstwering genaderd is, valt er een geweerschot. Men 
heeft juist den tijd zich plat op den grond neer te leggen, 
om het schroot en de kogels van lilla's en geweren over 
zich heen te laten gaan. Daarna opspringen, vooruit stor- 
men, de palissadering beklimmen en de benting nemen, is 
het werk van een oogenblik. De inlandsche fuselier Moega 
die de eerste was binnengedrongen, kreeg een ligt schot 
in den arm. Drie zijden der benting waren gepalissadeerd, 
de vierde met struikgewas en bamboe versperd; elke face 
was 18 el, elke palissade 21 el lang. In twee tegenoverstaande 
hoeken stonden lilla's in batterij. 

De verdreven bezetting trok terug op een tweede veldwerk 
aan den rivieroever gelegen, dat nu eerst gezien werd. Zoo- 
wel hier als uit een derde verschansing werd hij spoedig 
verdreven. Uit den aanleg der werken bleek het nu, dat 
men op een aanval van een ander punt gerekend had. 
Toevallig was von Ende tusschen een voorwerk en de hoofd- 
benting gekomen, had het laatste half bij verrassing geno- 
men en daardoor de positie in zoo weinig tijd vermeesterd. 
In de drie versterkingen en in Djajapati's woning werden een 
menigte lansen en manden met randjoe's gevonden ; door 
de onverwachte komst der patrouille was geen enkele randjoe 
geplant. 

De veldwerken werden geslecht, het huis van Djaja- 
pati en de kampong Rantawan met zijne padieschuren 
verbrand. Onderwijl onderhield de vijand een levendig 
vuur, doch op te grooten afstand om veel nadeel te doen. 
Het was echter duidelijk te hooren dat hij elk oogen- 
blik sterker werd; daarom besloot von Ende terug te 



Digitized by VjOOQIC 



815 

gaan. Tol Lok-besaar, een uur van Djald, werd hij vervolgd 
en beschoten. Kalm en bedaard retirerende, schoot men 
menigen rauileling neder en hield de massa op een eerbie- 
digen afstand. Een gevangene die pogingen deed om te 
ontvlugten, werd afgemaakt. 

Behalve de vlag van Djajapati in de benting veroverd, 
had men verscheidene brieven van Hidayat gevonden be- 
treffende leveringen van rijst en atap. 

Den ^^^ October rukte von Ende andermaal uit, met 
Coevoet dd. officier en 60 bajonetten, met plan langs een 
anderen weg den karapong Boelanin, de verblijfplaats van 
demang Djaja Negara Seman , te nacferen. 

Zonder eenige ontmoeting werd kampong Karangan, 5 
uur van Barabei-ie , bereikt en van daar een inlander mede- 
genomen om de kolonne naar Boelanin te geleiden. Door 
middel van een geldelijke belooning werd de gids overgehaald 
eenige mededeelingen te doen die hier op neer kwamen, 
dat demang Lehman met 30 volgelingen den vorigen dag 
nog te Intangan — 2 uur van Boelanin — was geweest, 
en het voornemen had zich voorloopig op laatstgenoemde plaats 
te vestigen. Werkelijk werd dit te Intangan bevestigd door 
de familie van den gids, die bovendien nog meende te 
weten dat Lehman spoedig naar Djatti zoude gaan. 

Nu eens over bergen en rotsen dan weder langs diepe 
ravijnen en door soengej's trekkende, verhaastte von Ende 
zijn marsch en kwam tegen half vijf te Boelanin. Op 
eenigen afstand van de plaats zag men een zestal vijanden, 
waarvan eenigen te paard, met overijling in het bosch 
vlugten. Hoewel een overval belet scheen, ging Coe- 
voet met 30 bajonetten in den looppas vooruit, omsingelde 
het huis van Lehman, doch vond het reeds verlaten. In 
een hoogen doerianboom met trapsgewijze insnijdingen voor- 
zien, had een schildwacht gezeten die op de komst der 
troepen het teeken van alarm gaf. 



Digitized by VjOOQIC 



816 

Boelanin lag in een' liefelijk dal , 9^ uur van Barabei-ie , 
en bestond uit een zestal woningen ; de raadzaal , demang 
Lehman's woning en een padieschuur waren nieuw. Vóór 
de hoofdwoning bevond zich een galg en een voorraad 
atap en Ijzerhout, bestemd tot den aanbouw van nieuwe 
huizen. Binnen 's huis droeg alles het kenmerk van een over- 
haaste vlugt ; versch gesneden gras , sporen van paarden en 
menschen , gekookte rijst , enz. In de raadzaal , waaruit de 
wanden genomen werden, sloeg men het bivak op; de nacht 
ging rustig voorbij. 

Den 26^° werd er opgebroken ; Boelanin werd verbrand, en 
onderweg elk huis onderzocht. In een woning vond men twee 
inlanders, waarvan er een ontkwam, en de andere amok 
maakte , den sergeant Senin een krissteek in de hand toe- 
bragt, en daarop neergeschoten werd. Langs den weg naar 
Intangan was veel hout gekapt voor nieuwe ladangs ; twee 
uitgestrekte tabakaanplantingen trokken de aandacht van 
von Ende; toen hij daarover den gids ondervroeg, vernam 
hij dat Lehman dit alles op last van Hidayat had doen aan- 
leggen. 

Het plan om over Laboean de kampongs Rantawan en 
Djatti van de noordzijde te bereiken , bleek ondoenlijk te 
zijn ; de gids kende den weg niet. Nu ging het over Karan- 
gan tot Bagon waar gebivakkeerd werd. Het Hoofd dier 
plaats had een groot gebouw zonder omwanding voor ka- 
serne beschikbaar gesteld ; daar evenwel later een inlander 
kwam waarschuwen voor een mogelijken aanval bij nacht 
door zekeren Djaja di Paraksa , koos von Ende een geschik- 
ter punt uit. Dien nacht werd men echter niet veront- 
rust. 

's Anderendaags (27 October) te Djatti aankomende, werd 
Coevoet met 30 man den kampong ingezonden. Aan de 
overzijde der breede rivier stond een troep gewapenden, 
waarbij een man te paard, 't Was bekend dat alleen Lehman in 



Digitiz^d by VjOOQIC 

\ 



817 

deze streken paarden bezat. Van overvallen kon geen sprake 
meer zijn. Er bleef dus op dat oogenblik niets anders over 
dan met een pelotonsvuur den vijand zoo veel mogelijk na- 
deel toe te brengen. De troep stoof toen uiteen; men zag 
het paard zonder ruiter wegloopen. 

Von Ende gelast Goevoet den vijand een eind weegs te 
vervolgen en teruggaande Rantawan , Djatti en Berajan , die 
één kampong vormen , door het vuur te vernielen. Goe- 
voet gaat op den vijand af, laat zich door de lilla's en 
geweren niet afschrikken , maar dringt hem met verlies van 
twee dooden van den oever terug. Korporaal van Smaalen 
die de spits leidde , wordt bij de vervolging door twee ko- 
gelschoten buiten gevecht gesteld. De huizen, die bij 
het eerste bezoek gespaard bleven, worden in brand ge- 
stoken. 

Von Ende achtte het nu raadzaam den terugmarsch aan 
te nemen. Zijne troepen waren vermoeid en de voorraad 
vivres verbruikt. Hij bepaalde zich tot het executeren van 
een inlander uit Djatti, die hem een verkeerden weg had 
aangewezen , waardoor de troepen onder het werkzaam lilla- 
vuur des vljands zouden gekomen zijn. Zijn dood moest tot 
voorbeeld strekken aan de andere gidsen. 

Bij de terugkomst van majoor Verspijck te Bandjer (16 
October) liep er een gerucht rond, dat de zoogenaamde pan- 
gerang Moeda uit Tanah Laut over Tambak Limik de hoofd- 
plaats zou aanvallen. De pangerang verscheen evenwel niet. 

In het laatst van September was de radja van Pagattan 
met 500 Boeginesche hulptroepen te Tabanio aangekomen 
en den 3*^" October naar Pleiharie gemarcheerd, om van 
den kommandant Paternostre de Montlion instructiën te 
ontvangen. Hoewel de hulptroepen op zich zelven zou- 
den ageren, moest dit echter geschieden in overeen- 
stemming met de verrigtingen onzer patrouilles. Dienten- 



Digitized by VjOOQIC 



318 

gevolge kreeg de radja last om zijne magt in twee kolon- 
nen te verdeelen; de eene moest naar Assem-assem en verder 
westwaarts , de andere naar Batoe Tongko en dan oostwaarts 
de bosschen doortrekken, ten einde zoodoende de mui- 
telingen naar elkander te jagen. Een patrouille versterkt 
door een troep kampongsbewoners, rukte van Pleiharie naar 
het zuiden , om den vijand van dien kant den pas af te 
snijden. 

Spoedig vernam men dat de radja van Batoe Tongko 
tot soengej Boeloe opgerukt was, de bende van hadji Boe- 
yasin opgespoord en uit een versterking gejaagd had. In 
den loop der maand October sloeg hij de muitelingen bij 
verschillende gelegenheden. Te Boelin, gedekt door veertien 
verschansingen , en verdedigd door 4-00 man , die zich in 
het bijna ontoegankelijk terrein veilig waanden, nam hadji 
Boeyasin den schijn aan van te willen onderhandelen, stelde 
zich zelf en zijn gezin daarop in veiligheid en liet toen den 
radja verraderlijk aanvallen. De verbitterde Boeginezen sloe- 
gen den aanval evenwel af, verjoegen den vijand uit zij- 
ne versterkingen, en verbrandden zijne talrijke rijstschuren. 
Had de radja met meer voortvarendheid gehandeld, dan zou 
te Boelin, hadji Boeyasin in zijne handen zijn gevallen. Onder 
de gesneuvelden van 'svijands zijde waren twee pembekkels. 
De hulptroepen uit Tatian Taras die in de rigting van 
Sawarangan ageerden, sloegen eveneens den vijand in ver- 
schillende gevechten en zonden veel krijgsgevangenen naar 
Pleiharie. Prinsen vond op een togt tot boven s. Boeloe, 
verscheidene goed gevulde padieschuren en een menigte 
goederen , karbouwen , wapens , kruid en lood ; te Dadap 
vernielde hij een paar verlaten versterkingen. Den 26«" rukte 
hij met 30 bajonetten naar Patahang Galang om den pembek- 
kel Doeraip op te ligten. Een boeginesche gevangene die 
tot gids diende, bragt hem na een hoogst vermoeijenden marsch 
midden in een digt woud, en gaf toen voor den weg niet 



Digitized by VjOOQIC 



319 

ie kennen. De logt mislukte daardoor, doch het kostte 
den gids het leven; want toen overreding noch bedreigin- 
gen hielpen , liet Prinsen hem doodschieten. 

Daar het oogmerk der meeste patrouilles niet bereikt werd 
door de waakzaamheid des vijands , gelastte de majoor Ver- 
spijck den kommandant van Tanah Laut, om den sergeant 
Balana van het 9"^ bataillon infanterie die zich reeds dikwijls 
door moed en beleid had onderscheiden , met een twintigtal 
uitgezochte soldaten , als gewone inlanders verkleed de om- 
streken te laten doorkruisen en den vijand, die overal in 
kleinen getale ronddwaalde, zoo veel mogelijk te benadeelen. 

Daar het zich bevestigde dat boven Pengaron, voorname- 
lijk te Karangan Ambawang en Pramassan zich vijanden op- 
hielden, kreeg Benschop last zich van de waarheid te gaan 
overtuigen. Hoewel menige patrouille van dien aard slechts 
met een enkel woord door ons vermeld werd, willen wij 
de bijzonderheden van dezen togt iets naauwkeuriger be- 
schrijven. 

Met 7ï2 bajonetten onder Potthast, voorzien van 12 dagen 
vivres en vergezeld van den pembekkel Ali van Pengaron toog 
Benschop (21 October) op marsch naar Baleh. Kampong 
Saha en Limoekan werden langs den nieuwen weg zonder 
moeite bereikt. Aan den binnenweg van Pinjoewan wachtten 
10 man der bezetting van Baleh de kolonne op en sloten 
zich daarbij aan. Op de plaats waar vroeger Pinjoewan stond, 
werd onder een zwaren regen het bivak betrokken. Reeds 
te Soengej Pinang, dat 's anderendaags ten 9 ure bereikt 
werd, ontdekte de spits drie gewapende inlanders die de 
wacht aan de rivier hielden. Een hunner werd neerge- 
schoten. 

Omstreeks elf uur zag men twee nieuwe woningen op een 
onlangs aangelegden ladang. Benschop begaf zich naar de 
voorhoede, ontwaarde duidelijk drie muitelingen in de na- 



Digitized by VjOOQIC 



820 

bijheid dier woningen en gelastte Potthast een poging te 
doen hen te omsingelen. Als echte guerilla*s bekropen de 
soldaten ongemerkt den argloozen vijand. Zich eensklaps 
omsingeld ziende, wierp er een zich met geveld^ lans op 
de soldaten, doch werd neergeschoten. Een ander met 
geweer en klewang gewapend raakte handgemeen met kor- 
poraal Krijgsman, die een ligten houw met den klewang 
kreeg doch zijn tegenpartij aan de bajonet reeg. 

In de laatste dagen was er veel regen gevallen ; dit had den 
weg door het heuvelachtig land buitengewoon glibberig ge- 
maakt. Tamelijk vermoeid bereikte men dus Boekit Maihi, waar 
gebivakkeerd werd. Benschop had tot gids zekeren Wangsa- 
pati , die hem van Martapoera gezonden was om de kolonne naar 
Karangan Ambawang te geleiden. Te Maihi verklaarde de 
gids dat hij met die streek onbekend was, doch dat hij 
eenmaal te Boekit Besar zijnde, gemakkelijk den weg zou 
kunnen vinden. Daarom rigtte Benschop den aS*»* zijne 
schreden derwaarts; maar vóór dat Boekit weder bereikt 
werd, beweerde Wangsapati den weg herkeiïd te hebben 
en gaf voor dat men zich nu geheel op hem kon verlaten. 
Zoo werd er tot H uur doorgemarcheerd , toen men drie 
gewapende mannen zag vlugten. Bij de vervolging werd 
een vrouw gevangen genomen, die voorgaf van Singadjaja 
naar Maihi t^ gaan. Het Hoofd van dien naam stond be- 
kend als aanvoerder eener vijandelijke bende; en daar 
de kampong een half uur zijwaarts van den weg lag, werd 
Potthast met 30 bajonetten derwaarts gezonden. Deze vond 
een 6tal huizen waaruit eenige mannen de vlugt namen, 
en zag er op zijn salvo een paar vallen. Na zich weder 
met den hoofdtroep te hebben vereenigd , vervolgde de 
kolonne haren marsch tot 3 ure , toen men eenige vervallen 
huizen aantrof, die tot huisvesting van een honderdtal 
personen hadden gediend. De gids noemde deze plaats 
Boekit Kinaang; hier werd het bivak opgeslagen. Pembek- 



Digitized by VjOOQIC 



321 

kei Ali meende dat punt te kennen, als gelegen op den weg 
naar Pramassan; Wangsapati hield het tegendeel vol. 

De weg die den 24*^° werd gemaakt, liep uren lang door 
diepe soengej's, die doorwaad moesten worden; nu en dan 
versperden zulke groote rotssteenen den bodem, dat m^n 
elkanders hulp noodig had om ze te beklimmen. 

Ten twee ure vertoonde zich een twaalftal huizen op een 
ladang. Ali herkende Pramassan Baroe , de verblijfplaats van 
Goena Widjaja. Benschop zond Potthast met de voorhoede 
door een kleine soengej links , sergeant Kolff met een pelo- 
ton regts af, om het ontvlugten langs dien kant te beletten. 
Aanvankelijk bemerkte de vijand de tegenwoordigheid der 
troepen niet, doch toen deze met veel moeite een verhak- 
king moesten overklimmen, werden zij ontdekt; dit gaf aan- 
leiding tot een algemeene vlugt. Een groot aantal met ge- 
weren en lansen gewapenden maakte zich in allerijl uit de 
voeten. De kogels hun achterna gezonden doodden er twee 
en verwondden verscheidene anderen. Op een heuvel ge- 
komen, hield de vijand een oogenblik stand om zijne vuur- 
wapens af te schieten, waardoor korporaal Schonenbergen 
in het schouderblad werd getrofiTen. Potthast sneed na het ge- 
vecht het projectiel uit de wond. Een geweer en een gong, 
die volgens Ali aan Goena Widjaja behoorden, eenige 
lansen, een tjap van Antassari en eenige briefjes die in de 
handen der onzen vielen, bewezen dat een der hoofdmuite- 
lingeh zich hier had opgehouden. In de woning vond men 
nog eenige uniformknoopen en een stuk eener tunique. 

't Was laat geworden, en Wangsapati tijd noodig hebbende 
om zich te oriënteren, daar hij door het aanleggen vanden 
nieuwen ladang den weg niet herkende , besloot Benschop het 
bivak te betrekken. Het wantrouwen in den gids nam toe 
toen men (den 25*^°) weder oostelijk moest marcheren; 
vroeger toch had hij gezegd dat Karangan Ambawang aan 
de Riam Kanan lag, en deze liep mcBr zuidelijk. Volgens 

21 



Digitized by VjOOQIC 



322 

hem moest dien dag Karangan Ambawang bereikt worden. 
Vroeg in den morgen rukte de kolonne verder, trok door 
verscheidene soengej's en werd gedurig opgehouden om den 
gids tijd te geven zich te oriënteren. Ten 8 uur kwam men 
aan een ladang, vanwaar twee gewapenden in het woud 
ontvlugten; een uur later werd een kampong bereikt, die 
Ali voor Pramassan herkende. De 43 huizen waaruit de 
plaats bestond, waren verlaten. Daarna beklom men langs 
een moeijelijk pad een steilen heuvel, door den gids Boekit 
Tingih genaamd. Tegen half drie uur ontwaarde de voorhoede- 
kommandant weder eenige huizen. Benschop zich naar voren 
begevende, gelastte aan Potthast de woningen te omsingelen en 
zond Kolff zijwaarts uit. De omsingeling gelukte volkomen. Vier 
gewapenden, die met lans en klewang op de soldaten aan- 
vielen , werden spoedig ontwapend en gekneveld ; een vijfde 
bewoner bleef rustig in huis. De vier gevangenen deden alle 
moeite om hunne banden los te wringen; wraakzucht straal- 
de hun uit de oogen. Acht soldaten waren te naauwernood 
in staat hen in bedwang te houden, en toen het schreeuwen 
en worstelen geen einde namen, zag Benschop zich genoopt 
hen te laten afmaken. De overgeblevene verklaarde onder 
de bevelen van demang Lehman te staan, wien men belasting 
in stofgoud en rijst moest opbrengen; hij bood aan, de 
kolonne naar Karangan Anbawang te geleiden, deelde mede 
dat men thans op weg naar Koesan was, en eerst een eind 
weegs terug moest gaan; dan kon men in drie dagen die 
plaats bereiken. 

Wangsapati had Benschop dus misleid. Dat hij het ter- 
rein kende, was buiten twijfel; want ook de gevangene 
noemde den heuvel waarop men zich bevond, Boekit Tingih. 
Benschop beloofde den bergbewoner de vrijheid , als hij hem 
naar Karangan geleidde. 

Daar het bijna den geheelen dag geregend had, werd hier 
gebivakkeerd. Den Sö^"^ daalde men langs een helling van ^O^' af 



Digitized by VjOOQIC; 



823 

en bereikte ten half drie ure den verlaten kampong Riaman: 
Potthast ging met 30 bajonetten en 15 bannelingen eenige 
huizen in de nabijheid onderzoeken , doch vond die verlaten. 
Den 27«" werd onder aanhoudenden regen gemarcheerd; ver- 
bazend groote steenen in de soengej Pambinang vormden 
nu eens kommen, dan weder watervallen, die een schoon 
gezigt opleverden. De weg was zoo glad , dat men slechts met 
de meeste inspanning den berg Batoe Pahoe kon afdalen. 
In den kampong van dien naam werd ten 4 uur halt ge- 
houden en gebivakkeerd. Wangsapati had hier vroeger eeni- 
ge dagen met demang Lehman doorgebragt; in een der 
woningen vond men vier vormen om hoUandsch geld te 
gieten. 

Den 28*° moest de schoone, breede soengej Pahoe, die 
zich verder op in de Riam Kanan uitstort, verscheidene 
malen doorwaad worden. Een huis op een nieuwe ladang 
werd omsingeld; men vond daarin twee vrouwen. Een grijs- 
aard kwam eigener beweging uit het veld naar Benschop 
en deelde mede dat Goena Widjaja 15 dagen geleden daar 
doorgetrokken was, dat men aan demang Lehman belasting 
in rijst moest opbrengen, en dat op drie uren afstandseen 
aantal muitelingen in een groote woning vereenigd was. 

Den ouden man als gids medenemende , besloot Benschop 
nog voor dat de avond inviel derwaarts op marsch te gaan. 
Tegen 5 uur was hij op de bedoelde plaats aangekomen; 
Potthast omsingelde de woning met zooveel beleid, dat er 
slechts twee mannen ontkwamen. Mertoleksono weerde een 
klewanghouw af van een muiteling met wien hij handge- 
meen raakte , en reeg hem aan zijn bajonet. De strijd duurde 
kort, het voordeel was geheel aan onzen kant. Negen 
dooden bleven op de plaats; 9 mannen, 22 vrouwen 
en kinderen werden gevangen genomen. Een paar man die 
gedurende het gevecht de achterhoede aanvielen, werden 
ook ontwapend en gevangen genomen. Pembekkel Hanjer, 



Digitized by VjOOQIC 



324 

een. der gevangenen, werd in verhoor genomen; hij wei- 
gerde echter eenige mededeeling te doen en zeide op stouten 
toon wlat hij alleen de bevelen opvolgde van Hidayat en Leh- 
man, aan wie hij gehoorzaamheid verschuldigd was''. Op de 
plaats zelve werd het bivak opgeslagen. Van 'tmarscheren 
door het water hadden de meeste Europeanen open voeten ge- 
kregen; velen, ook inlandsche soldaten, leden aan beenziekte 
en koorts. Rustig werd de nacht doorgebragt, en den vol- 
gereden dag (29) , nadat de vrouwen en kinderen in vrijheid 
waren gesteld , den marsch weder aangenomen. De bed- 
dingen der soengej's maakten meestal het pad uit dat men 
moest volgen; dikwijls kroop men met handen en voeten 
over de steenen, om niet in den afgrond te storten. Tegen 
één uur zag men een huis waaruit twee mannen en 
een vrouw ontvlugtten; men vond er slechts een kind. Hoe- 
wel het nog vroeg was, achtte de kommandant het noodig 
zijne troepen eenige rust te geven en werd dus het bivak 
betrokken. 

Den SO*^** tegen IJ uur bereikte men de soengej Pa- 
hoe wier bedding weder een half uur moest gevolgd wor- 
den; daar men tot aan de heupen in het water ging, en 
de stroom snel was, eischte die marsch veel voorzigtigheid. 
De kommandant der achterhoede rapporteerde onderweg, 
dat hij verpligt was geweest de gevangenen, bij een poging 
om te ontvlugten, af temaken. Benschop had den:pemhekkel 
Hanjer onmiddellijk achter de voorhoede doen marcheren om 
hem beter in het oog te houden; deze ontkwam diaardoor het 
lot der anderen en werd later als krijgsgevangene te Pfengaron 
gebragt. Een uur van Karangan Ambawang zag men drie ge- 
wapenden uit een huis vlugten; daar het volgeladen was met 
padie, werd het in de asch gelegd. Iets verder omsingelde men 
een andere woning, waarinzich twee jongelingen, twee vrou- 
wen en een zieke oude man bevonden en niemand^! wederstand, 
bood. Volgens hunne verklaring hield de pembekkel of kiay 



Digitized by VjOOQIC 



326 

Anjer zich met eenig gevolg te Karangan Ambawang op, en 
4)ad pangerang Moeda tien dagen vroeger, aldaar den nacht 
doorg^ebragt. Benschop nam de beide jongelingen niede om 
het bedoelde huis aan te wijzen; de bewoners schenen even- 
wel gewaarschuwd te zijn, want er werd niemand aange- 
troffen. Nadat de kampong onderzocht was, liet Benschop 
het bivak betrekken en zond patrouilles uit, die zes groote 
goed gevulde padieschuren vonden en in brand staken. 

Den 3i«° werd de Riam Kanan doorwaad. Teii 40 ure bereikte 
men Karangan Ambawang; daar het verlaten was, werd het aian 
de vlammen prijs gegeven. Zeven inhet bosch verborgen padie- 
schuren ondergingen hetzelfde lot. Een der koelies kende een 
weg die regelregt naar Pengaron liep; daarom gaf Benschop 
den gevangene die de kolonne tot hier had geleid, volgens be- 
lofte de vrijheid terug. De Riam Kanan andermaal doorwa- 
dende , bereikte men ten 4 uur een ladang Waar de nacht 
werd doorgebragt. Den 4«» November ging het langs een 
moéijelijk pad over Soengej Loeris tot Amoniapon Besaar; men 
bleef daar dien dag; de krachten der meesten waren uitgeput; 
men kon niet verder. Eindelijk werd (den 2«) Pengaron we- 
der bereikt. * 

Gedurende dertien dagen was er door een onbekend land 
in den regen, door rivieren gemarcheerd; dertien nachten 
had men gebivakkeerd op den doorweekten bodem; veel 
gevochten was er wel niet, maar men had den vijand toch 
zooveel mogelijk nadeel toegebragt. Ieder had zijn pligt ge- 
daan en kon nu van zijne vermoeijenissen uitrusten, terwijl 
de kommandant de schets van het doorloopen terrein in 
teekening bragt en zijn rapport opmaakte voor den ' kom- 
mandant der troepen te Bandjer. 

Aan de Kapoeas en Kahayan bleef het rustig. Te Kwalla 
Kapoeas had men vernomen, dat eenig slecht volk van Ka- 
langah afkomstig, zich aan de s. Naning bij Poeloe Kanamit 



Digitized by VjOOQIC 



326 

schuil hield. 1^ Luitenant Perelaer, kommandant der nieuwe 
versterking, maakte met 30 bajonetten en een mortier een 
patrouille derwaarts en bereikte na een allervermoeijend- 
sten togt door moerassen van 4 uren , de juist ontruimde 
schuilplaats der boosdoeners. Hij vond een menigte voor- 
werpen van den in Julij 1859 bij Poeloe Kanamit gezon- 
ken stoomer Tijpanas, onder anderen een bronzen vuurmond 
met slagtoestel, een anker van 500 pond, een ankerketting, 
stukken der machine, smidsgereedschappen enz. en liet dat 
alles naar de Kwalla Kapoeas overbrengen. 

Den 25«° October kreeg van Gennep last om met de Kings- 
bergen en den sleper van Os, versterkt door een detache- 
ment van 35 bajonetten onder den 2*^° luitenant de Brauw , 
de Barito optestoomen, ten einde te trachten de Onrust te 
bereiken, die te doen uit een springen , en tegelijkertijd door 
het vernielen van kampongs den bewoners der Boven-Does- 
soen op nieuw de wrekende hand van de regering te doen 
voelen. 

Zonder tegenstand bereikte van Gennep (i November) 
Lontontoeor. Hij vond de Onrust 16 voet onder de opper- 
vlakte van het water; een stomp van den mast stak 3 voet 
boven het water uit. Het schip lag reeds 6 voet diep in het 
zand gewoeld, zoodat er tot ligten hoegenaamd geen kans 
meer bestond. In den romp, geheel met zand vol geloopen, 
was vóór den grooten mast een opening van tien voet. Op 
het dek was bijna alles gesloopt; de houten verschansingen, 
raderkasten, brug, koekoeken, en het stuurboordswiel waren 
geheel weggebroken , van het bakboordswiel alleen nog enkele 
afgebrokene straalijzers over; de fokkemast was op een hoogte 
van 6i voet bovendeks gekapt, de schoorsteen langs het dek 
afgehakt; een gedeelte daarvan, twee vadem lang, lag, met 
zand gevuld op het achterschip. 

Als nu werd er overgegaan tot het aanbrengen van een kope- 



Digitized by VjOOQIC 



327 

ren kruidkist , gevuld met 100 pd. buskruid. Deze mijn 14 
voeten diep in den romp van het gezonken vaartuig aange- 
legd, sprong naar wensch. Een groot gedeelte van den bo- 
dem werd vernield, het water meer dan 20 voet opgeworpen, 
de rivier met drijvende voorwerpen overdekt. De stomp der 
groote mast was blijven staan doch in veranderde rigting, en 
werd later geligt; een koperen pijp uit de machinekamer en 
een bakspier, voorzien van hangers, vlogen naar wal; veel ijze- 
ren en houten voorwerpen werden opgevischt , ook het stuk 
van den schoorsteen werd teruggevonden. Meerdere pogingen 
aangewend tot verdere sloping, zag men mislukken door den 
zwaren stroom; en daar de vroeger verbrande kampongsin 
denzelfden toestand werden aangetroffen, en de bevolking 
nog steeds voortvlugtig was, keerde de expeditie (4 Novem- 
ber) naar Bandjer terug. 

Hoewel het civiel bestuur door de laatste beroeringen en 
het daaruitvolgend verloop van de bevolking op verschillen- 
de punten van het rijk, groote moeijelijkheden ondervond 
om zijne bevelen te doen uitvoeren , werkte het onder 
die ongunstige omstandigheden toch nog met een kracht, die 
de verwachting overtrof. De politie vooral was onver- 
moeid en legde de hand op menigen hadji die den oproerigen 
geest onder de bevolking wakker hield; door haar kwamen 
dagelijks belangrijke zaken aan het licht ; door haar werd 
ontdejit dat menige pangerang die te Martapoera of Ban- 
djermasin als een trouw dienaar van het gouvernement be- 
kend stond, in het geheim met zijn geld en door zijn zedelij- 
ken invloed den opstand ondersteunde. 

Vele gevaarlijke arrestaties hadden er in die dagen plaats , 
dikwerf met behulp der bajonetten ; eenige pangerangs wer- 
den bewaakt, andere uit het Rijk verwijderd, en de krijgs- 
raad was onafgebroken werkzaam met de meerdere of min- 
dere schuld der gevangen muitelingen te onderzoeken, hen 



Digitized by VjOOQIC 



328 

naar bevind van zaken , tot den dood of tot verbanning te 
veroordeelen. 

Zoo had den 22«n October te Banciyer, wederom een von- 
nis-uitvoering plaats van drie pembekkels, die de straf des 
doods door middel van den strop ondergingen, en van 27 
andere inlanders, die tot 40 roltanslagen en tot verbanning 
voor den tijd van 12 en 20 jaren waren veroordeeld. 

Soeria Mataram, een der vroegere besturende pangerangs , 
overleed den 8*^ October te Martapoera. 



Digitized by VjOOQIC 



HOOFDSTUK XXIII. 



OPBRATIEN GEDURENDE NOVEMBER EN DECEMBER 1860. — VER- 
STERKING BIJ KLOEMPANG. — VERPLAATSING DER VERSTER- 
KING VAN AMAWANG. — VERRIGTINGEN DER' TROEPEN 
AAN DE KAHAYAN EN KAPOEAS. — DE SULTHAN VAN 
KOETEI. — OPRIGTING VAN BEn POST TE MENG- 
KATIP. — ALGEMEBNE TOESTAND. 

Nabij Tambak Limik (Tanah Laut), zuidwestwaarts van Ban- 
djermasin, hield de zoogenaamde pangerang Moeda zich op 
met een honderdtal muitelingen. Om uit de hoofdplaats 
naar Tambak Limik te komen, moest men uren lang door 
diepe moerassen gaan; operatiën langs dien weg waren dus 
hoogst onzeker. Verspijck schreef daarom de kommandanten van 
Pleiharie en Martapoera aan, om uit die plaatsen gelijktij- 
dig patrouilles naar Tambak Limik te zenden en te trachten 
den pangerang op te ligten of te verslaan. Dientengevolge 
rukten (4? November) de 1^ luitenant BrinkgreveuitBandjer, 
bij wien de hoofd-Djaksa met zijn gevolg zich aansloot, 
Stoecker uit Martapoera , en van Straten uit Pleiharie , ieder 
met een detachement tegen de muitelingen op, terwijl een 
gewapende sloep onder van der Steen voor de soengej Oeloe 
Oeloe gestationeerd werd om het ontvlugten langs die zijde 
te beletten. In weerwil van deze maatfiBgelen vonden de pa- 



Digitized by VjOOQIC 



330 

trouilles de plaats verlaten; de opstandelingen hadden zich 
bij tijds uit de voelen gemaakt en naar het landschap Tjan- 
tong de wijk genomen. 

Onder de Hoofden des opstands had zekere pembekkel 
Boengor zich in Tanah Laut een grooten naam verworven. Aan 
de Assem-assem rivier, waar op een bijna ontoegankelijk 
punt een benting was opgerigt, voerde hij een onbeperkt 
gezag. Nadat hadji Boeyasin verslagen en uit |het landschap 
verdwenen was, werd de tuchtiging van Boengor besloten. 
Op den 27*^" November scheepten de civiele gezaghebber en 
de radja van Pagattan zich in op den sleper van Os, die 
met de Boeginesche hulptroepen in 15 praauwen op sleep- 
touw, 's nachts te twaalf ure aan de monding der Assem-Assem 
ankerde. De kruisboot van de Satoeirivier bevond zich reeds 
daar. Een patrouille die denvolgenden'morgenaan wal ging, 
zocht te vergeefs naar een weg landwaarts in. Nu stoomde 
de flotille de rivier op , en stootte op een aantal versper- 
ringen die alle moesten opgeruimd worden. Den volgenden 
dag ontscheepte een gedeelte der hulptroepen op een uur 
afstands van de plaats waar Boengor's benting moest liggen, 
en werd er bepaald de benting om te trekken en aan de achter- 
zijde aan te vallen. Het andere gedeelte zoude met behulp der 
lilla's , waarmede de praauwen bewapend waren, en onder- 
steund door de kruisboot , de benting van de rivierzijde aan- 
grijpen. Er waren signalen bepaald om den aanval gelijk- 
tijdig te bewerkstelligen. 

Spoedig nadat de logt voortgezet was, moest de stoomer 
wegens het ondiepe waler achter blijven. Nabij een versper- 
ring werd de flotille van den linkeroever beschoten , en een 
Boeginees zwaar verwond. Onmiddellijk werden de troepen ont- 
scheept, rukten naar de versterking die de versperring bestreek, 
doch die verlaten vindende en in de verte geweervuur hoorende, 
marcheerden zij langs beide oevers door tot aan de hoofd-ben- 
ting. Het omtrekkende gedeelte had zich , in weerwil der 



Digitized by VjOOQIC 



331 

hardnekkige verdediging, behoorlijk van hare taak gekweten ; 
de vlammen stegen reeds op uit de woning van Boengor en zijn 
hoofd, waarop een premie van /"SSO was gesteld, werd als 
zegeteeken voor den radja neergelegd. Ook Djoeragan Samat, 
een bekend Hoofd, dat de opstandelingen steeds van wapens 
en munitie voorzag, was gesneuveld; verscheidene Bandjere- 
zen waren gevangen gemaakt. Van deze laatsten vernam men 
dat Boengor en Samat de moordenaars waren der negen 
Daijaksche zendelingen, die in December 1859 derwaarts 
kwamen om hen tot onderwerping aan te manen. 

De beuling had den vorm van een redoute, in het front en op 
de flanken een dubbele, achter een enkele rij palissaden; 
de omtrek was met randjoe's beplant. 

In den namiddag kwam een gedeelte der inlandsche pa- 
trouille aan , geleid door den trouwen Bandjerees Tempirai en 
doorhadji Achmat Tahar, die den 24«° van Pleiharie naar Nga- 
ya was gemarcheerd en onderweg een menigte rijst- en 
zout-pondoks had vernield, indertijd door hadji Boeyasin 
opgeslagen. 

In den omtrek der benting vond men een aanmerkelijke 
hoeveelheid rottan en Boegineesch zout. Op aanwijzing van 
een gevangene werd nog een voorraad van twee koyangs rijst 
en van 200 ganlang's zout in het woud ontdekt. Men sloopte 
de benling, liet publicatiën achter om de bevolking tot 
onderwerping aan te sporen nu hunne Hoofden met den 
dood gestraft waren , en doorzocht het strand tusschen Sebo- 
hor en Sawarangan. Daarna keerde de inlandsche patrouille 
langs de Sawarangan naar Pleiharie terug, de kruisboot naar 
haar station voor de Satoeimonding, en de flotille met de 
hulptroepen naar Bandjer. Verspijck betuigde den radja zijn 
tevredenheid;, zijne Boeginezen hadden inderdaad veel bij- 
gedragen tot zuivering van de bosschen aan de zuidkust. Ge- 
kleed en gewapend als de vijand, bewoog de Boeginees zich 
even gemakkelijk als de Bandjerees op het, voor de soldaten 



Digitized by VjOOQIC 



332 

ondoordringbaar terrein; hij roeide in wrakke, smalle djoe- 
kongs zonder gevaar over snel .gtrooraende soengej's. : Niet 
gewend aan geregelde' voeding, werden zijne bewegingen 
ook niet belemmerd door koelietreinen die vivres nadroegen; 
bij gebrek aan vivres , at hij de djagong en wortels; die hij 
hier en daar vond. Meermalen hadden de Boeginezen der 
oostkust togten in Tanah Laut gemaakt en waren dus met 
het terrein bekend- 

Tanah Laut kwam nu in een ongekenden staat van rust. 
Tengevolge der verliezen in het zuidelijke gedeelte geleden, 
was Boeyasin met een achttal volgelingen naar Mengappan 
geweken. Te Pleiharie alleen kwamen zich een vijfhonderd 
inwoners vestigen, en ook te BatoQ Tongko keerde een 
honderdvijftigtal uit de hosschen terug. — De post te Tatian 
Taras werd naar Batti-Batti verplaatst. 

Mengappan aan de s. Riam Kanan gelegen, was de plaats 
waarover de muitelingen gewoonlijk van Tanah Laut naar 
het noorden of naar Tjantong trokken. Steeds bewogen 
zich daar kleine benden, en dit deed Verspijck besluiten 
dit punt te bezetten. Op den 28«° November zond hij een 
gedeelte der hulptroepen van Pagattan, onder 's vorsten broe- 
der, pangerang Hamin, derwaarts om de geheimste schuil- 
plaatsen van hadji Boeyasin op te sporen, : en tien -dagen 
later (9 December) rigtte §toecker met een detachemeqt van 
80 bajonetten, een: Sponden en een mortier,- er een^post op. 

Op het einde van 1860 hield : alleen nog pembek)celDoeraip 
met een kleine bende het veld; hoewel elke patrouille hem 
afbreuk deed en de. sergeantmajöorBogaiart; zich herhaaldelijk 
door een bijzonderen ijver in het vervolgen onderscheidde, 
was het echter nog niet gelukt hem in handen té krijgen. 

Stoecker besteedde, den 28®° en 29*" November aan een 
togt naar Boekit Brasma Ketjil. 



Digitized by VjOOQIC 



833 

Nadat Bakker met 43 bajonetten, van Baleh uitgaande, 
van 14 — 30 November de noordoostelijke berglanden door- 
kruist had , bleek het niet alleen uit dèn vrijwilligen terugkeer 
van verscheidene huisgezinnen naar Pengaron, maar ook 
uit de brieven door een vijandig Hoofd, Salman, aan Mo- 
hamad Said (Antassari's zoon) gerigt, dat een groole moe- 
deloosheid den vijand in de Riam Kiwa had overmeesterd. 
Aan Benschop, die Salman trachtte op te ligten en daartoe 
(24 December) een togt naar kampong Tambalik Keljil maak- 
te, vielen een paar brieven in handen die getuigden van 
zijn wanhopenden toestand. »Dag en nacht zat hij in den 
angst voor de komst der troepen, die met de Boeginezen 
wedijverden om hem te vatten. Door de laatste krijgsbe- 
drijven in Tanah Laut en Mengappan was zijne magt wegge- 
smolten, was ieder slechts op eigenbehoud bedacht; hij 
smeekte Antassari en de priesters te Martapoera om hem hulp 
te verleenen." 

Antassari zelf hardnekkig vervolgd, was evenwel buiten 
staat anderen bij te springen. 

Ockerse was in het begin van November met 40 bajonet- 
ten van Kendangan naar Tambak Paring gemarcheerd , ter 
opsporing van pangerang Moeda ; ofschoon hij door het moe- 
rassige terrein niet verder dan tot kampong Oelin kon komen, 
viel hem toch een voorraad van Ü0,000 pond rijst in handen. 

In den omtrek van Telok Pegat hadden zich 300 Daijaks 
onder zekere Laskar vertoond, waarop de Brauw met een 
patrouille (26 Nov.) over Moeara Tabalong afging. In ver- 
eeniging met een kleine kolonne onder Ockerse van Moen- 
goe Thayor uitgegaan , sloeg hij den vijand na een paar 
schermutselingeiï uiteen en herstelde de rust in die streken. 
In den nacht van 2 December rukte Ockerse weder met 
50 man over B. Padang naar het gebergte van Telok Pegat ; 
véreenigd met de Brauw vervolgde hij zijn marsch langs 



Digitized by VjOOQIC 



334 

de Tapinrivier en keerde (5 December) , na veel vermoei- 
jenissen te hebben door staan, over Martagiri terug. De 
Brauw ging van Martagiri over Gadoeng en Margasarie naar 
Bandjer. 

Soetakarta, een der hoofden van den opstand uit Amawang, die 
vroeger de benting teGoenong Madang hielp verdedigen , had 
tweehonderd zwervende Daijaks vereenigd en zich verschanst 
op een heuvel nabij Martagiri , waar hij zijn geluk nogmaals 
wilde beproeven. Tpen dit te Martapoera bekend werd, nam 
de majoor militaire kommandant aanstonds de noodige maat- 
regelen om den vijand aan te tasten. Kapitein Wolff van Wes- 
terroode kreeg last om met een kolonne van 140 bajonetten 
en een mortier uit Martapoera naar Martagiri te marcheren, 
de benting te nemen, den vijand te vervolgen en uit een 
të drijven. Van Bandjer ging gelijktijdig de order naar 
den kommandant van Amawang, om een sterke patrouille 
naar Martagiri te zenden, deze zooveel mogelijk in verband 
met de kolonne WolfF tegen de benting te laten ageren , en 
den vijand bij het ontvlugten aan de noordzijde den pas af 
te snijden. 

Dientengevolge bevond zich reeds den 23*^° December de 
dd. officier Regenwortel met 48 bajonetten te Kloempang, niet 
ver van Martagiri. Deze zond berigt van zijne aankomst aan de 
kolonne Wolff, die toen tot MoengoeThayor opgerukt was, en 
verzocht nadere bevelen. In den morgen van den 24«« nog geen 
antwoord bekomen hebbende, marcheerde Regenwortel door 
tot in het gezigt der vijandelijke stelling , raadpleegt de overige 
onderofficieren en komt tot het besluit om de benting te be- 
stormen. Het zou Regenwortel niet ten kwade zijn geduid 
van zijne instruictie te zijn afgeweken, bij gelegenheid dat 
de vijand zich bloot gaf, indien hij beproefde soldaten wAer 
zich had gehad. Dit was echter het geval niet ; hij had niels 
dan jonge militairen van de S"" kompagnie, IS^bataillon, on- 
der zijn bevelen. Toen hij voorwaarts kommandeert , gehoor- 



Digitized by VjOOQIC 



835 

zamen verscheiden soldaten niet; de vrees verlamt hunne schre- 
den. Digter bij de borstwering dan vijftien pas durven de 
voorsten niet; en zoodra de Europesche sergeant Wevers 
sneuvelt en twee man zwaar gewond neerstorten , ontwijken 
zij het vijandelijk vuur , en moet Regenwortel den terugmarsch 
naar Amawang aannemen. 

Intusschen was Gavaljé (^24 December) met een gedeelte der 
kolonne WolfF tot Benoea Padang opgerukt, en had den SS*"* 
de vijandelijke stelling omgetrokken , terwijl Wolff haar in 
front naderde. De bezetting zich in den rug bedreigd ziende , 
wachtte den aanval niet af; en terwijl aan de eene zijde de 
versterking ontruimd werd, kwam Gavaljé er aan de andere 
zijde met den looppas binnen. De sterk te — een vierkante re- 
doute met faces van 8 a 9 el — op dezelfde wijze inge- 
rigt als die van Boekit Madang , had een 3 dubbele palissa- 
dering, doch geen enkele opening; alleen de blindering was 
nog niet voltooid. WolfF liet het omliggende terrein door- 
zoeken en keerde daarna terug, zonder den vijand te ver- 
volgen. Had Regenwortel na zijn mislukten aanval, slechts 
in de nabijheid der benting stand gehouden, de vijand zou 
dan niet zoo gemakkelijk zijn ontkomen. — Een paar dagen la- 
ter werd door den controleur van Margasarie nabij Martagiri 
een lange 4ponder, die tot de bewapening der benting was 
bestemd geweest, uit de Tapinrivier opgevischt. 

Toen de kommandant van Amoenthay de nederlaag van 
Regenwortel vernam, zond hij Vos met 170 man naar Marta- 
giri; op den marsch derwaarts kreeg men echter berigtvan 
het verlaten der benting , en keerde naar Amawang terug. 

De eerste meldingwaardige gebeurtenis die in November 
in Amandit voorviel, was de aanval (7 November) van 
zekere Loerah Mira op den kampong Simpor. Het kampongs- 
hoofd Ranamangala, dat geweigerd had zich te Boekit Madang 
bij den vijand aan te sluiten en op wien nu wraak zou genomen 



Digitized by VjOOQIC 



336 

worden, verdedigde zich echter dapper, doodde Mira raet 4- 
anderen, en sloeg de geheele bende op de vlugt. Een patrouil- 
le, vergezeld van den officier van gezondheid Andringa die 
de gewonden van Ranamangala hulp zoude verleenen, trachtte 
den vijand nog in de rigting van Telok Pegat te vervolgen, 
doch te vergeefsch. 

Engelhard met 50 bajonetten (15 November) en Vos met 
70 bajonetten (in den nacht van 19 op 20 November) maakten 
groote marschen in verschillende rigtingen zonder vijanden 
te bespeuren. 

Volgens berigten te Amawang gebragt, hielden zich muile- 
lisgen op te Lapang aan den voet van een heuvel. Engel- 
hard trok (24 November) om 10 uur 's avonds derwaarts met 
65 bajonetten. Te middernacht bereikte hij Taal, en vervolg- 
de zijn weg langs Boekit Menaris tot Telok Pegat. Van daar 
drong hij in de wildernis langs een smal pad, dat naarden 
heuvel Lapang voerde. Onbekend met de juiste ligging van 
dezen heuvel, bragt de gids de kolonne onverwachts opeen 
open terrein. Vijftig pas verder stonden twee groote en een 
aantal kleine woningen waaruit een twintigtal gewapenden te 
voorschijn traden, die hunne geweren losten en in overijling 
wegliepen, om zich op een der nabij gelegen bergruggen 
met een dertigtal anderen te verzamelen. De voorhoede 
bragt hun een doode en drie gewonden toe. Engelhard liet 
den sergeant-majoor Gimberg met 30 man een omtrekkende 
beweging maken, waarop de vijand in het woud verdween. 
In de woningen vond men een menigte randjoe's, zakken met 
patronen, lansen, klewangs en schilden. Bij het doorzoeken van 
den omtrek ontdekte men op den berg , waar de vijand zich ver- 
zameld had, een aantal springlansen, buik- en gewone randjoe's. 

Den 25«" November maakte Hojel, voorzien van de noodige 
dekking, een verkenning naar het geheel onbekende Herian- 
gebergte in de rigting van Lampangie, en kwam den 29*° te 
Amawang terug. 



Digitized by VjOOQIC 



iil 

Ëen nachtelijke togt van Engelhard (2 December) naaf 
kampong Paloeang om een muitelingshoofd Raksa Negara op 
te ligten, mislukte niettegenstaande de beleidvolle wijze 
waarop die gemaakt werd. Paloeang droeg alle blijken met 
overhaasting te zijn verlaten. Men had Raksa Negara van 
onze komst vooraf weten te verwittigen. 

Op een berigt dat Hidayat met zijn gezin zich zou be- 
vinden te Datar Laga, een kampong op ongeveer 4 uur boven 
Loempanie, oostwaarts van het Mandellagebergte gelegen, 
rukte Engelhard vergezeld door Hojel met een kolonne van 
80 man den 7«° weder uit om het terrein op te nemen. 
Hoewel geen enkele vijand gezien werd, was die togt be- 
langrijk door de terreinkennis daarbij opgedaan. Den eersten 
nacht werd te Karian gebivakkeerd; den 8^" December liep 
de weg over het gebergte Kalingan Bras , door de soengej Hari- 
an naar den berg Moengoe Koempa, waar het bivak werd be- 
trokken; den 9^° over den Mariekiet naar Loempanie, en 
van daar over Goenong Daloyor tot Siman Babatam; den 10«° 
tot Hankinang; van daar over Tanga Oelin, waar huizen van 
demang Lehman stonden, naar Pantey Hambawang(12Dec.). 

Ook in deze maand gaf Verspijck last om de versterking 
die reeds min of meer in bouwvalligen toestand verkeerde , 
van Amawang naar het nabijgelegen Kendangan te verplaat- 
sen. In laatstgenoemde plaats toch was men meer meester 
van de breede Kiddemanrivier die bovendien in den regenmoes- 
son ondoorwaadbaar was ; ook de N. 0. waarts gelegen kampongs 
werden daar beter beschermd tegen stroopende benden , en de 
bezetting kon er geheel over water van alles voorzien worden. 

Ten derden male bezette tommonggong di Paraksa den 
kampong Djatti (zie pag. 316). Op het vernemen dier tijding 
besloot van Puffelen , die juist last had ontvangen om van 
Batoe Mandie op te breken , hem onverwijld aan te tasten. 
Van den anderen oever uit de missigit hevig beschoten , 

22 



Digitized by VjOOQIC 



888 

* 
rigt hij den mortier op de missigit. Twee granaten treffen 

haar en springen midden in de bezetting. Thans ontruimde 

de vijand voor goed de plaats. Een fuselier sneuvelde. 

Het oostelijke deel van AUei bleef nog onveilig. Zende- 
lingen van Antassari bezochten de kampongs om vrijwilligers 
voor één maand te werven. Daarom ging Bode den 7«> No- 
vember met een kleine kolonne uit Pantey Hambawang, 
von Ende uit Barabei-ie naar kampong Boedjang en veree- 
nigde men zich den 8*°. Van Boedjang werd de vijand met 
verlies van eenige dooden verdreven. Djatti vond men ver- 
laten. Bij een aanval op het bivak nabij Laboean , werden 
twee soldaten gewond. Kampong Takim (9 November), waar 
zich vroeger demang Djaja Negara ophield, was verlaten; 
Boelanin werd zonder vijandelijke ontmoeting bereikt en van 
daar de terugmarsch ondernomen. Kort na dezen togt die 
zich tot aan den vijfden rug van het Mandellagebergte uit- 
strekte , kwam een deputatie der] Dayaks van Laboean onder 
den tommonggong Amin zich te Barabei-ie aanmelden om 
hare onderwerping aan het Nederlandsch gouvernement aan 
te bieden. Aan allen die dezen togt mede maakten, werd bij 
komihandementsorder de tevredenheid van den chef der ex- 
peditie betuigd. 

Von Ende arresteerde (23 November) vijf muitelingen te 
Benoea Assem en vond daar een groote hoeveelheid rijst, 
zout, geld en wapens. Van 24! tot 26 November maakte 
van der Heijden een togt naar Radja Patja, TameanKambah 
en Limpasso. Zekere Djemaïl hield zich in die streken op, 
kwelde de bevolking van Laboean en had een benting «willen 
oprigten. Zijn volgelingen verkozen echter niet, zich achter 
palissaderingen op te sluiten , i^daar de Hollanders toch alle 
bentings innamen.*' Zij volgden liever de taktiek om de 
patrouilles te harceleren; ook thans werd de kolonne onop- 
houdelijk beschoten, en geen .vijand gezien. 

De muitelingen die zich in het gebergte ophielden, verlie- 



Digitized by VjOOQIC 



339 

ten slechts dan hunne schuilhoeken wanneer de nood hen 
dwong zich van levensbehoeften te voorzien. Door de vele 
regens werden de patrouilles zeer in hare bewegingen be- 
lemmerd. Men trachtte toen door het uitzenden van spionnen 
te ontdekken op welke punten de vijand zich bevond. Hojel 
trok naar Oewai-wai , toen het bekend werd, dat de bevolking 
dien kampong had verlaten. — Bode moest wegens ziekte 
zijn kommandement aan van Haastert overgeven. 

Na den val van Batoe Mandie, zwierven nog slechts kleine 
benden in het landschap Amoenthay rond. Eenmaal poogde 
goesti Omar zich nog nabij Karang Poetih te versterken, 
doch de hulptroepen van den regent verdreven hem onmid- 
delijk van daar. — Nu en dan loste men in de verte een 
schot op onzen post te Pringin; een paar malen werd 
de gemeenschap tusschen Pringin en Amoenthay bedreigd. 
De verschijning van eenige troepen was echter voldoende om 
die te herstellen. 

Van Tabalong ontving men zeer uiteenloopende en over- 
dreven berigten aangaande de verblijfplaats der Hoofden van 
den opstand. Volgens het laatste berigt zouden Soerapatien 
Antassari zich aan het hoofd van 1500 Dayaks boven Moeara 
Ayoe versterkt hebben. Volgens mededeelingen van een 
spion waren echter 600 man van Passir onder Adjie Maas 
terug gegaan, daar laatstgenoemd Hoofd ongenoegen met 
Antassari had gekregen. 

Een kolonne van 125 bajonetten met houwitser en mortier 
onder Bode (17 November) van Amoenthay derwaarts gezon- 
den vond (den 22*^°) te Moeara Ayoe evenmin een benting, 
als een geschikte bivakplaats. 's Nachts bekroop en beschoot de 
vijand onophoudelijk het bivak, waardoor Backerus twee fuse- 
liers verloor, en bovendien drie koelie's gewond werden. Toen 
ook den 23^" langs beide oevers der rivier geen vijand gezien 
werd, keerde de kolonne (25 November) naar Amoenthay terug, 



Digitized by VjOOQIC 



840 

Van al de patrouilles — Peltzer naar Goenong Pandauw (3 
December), Beijens naar Moeara Petap (5 December), enz. — 
die in December uitgezonden waren, ontmoette er slechts één 
tusschen Tandjong en Kaloewa een stroopende bende Dayaks 
die spoedig op de vlugt sloeg. Geheel zonder muitelingen was 
het landschap dus nog niet. Men vernam dat Lampehon , 
door hulptroepen bezet, zou aangevallen worden. Het ver- 
sterken van dien post met een onderadjudant en 26 bajo- 
netten was evenwel voldoende om den vijand van zijn plan 
te doen afzien. — Op den 25<^° December begaf de assistent- 
resident van Amoenthay zich naar Lampehon en vond er alle 
Hoofden van het distrikt aanwezig om zijne bevelen te ver- 
nemen. Thans zou niets onbeproefd worden gelaten om 
Djalil te vatten. 

De berigten die van verschillende punten van het rijk, 
onophoudelijk aan het hoofdkwartier kwamen, liepen dikwijls 
lijnregt tegen elkander in , waren meestal overdreven en 
soms geheel bezijden de waarheid. Naarmate zij meer of 
min den schijn van waarheid droegen , werd er acht op ge- 
slagen. Vaak gaven zij aanleiding tot onnoodige troepen- 
bewegingen. Zoo zond de chef der expeditie (23 Nov.), op 
het berigt dat Antassari met 1000 Dayaks te Banbangan ge- 
komen was , den luitenant de Brauw met 50 man naar Mar- 
gasarie, om het land te zuiveren van de bende die de 
bevriende kampongs tusschen Benoea Padang en Gadoeng 
zoude bedreigen. Uit de rapporten van Amawang en Moen- 
goe Thayor, die daarna inkwamen, bleek evenwel dat de 
patrouilles van die plaatsen naar de omstreken uitgezonden , 
nergens vijanden hadden ontdekt. 

Nabij onze versterking te Panko (Kahayan) had goesti 
Djamil in het begin der maand Nov. een bende van 80 
man vereenigd, die met verlies van 3 dooden en 10 ge- 
kwetsten door den sergeant Lubtan met 48 soldaten werd 



Digitized by VjOOQIC 



341 

verjaagd, terwijl van onze zijde een fuseKer daarbij omkwam. 
Eenige dagen later (12 November) vernam men dat zij in 
de s. Karawa een benting had gebouwd en versterkt 
was door een paar honderd bewoners van Boven-Kahayan. 
Voor dat deze sterkte door ons aangetast kon worden, werd 
zij echter uit eigen beweging verlaten omdat die soengej 
voor groote praauwen bevaarbaar was, en werd een andere, vier- 
kante benting, aan de s. Kawama , tegenover onzen post op- 
gerigt. Toen Verspijck hiervan tijding kreeg, zond hij on- 
middelijk de Kingsbergen (waarn. kommandant-luitenant ter 
zee 2**« klasse Maas Geesteranus) met een gewapende barkas 
en een detachement van 30 bajonetten onder luitenant Brink- 
greve derwaarts. Deze officier stelde toen een kolonne van 
70 man en 1 mortier te zamen, rukte er van twee zijden 
mede tegen de benting op, alleen om te zien dat de vijand ze 
in alle haast ontruimde. Na de slechting van het werk, stoomde 
de Kingsbergen tot Antassan Noessie, ontmoette nergens meer 
weerstand en kwam den 24^° November weer te Bandjer terug. 
Op het berigt dat die zelfde bende daarop naar Kwalla 
Kapoeas trok, nam de kommandant van dien post maatrege- 
len haar te gemoet te gaan. Een 300tal Dayaks vanPoeloe 
Petak bood zich vrijwillig aan om de troepen te ondersteunen. 
Luitenant Perelaer kon evenwel den vijand niet tot staan bren- 
gen. Reeds bij zijne aankomst sloeg de bende op de vlugt 
en verwijderde zich uit die streek. 

Naauwelijks had de gevlugte bevolking zich om en bij 
Kwalla Kapoeas in groeten getale weder nedergezet, toen het 
berigt zich verbreidde dat Pati Soenga Djaja , Hoofd van 
Sirat, gelegen aan de Boven-Kapoeas, door een vertrouweling 
van Soerapati verraderlijk was vermoord. Pati Soenga Djaja, 
steeds in onmin met Soerapati , was tot nu toe de grensbe- 
waarder der Boven-Kapoeas geweest. Nu hij gevallen was , 
duchtte men een inval der Boven-Doesoeners, 



Digitized by VjOOQIC 



842 

Op 5 December vertrok Z. M. stoomschip Suriname, met 
den luitenant der genie Caspersz , een detachement infanterie 
onder de Goenens, een voorraad vivres en het noodige artillerie- 
materieel en marcheerden de troepen uit Bandjer naar de 
Mengkatipmonding. Op last van Verspljck moest aldaar een 
versterking worden opgerigt. Eenmaal dit punt bezet zijnde, 
zouden er twee kruisbooten gestationeerd en het stoomschip 
alsdan beschikbaar worden om op de oostkust te dienen. 

Bleef de bevolking van Mengkatip , Sihong , Pattay, Dayoe en 
Pakoe gehoorzaam , die van Karrouw weigerde nog de bevelen 
van het gouvernement op te volgen en vermoordde zelfs een 
persoon die in Augustus eenige inlichtingen aan het bestuur 
gegeven had. Er liep een gerucht dat de djoeragan Kaoet van 
de Midden-Kapoeas zich aan het hoofd der Daya^s in Karrouw 
geplaatst en een aanval op Tameang Layang of Tabalong in 
den zin had. Verspijck had eerstgenoemden post met 25 bajo- 
netten versterkt, om zoo noodig offensief te kunnen handelen. 
Het had al den schijn dat de benden in Karrouw in verbinding 
stonden met die welke zich boven Tabalong en Priijgin op- 
hielden en van Antassari hare bevelen ontvingen. Van eenige 
beteekenis was die Dayaksche magt echter niet; en hield de 
sulthan van Koetei zijn woord , dan was het te voorzien dat 
zij spoedig naar Boven-Doesoen zou moeten terug trekken 
om hare eigene haardsteden te beschermen. 

De sulthan van Koetei gaf een nieuw bewijs van gehecht- 
heid aan het Nederlandsche gouvernement , door voor te stel- 
len om de opstandelingen in het Bandjersche rijk met de wapens 
te bestrijden. De assistent-resident van Koetei meende dat 
hiervan welligt partij kon worden getrokken en raad- 
pleegde de gezindheid van de voogden des sulthans ; toen 
ook deze hem de verzekering gaven dat eenige duizende 
Dayaks gereed stonden om op het eerste bevel van den resi- 
dent ten strijde te trekken , bragt hij het voorstel naar Ban- 



Digitized by VjOOQIC 



Ui 

djermasin over. Oordeelende dat de bevolking der Boven-Doe- 
soen voor het verraad op de Onrust gepleegd nog niet genoeg 
gestraft was, dat de magtigste bondgenoot van Hidayat en 
Antassari door een inval der Koeteinezen geneutraliseerd, de 
noordelijke afdeelingen van het Bandjersche rijk daardoor van 
Soerapati's strooptogten bevrijd zouden worden en dat er 
nog langen tijd moest verloopen voor dat mfen in staat zou 
zijn de Boven-Doesoen met troepen te bezetten, nam de re- 
sident Verspijck het aanbod aan en liet den sulthan weten 
dat 't hem vrij stond krijg te voeren tegen de Doesoeners 
van kampong Riong af tot aan de bronnen der Barito, en 
in 't bijzonder tegen de bevolking aan de Teweh , Bambei 
enLahey; dat alle buit op den vijand te maken , onder de Koe- 
teinezen kon verdeeld worden, en dat bovendien op het hoofd 
van Soerapati /500, op dat van Maas Amom en Singga- 
pati elk f%0 premie was gesteld. 

Op het einde van het jaar 1860 was derhalve de toestand 
aanmerkelijk verbeterd. Tegenover de krachtige houding 
onzer troepen, die alle brandpunten bezet, alle vijandelijke 
afdeelingen verslagen hadden , die alle gemeenschapslijnen 
meester waren , stond de onbeduidendheid van enkele ben- 
den in de meest ontoegankelijke streken teruggedrongen; 
tegenover één hoofd, dat alles bestuurde en ondersteund 
werd door de intelligentie en ijver zijner ondergeschikten, 
stonden ontmoedigde , onderling oneenige opperhoofden , die 
hoe langer hoe minder gehoorzaamd werden. 

Immers de invloed van Hidayat en Antassari nam af met 
lederen dag, met elk gevecht, met elke verdrijving uit het 
oord waar zij eenig gezag uitoefenden; ook de goede ver- 
standhouding, de vroegere overeenstemming bestonden niet 
meer. Naar ieders karakter had de tegenspoed een ver- 
schillende uitwerking gehad. Hidayat was moedeloos ge- 
worden en zou het zwaard wel willen wegwerpen; An- 



Digitized by VjOOQIC 



tassarl wilde met elke nederlaag den strijd wanhopiger 
doorzetten. 

Op de grenzen van Koesan of Tjantong zat Hidayat in 
een armzalige hut, omringd door zijne getrouwen wier aan- 
tal dagelijks afnam, op middelen te peinzen om op devoor- 
deeligste wijze zich aan zijn magtige tegenpartij te onderwerpen. 
Verspijck daarvan kennis bekomende, trachtte hem dooreen 
Bandjersch koopman, hadji Isah, onderhands te laten weten, 
dat thans nog het gestrenge vonnis van den krijgsraad kon 
vermeden worden indien hij zich vrijwillig aan het Hoofd 
van Koesan overgaf. »Eénmaal zou hij in handen der troe- 
pen vallen, dat was gewis; maar dan ook trof hem het 
onvermijdelijk lot van ieder opstandeling die met de wapenen 
in de hand gevat werd. Het minste wat hem wachtte, was 
een verbanning naar Java; hij kon er echter zeker van zijn 
als een prins van vorstelijken bloede behandeldte zullen wor- 
den." Van die poging verwachtte Verspijck weinig goeds; 
toch meende hij die niet achterwege te mogen laten. 

Waarschijnlijk wantrouwde Hidayat die belofte ; welligt was 
het boven het begrip van den Bandjerees om edelmoedigheid 
bij een overwinnaar te veronderstellen. Besluiteloos als al- 
tijd, liet hij de gelegenheid voorbijgaan om een einde aan 
de rampen te maken die het Bandjersche volk reeds zoo lang 
teisterden , en bereidde zich zelf, nog anderhalfjaar lang , een 
kommervol leven. 

Heerschzucht , haat enbloeddorst beheerschten Antassarite 
zeer, om hem aan onderwerping te doen denken. Voor hem wa- 
ren de middelen van tegenstand nog niet uitgeput ; hij zou tot 
het laatst tegen het noodlot worstelen en wilde liever ster- 
ven dan zich overgeven. Hoogstens met een aanhang van 
tweehonderd volgelingen , zich nabij Tabalong en Moeara Petap 
ophoudende, dwong hij de zwakke bevolking de wapens tegen 
ons te voeren. Geheele huisgezinnen der verdrukking moede, 
kwamen zich aanhoudend in den omtrek van Amoenthay ves- 



Digitized by VjOOQIC 



S4.5 

tigen. Aan den anderen kant noopte de vrees voor onze 
wapens den sulthan van Passir zijne Dayaks te verbieden, 
om zich langer onder Antassari's vaandel te scharen , en 
hielden de vorsten van Tanah Boemboe op , om hem van wa- 
pens en munitie te voorzien. 

Zelfs Soerapati begon in te zien dat met het afloopen van 
de Onrust de magt der Hollanders niet gefnuikt was. Aan 
den besturenden pangerang van Koetei schreef hij den vol- 
genden brief, gedagteekend van 14 Rabeoel Awal 1277 (10 
October 1860). 

ï)Deze brief komende van mij kiay tommonggong Djang 
»Pati Djaya Radja (Soerapati) die het oppergezag voert 
)>over het geheele land , geworde aan mijne vrienden Singa- 
»pati en Ferdana Pati, die gezeteld zijn te Koetei. 

)) Wijders verzoek ik inlichting omtrent den stand van zaken 
Mn Koetei en de gezindheid met de Hollanders; of Koetei 
»de Hollanders nog genegen en hun nog onderdanig is. 

»0p ontvangst van dezen mijnen brief verzoek ik om ant- 
»woord, opdat zulks duidelijk wordt. 

»0ok omtrent het slecht-gaan en niet onderwerpen aan 
»hunne bevelen, verzoek ik in waarheid op te antwoorden, 
))opdat ik zulks weet, want onze vorst pangerang Antas- 
»sari verkeert thans bijna in een magteloozen toestand." 

Misschien was hem iets van den voorgenomen togt der 
Koeteinezen ter oore gekomen. 

Van deze gunstige stemming der vorsten aan de Oostkust 
wilde Verspijck partij trekken. Door de Suriname derwaarts 
te zenden (27 December) hoopte hij alle verdere ondersteuning 
van den opstand voor den vervolge te beletten en die vor- 
sten langzamerhand aan meerdere gehoorzaamheid te ge- 
wennen. Brieven met ernstige vermaningen om zich van 
alle gemeenschap met de opstandelingen te onthouden, wer- 
den door dat stoomschip, onder het lossen van het geschut, 
in de Kloempangbaai afgegeven voor de vorsten van Tjan- 



Digitized by VjOOQIC 



846 

tong, Tjingal, Menoengoel en Sampanahan. In die brieven 
werd gesproken van de mogelijkheid dat Nederlandsche troe- 
pen overland die rijken een bezoek zouden komen brengen; 
een vriendschappelijk bezoek, wei te verstaan, waarvoornie- 
mand die de bevelen van het bestuur geëerbiedigd had, vrees 
behoefde te koesteren. Ook Passir w^d door de Suriname 
bezocht en daar op gelijke wijs den sulthan een briöf over- 
handigd, waarbij hem onzijdigheid werd aanbevolen. 

Twee muitelingen ondergingen de doodstraf. De een, Na- 
chodi Toewa, gewezen Hoofd van Pleihaiie had in 1859 een 
zendeling van kolonel Andresen laten vermoorden en sedert 
dien tijd de partij desopstands gekozen; de tweede hadden 
pembekkel Lehok afgemaakt, omdat deze het gouvernement 
diende. 

Hoewel het buiten ons bestek valt ieder ofiBcier te noe- 
men , die met een gesloopt ligchaam het oorlogstooneel moest 
verlaten , om op Java te sterven of om daar weder langzaam 
tot krachten te komen , wiQen wij toch den dood van 
Graas (1 December) in het hospitaal te Martapoera en van 
Schifif (29 November) te Tameang Layang ten gevolge der 
doorgestane vermoéijejaissen, niet geheel onvermeld laten. 
Beiden waren oflBcieren die van het begin des krijgs in het 
veld waren, die zich in een aantal gevechten door stoutheid, 
bij elke onderneming door volharding, op menigen post door 
zelfverloochening onderscheidden, en die door officieren en 
manschappen om het zeerst werden geëerd en bemind. 



EINDE VAN HET EERSTE DEEL. 



Digitized by VjOOQIC 



J 



\^ 




I: 



DigitizedbyGopgle 



9 



THÏ NEW YORi; 
vüBUC LIBRART 



DigitizedbyCiOOQlC 

1 



Digitized by VjOOQiC 



Digitized by VjOOQiC 



Digitized by VjOOQiC 



Digitized by VjOOQiC 



Digitized by VjOOQiC 



THE NEW YORK PUBLIC LIBRARY 
BBFBRENCE DEPARTMENT 


Tliifl book ii under no cïrcuoistaiioes ta be 
taken f ram the Building 




























































































f Hf 01 4H 







Digitized by 



Goc 



f- ' 



V \ 



Digitized by VjOO^IC ;